Hoofdstuk 9: Industrie, beleid en regio
9.1 Het Nederlandse industriebeleid.
De periode 1949-1963: er is sprake van een geslaagd industriebeleid. Dit beleid bevatte twee centrale elementen. Namelijk:
-een stringente prijs- en loonbeheersing door de overheid in samenspraak met de sociale partners.
-het beschikbaar stellen van financiële middelen voor investeringen ( o.a. uit Marshallhulp).
Dit beleid had een voorwaardenscheppend karakter, voorop stond het bevorderen van het industrieel klimaat.(productiemilieu)
Een wens was om de basisindustrie te versterken.
In de periode na 1963, toen de NL industrie volwassen was geworden, werden twee punten belangrijk.
De regering heeft uiteindelijk toch weer voor een voorwaardenscheppend beleid gekozen en niet voor een sectorspecifiek beleid.
Het industriebeleid van de jaren ’90 kan meer en meer gekarakteriseerd worden als offensief.
De toekomst van de NL industrie is sterk afhankelijk van de internationale concurrentiepositie.
De Nota in 1990 ‘Economie met Open Grenzen’ is gericht op
In de jaren’ 90 worden industrie, diensten en landbouw steeds meer in samenhang bekeken. Alle krachten moeten worden gebundeld om de internationale concurrentiepositie aan te kunnen gaan. De overheid speelt hierbij de bescheiden, maar niet onbelangrijke rol van stimulator en coördinator.
9.2 Regionaal beleid in Nederland
Industriebeleid en regionaal beleid staan niet geheel los van elkaar. Vele gebieden hebben geprofiteerd van het industrialisatie offensief dat na 1945 werd ingezet. In de jaren ’60 en ’70 viel het defensieve industriebeleid samen met het regionaal beleid.
De jaren vijftig en zestig: werkloosheidsbestrijding en spreiding van bedrijvigheid.
Voor 1945 werd er geen regionaal beleid gevoerd. Het onderwerp leefde al wel in die tijd. Na 1945 veranderde dit. Een meer actieve opstelling van de overheid tegenover deze regionale problemen liep synchroon met de toenemende acceptatie van een sturende rol van de overheid in het economisch leven. De noodzakelijke wederopbouw en de gewenste planmatige aanpak bij de uitvoering van het Marshallplan boden bovendien mogelijkheden zich daadwerkelijk met de regionale economische situatie te bemoeien.
Er was wel een soort tweesporigheid van beleid, met enerzijds werkloosheids- en anderzijds spreidingsargumenten voor het regionaal industrialisatiebeleid.
In 1952 kwam wetgeving tot stand die voorzag in de bevordering van industrialisatie in acht zogenaamde ontwikkelingsgebieden. In de acht gebieden werden 38 industrialisatiekernen aangewezen. Er werd geïnvesteerd in het productiemilieu en bedrijven ontvingen bij vestiging in deze kernen een premie voor iedere werkloze die zij in dienst namen. Ook werd migratie naar het buitenland of naar het westen bevorderd.
De resultaten van de eerste fase van het regionale industrialisatiebeleid (1950-1957) waren opmerkelijk in tweeërlei opzicht:
Het regionale spreidingsbeleid nam vanaf 1958 een belangrijke plaats in binnen de Industrialisatienota’s. Het westen had veel groeipotenties, worstelde met woningnood, verkeerscongestie enz. Vele meenden dat het gewenst zou bepaalde economische activiteiten uit het westen te weren.
In 1959 werd een nieuwe fase van het regionaal beleid effectief. Van de oude 42 industrialisatiekernen werden slechts 19 als ontwikkelingskern gehandhaafd. Er kwamen wel weer nieuwe bij. Het instrumentarium werd geïntensiveerd. Subsidie op arbeidsplaatsen. Premies voor gebouwen. Migratie naar ontwikkelingskernen werd met vergoeding van verhuiskosten gemakkelijk gemaakt, de trek naar het buitenland en het westen werd niet langer bevorderd.
Vanaf de tweede helft van de jaren ’60 werd ook het herstructuringsbeleid van pas. Dit beleid richtte zich op stedelijk-industriele gebieden die sterk afhankelijk waren van een bedrijfsklasse, (Twente, Zuid-Limburg). De Investeringspremieregeling (IPR) werd hiervoor in 1967 van pas. Deze regeling had betrekking op de subsidie van kapitaal.
De jaren zeventig: herstructurering en breed opgezette regionale ontwikkeling
Rond 1971 leek, na twee decennia regionaal beleid, weinig noodzaak meer te bestaan om in een groot deel van Nederland nog stimulerende maatregelen op het terrein van werkgelegenheid toe te passen. Behoudens voor het Noordelijk stimuleringsgebied en het Limburgse herstructureringsgebied leek in andere gebieden aan het regionaal beleid een voorlopig einde te komen. Door de rond 1972 ingetredende recessie was er steeds minder ruimte voor herverdeling van bestaansbronnen.
Het regionaal beleid werd steeds minder gericht alleen op industrialisatie. Het ruimtelijke ordeningsbeleid en niet het regionaal economisch beleid nam het voortouw bij de verdere uitwerking van het spreidingsbeleid.
Voor het eerst zouden stimulerende maatregelen in de perifere gebieden samen moeten gaan met beperkende maatregelen in het Westen. In 1975 ging de wet op de Selectieve Investerings Regeling (SIR) van kracht.
Er werden plannen ontwikkeld voor het Noorden en Limburg. Lokale instellingen en de bevolking waren betrokken bij het maken van deze plannen.
De verslechtering van de economische situatie in de loop van de jaren zeventig had tot gevolg dat de regering in 1977 een intensivering van het regionaal beleid aankondigde.
De regering zette het wapen van de kapitaalsubsidies krachtig in, in het kader van de bestrijding van de economische teruggang.