Hoofdstuk 7.
Bounded spaces, locational
configurations and locational effects.
Ruimtelijke patronen worden beïnvloed door human decisions die plaatsvinden in een locational context. Deze locational context is bounded, wat zowel legaal als conceptueel kan zijn. We zien de
invloed van grenzen o.a. in de transportnetwerken, en patronen van inkomen.
Ø
Geografische variatie binnen
begrensde ruimtes wordt gereduceerd relatief aan de variatie tussen begrensde
ruimtes.
The concept of bounded
spaces: definition and function.
Bounded spaces zijn simpele
ruimtes omringd door een grens: naties, provincies, schoolplein, boerderijen,
vliegvelden, eilanden, etc. We kunnen twee soorten bounded space onderscheiden:
Ø
Legally bounded spaces: zijn degene waar
iemands wettelijk gedefinieerde rechten en plichten veranderen bij het passeren
van een grens. Het wordt vaak ook in het landschap aangegeven.
Ø
Conceptually bounded spaces: geen verandering in
iemand’s wettelijk gedefinieerde rechten en plichten. De grens die dit soort
ruimtes omringd is vaak veel vager en slecht gedefinieerd, hoewel het bestaan
van zo’n bounded space erkent zal
worden door een groter aantal mensen. Ze wordt gekenmerkt door een vorm van
eenheid, een gevoel van solidariteit. Vaak is het een ruimte bestaande uit
verscheidene locaties, die op een bepaalde manier op elkaar lijken, en
verschillen van omringende gebieden. Ook op stedelijk niveau kunnen conceptually bounded spaces worden
onderscheiden; bijvoorbeeld door verschil in de mate van bereikbaarheid.
Beide typen bounded space functioneren als krukken in het organiseren
van onze kennis van de ruimte om ons heen. Echter de legally bounded spaces zijn in hun functies het belangrijkst, omdat
het hier de organisatie van ruimte voor collectieve doeleinden op verschillende
ruimtelijke niveaus betreft. Politie, infrastructuur, riolering, scholing, etc.
zijn collectieve goederen die het best verdeeld worden binnen zo’n legally bounded space. Door het
inrichten in begrensde gebieden om o.a. de collectieve goederen te verdelen,
ontstaan er administratieve regio’s.
Er komen twee hoofdaspecten kijken bij de locationele organisatie van
collectieve functies; locational
proximity (ruimtelijke nabijheid) en the
boundedness of the spaces served by a function.
Het principe van locational
proximity in het aanbieden van collectieve goederen en diensten wordt
afgeleidt van economische en politieke principes. Economische gezien is het
simpelweg goedkoper als de consumenten van een bepaald collectief goed en/of
dienst dicht bij elkaar wonen. Politiek gezien is de vraag naar veel
collectieve goederen en/of diensten en politieke vertegenwoordiging van een
zeer gelokaliseerde afkomst; bijv. vervuiling.
Nu is het vaak zo dat van de collectieve goederen/diensten ook over een
bounded space wordt geprofiteerd,
echter luchtvervuiling bijvoorbeeld zorgt weer voor een nadelige situatie over
een grens. We spreken dan over spillover
effects.
Ø
Positive spillover effects zijn
prijsloze/kostenloze voordelen voor individuen in gebieden buiten het gebied
onder het bewind van het desbetreffende collectief.
Bijv: migratie van hoogopgeleiden, profiteren
van infrastructuur van forensen die hier niet voor betalen.
Ø
Negative spillover effects zijn prijsloze
kosten voor individuen buiten het gebied onder bewind van het desbetreffende
collectief.
Bijv: Luchtvervuiling veroorzaakt door een
andere 'bounded space', migratie van laagproductieve migranten.
Wat heeft dit allemaal met grenzen te maken? Door een gebied te
begrenzen waarbinnen collectieve goederen en diensten worden verdeeld, is het
collectief in staat de spillover effects te sturen naar haar voordeel, door het
internalizing positive spillover effects
and externalising negative spillover effects.
Het is begrijpelijk dat de 'positive spillover effects' makkelijker te
besturen zijn dan 'negative spillover effects'; zoals bij environmental issues. Het blijkt behoorlijk ingewikkeld om zelfs na
verrekening van eenmaal opgewekte negatieve milieueffecten, deze volledig weg
te werken, en 'negative spillover effects' te voorkomen.
Prof. Dr. Hartog: Het 'interneren' van negatieve externe effecten nl.
de marktprijsvorming.
Voor de belastingbetalende medemens zijn de ruimtelijke effecten van
een 'public facility' zeer afhankelijk van de locatie van de faciliteiten. Veel
faciliteiten hebben een ietwat duaal karakter; ze combineren negatieve effecten
voor de nabijwonende met de veel bredere distributie van de voordelen; 'kosten
en baten-analyse' is heer van belang.
We kunnen concluderen dat de ruimtelijke organisatie van 'bounded
spaces' van alle verschillende soorten
en variërende geografische schalen, zo veel mogelijk probeert te maximaliseren
van de 'positive spillover effects' te internaliseren en de 'negative spillover
effects' te externaliseren.
The geometrical properties
of bounded spaces.
Op een zeker punt in de tijd zijn er drie 'geometrical properties of
bounded spaces'; area, shape,
connectivity.
1.
Area
(oppervlakte/ruimte/gebied): Bij sub-nationale administratieve regio's kunnen we
vaak een gevarieerdheid van gebiedsgrootte herkennen, bovendien clusteren
kleinere administratieve regio's vaak bij elkaar.
Ø
Administratieve regio's/eenheden nemen af in grootte, naarmate de
bevolkingsdichtheid toeneemt.
De reden voor dit verband is te vinden in het
concept van treshold (drempel); we
spreken over het 'threshold level' ofwel 'demandlevel', als het niveau waarop
het economisch aannemelijk wordt om een
goed of dienst te leveren in verhouding tot de te betalen c.q. op te brengen
belasting.
Op internationaal niveau is dit verband afwezig.
2.
Shape (vorm): De vorm van een
staat is van groot belang bij het onderhouden van internationale relaties,
echter heeft ook behoorlijke invloed op de interne administratie en sociale
binding van de inwoners. De meest gewenste vorm voor veel type ruimte lijkt er
een te zijn met een hoog gehalte compactness.
Ø
Compactness mag gedefinieerd
worden als de vorm die de relatieve omtrek optimaliseert t.o.v. het oppervlak,
en zodoende de afstanden binnen het begrensde gebied minimaliseert. Door
'compactness' hebben we een veel kortere grens in verhouding tot grootte van
het gebied, wat het goedkoper maakt om de negatieve en positieve en negatieve
spillover-effecten onder controle te houden. Ten tweede kan het administratieve
centrum veel centraler gelegen zijn voor alle burgers. De totale reisafstand
van alle plaatsen tot het centrum is geminimaliseerd, wat de kosten voor
collectieve diensten laag houdt.
Er zijn in werkelijkheid echter veel uitzonderingen; afwijking wordt
vaak veroorzaakt door resource factors
(bv. Alpendorpjes). Internationaal spelen economische motieven ook vaak een
zeer grote rol, zoals territoriale expansie.
Motieven kunnen echter ook politiek zijn, zowel op regionaal als op
nationaal niveau. Op regionaal niveau kunnen we dan denken aan herverdeling van
kiesdistricten in het voordeel van een bepaalde partij. Deze vorm van
ruimtelijke manipulatie noemen we gerrymandering.
Op internationaal niveau kan de vorm van de ‘bounded space’ soms door een
politiek motief tot stand komen, datgene wat we in dit geval panhandle noemen. Als reden wordt
hiervoor vaak genoemd een expansie strategie of een separatiebeleid.
Een ander goed voorbeeld voor de invloed van de political resource factor is de west-grens van de Soviet Unie.
3. Connectivity (verbinding):
Gebieden die begrensd worden door slechts één ‘boundary line’ kunnen
beschouwd worden als highly connected,
terwijl gebieden die omringd worden door meerdere grenzen beschouwd worden als
slecht verbonden, en een probleem hebben met bewegingen en de ruimtelijke
organisatie. Gebrek aan ‘connectivity’ binnen begrensde gebieden kan twee
vormen aannemen:
-
‘Bounded spaces’ kunnen gebrek aan ‘connectivity’ vertonen omdat ze exclaves zijn in verhouding tot elkaar,
gescheiden en omringd door het land van de buurman. Bv. Polen die in de oorlog
Duitsland van Russia scheidde.
-
Er is echter ook een enclave
vorm van ‘disconnectivity’, waarbij er een klein stukje territorium in een
staat ligt maar niet onder de jurisdictie van die staat bevindt. Bv. Vaticaan
stad.
‘Disconnectivity’
laat de afstanden die men moet reizen om de bevolking van diensten te voorzien
binnen de begrenzing toenemen. Als gevolg zal er bovendien een zeer lange grens
aanwezig zijn en er zal veel sneller sprake zijn van de ‘spillover’ problemen.
The dynamics of bounded
spaces.
Een algemeen langere termijn kenmerk van ‘bounded spaces’ is dat het
gemiddelde gebied groeit. Zoals in de geschiedenis van Europa, waar we van
duizenden kleine hertogdommen, provincies, etc. naar een paar staten, naties
met soevereiniteit zijn gegroeid, met daarin een bevolking die iets (taal bv.)
met elkaar gemeen heeft.
Ø
De natiestaat is het verbond van een staat als soevereine macht over
een territorium, met de natie als samenleving voor mensen met een normaal setje
culturele waarden, die zich bovendien met dit territorium identificeren.
Bovengenoemd lange termijn kenmerk van groter wordende gebieden geldt
voor zowel de ‘conceptually bounded spaces’, als voor de ‘legally bounded
spaces’. Er bestaat een zeker verband tussen de expansie van ‘conceptually
bounded spaces’ en het reisgedrag en de kennis van de mensen, en het probleem
van de ontwikkeling vakjes/hokjes om de toenemende mate van variatie te kunnen
van opbergen/in vakjes verdelen.
De expansie van ‘legally bounded spaces’ kent drie belangrijke
factoren:
1. Economies of scale:
De ‘economies
of scale’ in het aanbieden van collectieve diensten en goederen (ziekenhuizen,
politie, brandweer, en scholing) bieden een motief om het te bedienen gebied te
vergroten.
2. Improved communication.
Niet alleen de
dienstensector biedt de motieven tot gebiedsvergroting, echter innovaties in
industrie en communicatietechnologie in desbetreffende ‘economies of scale’
spelen ook een grote rol. Vooral de communicatie technologie speelt een grote
rol bij de expansie, hoewel het motief wel eens kan voortkomen uit de wens de
gemaakte kosten te doen afnemen, en opbrengst van een investering te doen
toenemen, of het geld van de belastingbetaler door het voordeel te trekken uit
‘economies of scale’.
Het imperialisme van de 19de eeuw heeft ook behoorlijke
voordelen kunnen trekken uit de vernieuwende communicatietechnologie, echter
het lag hier wel gecompliceerder.
Ø
Een rijk is een grote multi-natie staat, van essentie gebaseerd op overwinning,
en gecontroleerd, overheerst, en georganiseerd door de dominante natie.
3. The increasing geographical range of positive
spillover effects and the need to internalize them.
Er kunnen vanuit deze oorzaak meerdere ontwikkelingen optreden:
-
Een grens zodanig trekken dat bepaalde gebruikers ook in het
“belastingdistrict” vallen.
-
Samensmelting van territoriale eenheden, zoals een centrale stad met
omringende halfstedelijke gebieden.
-
Centralisering van de lokale politieke macht, en de collectieve
diensten naar een hoger niveau. Dit hoeft niet zo zeer een directe vergroting
van een bounded space tot gevolg te hebben, het kan ook slechts een
“niveauverhoging” zijn.
Vaak is de expansie van ‘legally bounded spaces’, ondanks deze
factoren, toch niet zo snel als economisch gewenst of technisch mogelijk. Een
belangrijke reden hiervoor is dat de kosten en voordelen van politieke en/of
economische integratie de neiging heeft om ongelijke te verdelen van een
‘bounded space’ tot de ander.
Op de intranationale schaal als we kijken naar de intergratie van
metropolitane gebieden, zien we dat er qua aanbieden van collectieven goederen,
etc veel voordelen zijn. Echter de onafhankelijke ‘suburber’ kan dankzij
bepaalde veranderde bestemmingsplannen zijn wijk volgestopt worden met ‘public
housing’.
Het belang van economische kosten en voordelen geeft al aan dat een
verbond/een unie tussen ‘bounded spaces’ waarschijnlijk zal plaatsvinden tussen
de gebieden met eenzelfde gemiddeld inkomen. Op internationaal niveau zien we
dit ook sterk; E.U.
We kunnen zodoende ook begrijpen dat er vanuit economische overweging
wordt besloten niet te integreren: Zwitserland en de E.U. Economische factoren
kunnen dus ook zorgen voor desintegratie.
Een goed voorbeeld om aan te tonen dat het vaak niet alleen draait om
economische factoren bij expansie, is de E.U.
1.
Strategische en/of politieke overwegingen waren van kritiek belang
(bv.dreiging van de Russen).
2.
Emotionele motieven (bv. toetreding van Noorwegen).
Dit speelt ook op intranationaal niveau.
De afgelopen decennia is er een trend ontstaan waarbij men zich keert
tegen de centralisatie, uit angst om bepaalde culturele kenmerken van het
dagelijks leven kwijt te raken. Men is bang de controle over het eigen gebied
te verliezen. We zien dat de naoorlogse verwachting van grote homogene staten
niet is uitgekomen; er heeft zich een behoorlijke decentraliserende
ontwikkeling voorgedaan, die de territoriale dimensie terug bracht in de
politiek, en geleidt heeft tot ‘autonomie’ in verschillende vormen op
verschillende sub-nationale niveaus.
Bijv: De regionalistic ethnic
trend in Western Europe.
-
Een separatistische groepering bevindt zich vaak in de eigen kernregio,
die zij claimt als eigen vaderland, vaak gekenmerkt door aparte culturele
kenmerken.
-
Echter vaak ook bevinden de separatisten zich op een perifere locatie,
weg van de nationale regering, om zo te proberen zo veel mogelijk aparte
identiteit te behouden.
-
Vaak voelt men zich dan ook wel hetzij genegeerd, hetzij economisch
geëxploiteerd door de centrale regering.
Er kan in dit verband overigens ook van het iets mildere ‘regionalisme’
gesproken worden.
De meest recente factor in de verklaring van deze trend is te vinden in
de veranderde benadering tot regionale economische problemen op supranationaal
niveau. Voornamenlijk was het probleem dat men met de E.U. een enkele markt
heeft willen creëren en is daarmee op problemen gestuit.
Het resultaat van de regionale multi-facetten trend is in veel gevallen
territoriale decentralisatie; de nationale regering staat ‘bounded spaces’
binnen de staat een zekere mate van culturele, politieke en financiële
onafhankelijkheid toe.
Ø
Territoriale decentralisatie heeft te maken met
het overbrengen van taken, macht, geld, en controle van een hoger naar een lagere
territoriale autoriteit. Het is een politieke activiteit, primair gericht op
een toenemende participatie of legitimatie van de regering.
In stedelijke gebieden zien we ook dat mensen steeds vaker naar lokale
instituten gaan; zoals de neigbourhood
council – beweging. Echter de administratieve kosten nemen dan wel toe; een
fundamentele vraag die we ons dan moeten stellen is of deze trend zal leiden
tot politieke decentralisatie die
lokale kenmerken en behoeften reflecteert, of in een bureaucratische deconcentratie nabij een stedelijk
centrum, die alle politieke macht in handen krijgt.
Ø
Territoriale deconcentratie heeft te maken met
de spreiding van de uitvoering /het nakomen van de beslissingscapaciteit over
de regio van de territoriale autoriteit. Het is een bureaucratische zet,
primair gericht op een toename van de efficiëntie waarmee de uit te voeren
taken worden behandeld van de hogere autoriteit.
We kunnen
concluderen dat de grotere ‘bounded spaces’, zowel op internationaal als
sub-nationaal niveau, ondanks alles toch wel een tendens laten zien te groeien
zowel wat betreft grootte als belangrijkheid. De kleinere ‘bounded spaces’
nemen af in aantal, met uitzondering van de grotere stedelijke gebieden.
Bounded spaces and movement
patterns.
We verklaren geografische patronen van beweging vanuit drie concepten:
1. Attractiveness.
2. Movement costs.
3. The locational pattern of movement opportunities.
Al deze drie factoren de niveaus van beweging over de grens en
illustreren dus the barrier function of
boundaries. Het oversteken van een grens kent vaak een cost penalty. ‘Bounded spaces’ wijzigen bovendien vaak het
ruimtelijke patroon van ‘movement opportunities’. En de ‘attractiveness’; men
zal bijvoorbeeld eerder migreren naar een ‘bounded space’ met gelijkende kenmerken,
zoals dezelfde taal.
Om een voorspelling te maken over de mate van telefooncommunicatie
tussen steden, is van belang:
-
Intervening distance; meer communicatie
treedt op als de steden zich dichter bij elkaar bevinden.
-
De bevolking van de steden tussen wie de communicatie plaatsvindt.
Een hoog product bij een grote bevolking is
een hoog aantal communicatie, en vice versa.
q
Het zwaartekrachtmodel.
Dit model wordt
in de geografie gebruikt om de toekomstige interactie te voorspellen tussen
afkomst en bestemming, of om voorspelde interactie te vergelijken met bestaande
interactie, om zo de patronen van stromen te verklaren.
Bij het patroon van de telefonie zijn twee belangrijke factoren de interpersonal contacts en de
mogelijkheden hiertoe, en de invloed van de massa
media.
In het geval van de Australische kranten kunnen we concluderen, dat bounded spaces interact to structure a
variety of movement behaviors, and create or reinforce- regional contact
patterns and identities.
Bounded spaces and international
trade.
Terwijl
internationale grenzen over het algemeen beweging tegenwerken, creëren de
verschillen van economische inhoud van de onderlinge ‘bounded spaces’ die
tegelijkertijd een aanvullendheid creëren, een voorwaarde voor beweging in
handelsartikelen.
Bij handel tussen ‘bounded spaces’ zijn er twee opvallende aspecten:
-
Sommige staten hebben ‘transferability problems’, omdat ze land-locked zijn.
-
Ten tweede is het ook belangrijk of er bij de kostenvoordelen sprake is
van een absoluut voordeel of een relatief voordeel. Zie ook comparatief
voordeel van Ricardo.
q
Comparative advantage.
-
Production possibility lines: indicate the maximum combinations of two
commodities that can be produced by a countries given resources.
Ricardo liet zien dat de
absolute verschillen in de productiekosten misleidend zijn, en benadrukte het
feit dat de relatieve of comparatieve
voordelen van productie de handelspatronen bepalen. Men dient zich af te
vragen wat het domestic exchange ratio
is.
Een eerste voorwaarde om de handelspatronen te bepalen is het domestic exchange ratio of terms of trade. Deze waarden definiëren
de vloer en plafond prijzen in de internationale handel. Als er aan deze
voorwaarde wordt voldaan, kunnen beide landen zich volledig specialiseren in de
handelsartikelen waar zij een comparatief voordeel in hebben. We krijgen dan
een bepaald pattern of trade, the
internationale exchange ratios (‘terms of trade’). Hieruit volgt: consumption goes up with no increase in
production costs. En twee onafhankelijke nationale economieën zijn
samengesmolten tot een geïntegreerde economie waarbij de voordelen van
specialisatie in bepaalde productie, bereikt is door handel, gemeten door een
verbetering in ‘terms of trade’ door te veranderen van een zelfvoorzienende tot
een volledig internationale economie. Deze redevoering kan ook gebruikt worden
voor handel binnen een land.
Er bestaat dus verschillen in productiviteit tussen verschillende
gebieden; hetgeen kan liggen aan het aantal beschikbare natural resources; factor
endowment theory gaat weer uit van iets anders. Handelstheorieën hebben restrictive assumptions (afwijkend
gedrag).
Porter:
Volgens hem is de grootste tekortkoming van bestaande handeltheorieën
hun macro-view. Ze bespreken handel
tussen naties, echter vergeten hierin de rol
van het bedrijf, vooral de rol van de multinational. Uit zijn onderzoek
kwam dat het nationale voordeel geconcentreerd is in een klein aantal sectoren.
Ook bleek er een relatie te bestaan tussen de internationale
concurrentiepositie en de characteristics
of its national home base.
In tegenstelling tot Ricardo die alleen de factor kostenverschillen in
beschouwing nam, is volgen Porter het antwoord op de centrale vraag: the
international competitiveness of firms, lies in the quality of the ‘diamond of
national advantages’ (fig.7-21).
Het belang van de factor
conditions is veranderd. Op de binnenlandse markt is de composition of demand zeer van belang.
Binnenlandse related and supporting
industries, door stimulerende concurrentie, informatiestromen en technische
‘interchange’ bieden voordelen in innovatie en upgrading. Dit alles versterkt
de value chain: hoe sterker de
interdependence van veel verschillende elementen binnen de economische sector
van een ‘bounded space’(cluster).
-
Economische orde is complex, en
hangt weer af van cultuur, normen en waarde.
-
Domestic rivalry is waarschijnlijk
de krachtigste stimulans voor een gezond concurrentiemilieu.
-
The indirect role of
government is van belang bij het vormen en verbeteren van de voorwaarden van de
diamant.
Porter’s
moderne visie op Ricardo’s beginselen laat duidelijk de verbinding zien tussen
internationale handel, staat en bedrijf, and de centrale plaats van competitie
binnen de nationale ‘bounded space’ van
bedrijf. Voor de geografie is deze theorie van belang omdat Porter uitgaat van
de agglomeratievoordelen.
Bounded spaces and the
locational effects of boundaries.
Economische
competitie neigt perfecter te zijn binnen naties dan tussen naties.
Soms pleegt de regering dan territorial
justice, om collectieve diensten/goederen ongelijker en dus eerlijker te
verdelen.
Twee typen
‘locational effect’:
·
Constante effecten; in dezelfde mate
op alle locatie van de ‘bounded space’.
·
Variabele effecten; het effect hangt
af van de relatie van locatie relatief tot de begrenzing.
-
Intervening opportunity
effect; waarbij de locaties dicht tegen de grens zeer aantrekkelijk zijn.
-
Halo effect; plaatsen
aan de grens zijn relatief onaantrekkelijk. Redenen voor het halo-effect zijn
politiek, strategisch en economisch.