Hoofdstuk 5:
Internationalisering en
grote ondernemingen.
5.1
Buitenlandse handel en investeringen.
Er is in de industrie sprake geweest van sectorale en organisatorische veranderingen, en internationalisering. Het aantal bedrijven dat exporteert (exportpenetratie) van alle groottes is toegenomen.
· Exportratio: Het aandeel van de export in de totale omzet van de exporterende bedrijven. Hetgeen ook is toegenomen, vooral bij de middelgrote bedrijven.
Combineren we de exportpenetratie en de exportratio, dan krijgen we een beeld van de exportafhankelijkheid.
Investeringen van buitenlandse bedrijven in Nederland nemen voortdurend toe. Maar ook Nederlandse bedrijven investeren steeds meer in het buitenland. Verschillende nationale economieën raken steeds meer met elkaar verweven.
Twee belangrijke aspecten van het proces
van internationalisering:
1. Steeds meer bedrijven exporteren, hetgeen leidt tot de groei van de buitenlandse handel.
2. Steeds meer Nederlandse bedrijven vestigen zich in het buitenland, en buitenlandse bedrijven in Nederland. En dus ook steeds meer buitenlandse investeringen.
De begrippen internationalisering en globalisering moeten niet worden overdreven. De rol van grote delen van de wereld in onze economie is uiterst bescheiden. Er is eerder sprake van drie belangrijke handelsblokken: Noord-Amerika, Europa en Zuidoost Azië; er is eerder sprake van ‘triadisering’ van de wereldeconomie. Ook de diensten en producten die uitbesteed worden, door een internationale onderneming, vallen in deze drie handelsblokken. Soms is er zelfs sprake van ‘glokalisering’; zoals bij Nedcar en Toyota.
5.2
Internationalisering: enkele theoretische aanzetten.
Ricardo:
De internationale handel is gebaseerd op relatieve kostenverschillen tussen landen. Een product geproduceerd tegen relatief lage kosten in een land, zal geëxporteerd worden naar een relatief duur land. En zo ontstaat de mogelijkheid om producten te importeren die elders goedkoper geproduceerd worden.
Heckscher-Ohlin-theorie:
Elk land zal zich specialiseren naar de daar aanwezige productiefactoren. De in een land aanwezige productiefactoren (arbeid, kapitaal, grondstoffen) bepalen derhalve de comparatieve voordelen, en daarmee de activiteiten waar een land zich in specialiseert.
Porter:
“The standard theory assumes that there are no economies of scale, that technologies everywhere are identical, that products are undifferentiated, and that the pool of national factors is fixed. The theory also assumes that factors, such as skilled labour and capital don’t move among nations. All these assumptions bear little relations, in most industries, to actual competition”. Gezien de toenemende kennisintensiteit en de relatief afgenomen verschillen tussen landen in scholing en infrastructuur, is het onjuist om het proces van internationalisering uitsluitend te bezien vanuit nationale kostenverschillen.
Men kan bij internationalisering twee
ingangen kiezen:
1. (o.a. door Ricardo) Het gaat hier om landen en regio’s die handelsrelaties met elkaar onderhouden. Men gaat uit van het concurrentieprofiel, d.w.z. die elementen uit de nationale bedrijfsomgeving, productiemilieu of investeringsklimaat die het voor een buitenlands bedrijf aantrekkelijk maken zich in een bepaald land te vestigen. “Voor bedrijven met welke activiteiten is Nederland een aantrekkelijke vestigingsplaats”.
2. De actoren in dit proces; de ondernemingen die internationaal opereren. Deze actoren zijn continu op zoek naar productievoordelen. “Waarom gaan bedrijven naar het buitenland?”&”Waarom investeren zij in sommige landen wel en in andere niet?”
Bij het zoeken naar een geschikte vestigingslocatie is er ook sprake van een behavioraal element; subjectieve waardeoordelen.
NB: Bij internationalisering: “Kiest een bedrijf voor export of directe investeringen in het buitenland?”
· OLI-paradigma: Ownership-Location-Internalisation.
Het is
voor een onderneming alleen interessant om zelf in een ander land te produceren
indien men de markt iets heeft te bieden (O), wanneer er daar gunstige
productiemogelijkheden zijn (L), en wanneer het voor de onderneming
aantrekkelijk is om de productie zelf te verzorgen (I).
· Ownership-specific-advantages: Bedrijfsspecifieke voordelen die mede bepalen of een onderneming zich weet te handhaven in de concurrentiestrijd. Zoals specifieke knowhow, efficiënte bedrijfsorganisatie, merknamen, controle over het distributienetwerk, etc.
· Location-specific factors: Bij marktuitbreiding zoekt men naar de specifieke voordelen van een bepaald land of regio.
· Internalisation: Bedrijf wil haar ownership-specific advantages zelf exploiteren.
Men onderscheidt in het proces van het
veroveren van een nieuwe afzetmarkt vijf fases:
1. Één vestiging die produceert voor de lokale markt.
2. Verschillende vestigingen, productie geconcentreerd op de kernregio.
3. Export, aanstelling van handelsagenten regelen de verkoop op de nieuwe markt, Verstrekking van handelslicenties.
4. Vestiging van eigen verkoopkantoren, servicebureaus, distributiecentra.
5. Vestiging van een eigen productiebedrijf.
(fig. 5.5)
5.3
Grote industriële bedrijven in Europa en Nederland.
De grote Europese ondernemingen hebben de laatste jaren een aanzienlijke omzetgroei laten zien. Werkgelegenheid is daarentegen afgenomen, de concentratiegraad neemt toe.
· Concentratiegraad: Het aandeel in de werkgelegenheid of de omzet van de 3, 5 of 10 grootste ondernemingen van het totaal in een bepaalde sector.
Volgens de Jong kent Europa wat betreft concentratiegraad vijf fasen sinds 1945.
Op welke wijzen kunnen ondernemingen groeien, dan wel groot blijven?
¨
Intern: De onderneming vergroot zelf door nieuwe verkoopkantoren of
productiebedrijven haar omzet en marktaandeel. Dit kan op meerdere manieren
gerealiseerd worden:
-
Marktpenetratie: het aandeel van bestaande producten op markten waar men al actief is
verhogen, b.v. door reclame.
-
Productvernieuwing: Een nieuw product aanbieden op
een markt waar men al actief is.
-
Marktontwikkeling: Bestaande
producten op nieuwe markten introduceren, b.v. export.
-
Diversificatie: Nieuwe producten gaan ontwikkelen voor een geheel nieuwe markt.
¨
Extern: Men kan door fusies of overnames schoksgewijs
groeien. Overname van een
vergelijkbaar bedrijf op de nieuwe markt is ook een alternatief voor het aldaar
vestigen van een eigen filiaal.
De manieren voor externe groei via fusies of overnames:
- Achterwaartse of voorwaartse verticale integratie; Een bedrijf neemt een ander bedrijf over dat dan wel hoger of lager in de desbetreffende productiekolom bevindt.
- Horizontale integratie; Bedrijven worden overgenomen die dezelfde of bijna dezelfde producten vervaardigen. Het begrip ‘marktconcentratie’ kan hieraan gekoppeld worden.
- Diversificatie; Er worden bedrijven overgenomen met geheel andere producten en/of markten: linke soep!
5.4
Buitenlandse bedrijven in Nederland.
Doorslaggevend voor een buitenlands bedrijf om te kiezen voor Nederland:
- Gunstige geografische ligging t.o.v. een omvangrijke West-Europese afzetmarkt.
- Goede distributiemogelijkheden door Rotterdam&Schiphol.
Nederlandse bedrijven richten zich, omdat ze willen doorgroeien, al vrij snel op de buitenlandse markt.
Buitenlandse bedrijven zijn door de jaren heen belangrijk gebleken voor de Nederlandse werkgelegenheid.
Door het geleidelijk opheffen van handels en transportbeperkingen verviel het nadeel van de relatief kleine Nederlandse markt.
Rond 1985 waren de nadelen van Nederland als vestigingsplaats:
- Kleine Nederlandse markt.
- Relatief hoge loonkosten.
- Bescheiden investeringspremies.
- Onbekendheid van Nederland als industrieland.
Om de aantrekkelijkheid van Nederland als investeringsland te peilen zijn er twee manieren:
1. Marktanalyse:
Er wordt gemeten welk land zijn marktpositie heeft versterkt, hetgeen wordt gedifferentieerd naar uitgeoefende activiteit. Voor de EDC’s en EHQ’s doen we het goed, helaas doen we het wat betreft productiebedrijven weer relatief minder.
2. Concurrentieanalyse:
Er wordt getracht de concurrentiepositie van een land normatief te schetsen.
De factoren die een land of regio aantrekkelijk maken als locatie voor een buitenlandse vestiging:
- Het macro-economisch profiel van een land.
- De marktsituatie.
- Het bedrijfsklimaat.
- De aanwezige arbeidsmarkt.
- De beschikbare infrastructuur.
- Overheidsmaatregelen.
- Leefomgeving.
- Beschikbare vestigingslocaties.
- Operationele kosten.
Ieder bedrijf stelt zijn eigen eisen aan de vestigingsplaats.