Hoofdstuk 6:
Regionaal industriële
patronen: vervagende beelden.
6.1
Locatiekeuze en regionale specialisatie.
Weber:
De vestigingskeuze van industriebedrijven wordt primair herleidt tot de plaats met de laagste kosten. Bedrijven streven naar minimalisatie van de transportkosten. Hoge transportkosten kunnen gecompenseerd worden door relatief lage arbeidskosten, of agglomeratievoordelen. Gelijksoortige bedrijven wisselen grondstoffen en tussenproducten uit (ook wel locatievoordelen). Urbanisatievoordelen in grotere steden.
Winsemius:
Wanneer een bedrijf zich ergens vestigt leidt dit tot groei van de regionale economie.
· Stuwende sectoren: Sectoren die hun producten afzetten buiten de regio waar ze worden geproduceerd.
- Oorspronkelijke stuwende bedrijvigheid.
- Afgeleid stuwende bedrijvigheid.
· Verzorgende activiteiten: Activiteiten die hun producten afzetten binnen de regio waar ze worden geproduceerd.
· Regionale specialisaties: Eenmaal op een plaats gevestigd, kunnen stuwende bedrijven relaties aanknopen met al dan niet in die regio gevestigde andere bedrijven, waaronder verzorgende bedrijven en toeleveranciers. Wanneer die andere bedrijven in dezelfde regio zijn gevestigd, kan deze onderlinge verwevenheid leiden tot regionale specialisaties.
Het regionale patroon van de Nederlandse industrie is een stuk complexer geworden.
De moderne vestigingsplaats theorie houdt daarom ook veel meer rekening met de beelden die er bestaan van een bepaalde regio. Men gaat er van uit dat het gedrag van ondernemers maar tot op bepaalde hoogte rationeel kan zijn; men spreekt over deze theorie ook wel als de ‘behaviorale’.
6.2 De
industrie tot 1930: van diffuus patroon naar regionale specialisatie.
Pas na de onafhankelijkheid van België kwam er een beetje verandering, en begon langzamerhand de fabrieksmatige gemechaniseerde productie. Dit hield twee belangrijke veranderingen in:
· Urbanisatie.
· Agrarisering.
Het verval van de huisnijverheid en het daarmee verband houdende vertrek van plattelanders naar de steden leidde tot de agrarisering van het platteland. De nijverheid was aan het eind van de 19de eeuw door de opkomst van elders gevestigde efficiëntere grotere fabrieken verdwenen.
De industrie van voor 1930 bevindt zich grotendeels in de Westelijke provincies, hetgeen mede samenhing dat onze havens de ‘poortfunctie’ voor Duitsland gingen vervullen. Buiten de havens en de internationale handel, kwam de voedingssector, de chemische industrie en de scheepsbouw op. Het Westen werd door deze ontwikkeling snel een belangrijk industriegebied. Vanaf 1899 weten de provincies Noord-Brabant, Gelderland en Overijssel hun positie te versterken o.a. door verbetering van het spoorwegennet en de aanwezigheid van een groot aantal goedkope arbeidskrachten.
Kortom het Westen was gunstig door de verkeersligging. Brabant en het Oosten door lage lonen. Het Noorden door de aanwezigheid van agrarische grondstoffen. Hetgeen ook gold voor de aanwezige delfstoffen langs de grote rivieren.
6.3 De
periode van de wederopbouw: 1945-1960.
Na de WO2 wordt de industrie weer opgebouwd daar waar ze voorheen ook al gevestigd was. De ontwikkeling van de industriële werkgelegenheid in deze periode wordt gekenmerkt door enkele belangrijke veranderingen:
· Vooral in een aantal stedelijke regio’s in het Westen: Rotterdam, Haarlem, Leiden, Den Haag, Amsterdam; Dordrecht lukt het niet zo.
· Binnen het Westen kent het Groene Hart een positievere ontwikkeling van de industriële werkgelegenheid dan de aangrenzende grote steden.
· Een aantal gebieden uit het toenmalige regionaal beleid laten een zeer gunstige ontwikkeling zien voor het zuiden van Drenthe, Noord-Brabant en de regio rond Breda.
· De Rotterdamse haven bevindt zich in een expansieperiode. Ook IJmond Hoogovens.
In deze periode zet de ruimtelijke deconcentratie van de industrie zich door. De belangrijkste industrieklassen zijn: de voedings- en genotmiddelen industrie, de textiel, de elektro-technische industrie, en de metaalnijverheid.
6.4 Het
veranderende patroon na 1960.
In de periode 1960-1990 verliest het Westen in de industrie terrein, en in de overige provincies wint de industrie terrein. In de gebieden met een oververtegenwoordiging in traditionele industrie vallen de hardste klappen (b.v. de typische textielgebieden). De heerstructureringen eisen hun tol in de agrarische industrie in Oost-Groningen, de voedingsmiddelenindustrie in de Zaanstreek, en de scheepsbouw in Rotterdam en Amsterdam, maar ook in Utrecht gaat er metaalnijverheid verloren. In de Randstad verdween na 1963 behoorlijk wat industriële bedrijven door onvoldoende uitbreidingsmogelijkheden, verkeerscongestie en spanningen op de arbeidsmarkt. In IJmond, het havengebied van Delfzijl in het Noorden en de havens van de Schelde neemt de werkgelegenheid in de industrie toe. Na de energiecrisis van 1973 lag deze ontwikkeling overigens weer stil. Dankzij voornamenlijk het regionale beleid van de regering ontwikkelen de rurale noordelijke gebieden zich, en trekken nieuwe industriële bedrijven aan.
Het industrieel zwaartepunt blijft zich verplaatsen in Zuidelijke en Oostelijke richting. In het Westen verschuift het aandeel in de werkgelegenheid van industrie naar de dienstensector.
Het sterk veranderde patroon hangt sterk samen met de veranderde vestigingseisen van industriële bedrijven, en anderzijds met verbeterde vestigingsvoorwaarden voor industriële bedrijven buiten het Westen.
6.5
Bestaan er in Nederland nog industriegebieden?
Nederland is steeds meer een diensteneconomie. Sinds 1963 wordt de Nederlandse industrie vooral gekenmerkt door de ruimtelijke deconcentratie. Een regio is niet meer sterk afhankelijk van slechts een economische activiteit.
Er zijn nog een paar gespecialiseerde
industrieregio’s, gemeten volgens Atzema’s criteria:
- Voedings- en genotmiddelenindustrie in Veluwe, Rivierenland, West Brabant en Groot Amsterdam.
- Chemische industrie: West Brabant, Zeeuws Vlaanderen en Rijnmond.
- Grafische industrie: Groot Amsterdam, Utrecht.
- Metaal-elektro: Achterhoek, IJmond.
- Transportmiddelenidustrie: Zuidoost Brabant.
Enkele categorieën van kleine
industriegemeenten:
- Gemeenten waar 1 relatief groot bedrijf is gevestigd.
- Gemeenten met een lange industriële traditie.
- Gemeenten met een relatief groot, bovenlokaal bedrijven terrein.
-