Hoofdstuk 3:

Bloei en neergang binnen de Nederlandse industrie.

 

3.1 Golfbewegingen in de economie.

Ø      De fasen theorie van Rostow.

Volgens Rostow (1963) wordt elke fase van economische groei gekenmerkt door een ‘leading sector’ (Hirschmann noemt dit een ‘strategische sector’), dit is een sector waarin activiteiten worden uitgevoerd die in een bepaalde periode uitzonderlijk sterk groeien, die als katalysator fungeren bij het ontstaan van een nieuwe groeifase in een economie. Bedrijven die deze snel groeiende activiteiten uitvoeren, staan nl. niet geheel los van andere bedrijven. Zij kopen bv. grondstoffen of halffabrikaten van andere industriële bedrijven. De groei in de ‘leading sector’ betekent daardoor ook groei voor die bedrijven en daardoor ontstaat een meer algemene economische groei.

 

Rostow onderscheidt in zijn fasenmodel vijf stadia:

1.      De traditionele preïndustriële samenleving, zonder echte ‘leading sectors’.

2.      De aanloopfase, waarin de landbouw en overheid de ‘leading sectors’ vormen.

3.      De ‘take-off’ fase, de fase waarin de industrie begint, met de katoenindustrie en meer indirect de spoorwegen als ‘leading sectors’.

4.      De groei naar rijpheid, waarin de staalindustrie, de chemische industrie en de elektriciteitsvoorziening als ‘leading sectors’ fungeren.

5.      De toestand van massaconsumptie, waarin de ‘leading sectors’ duurzame consumptiegoederen produceren.

 

De nadelen van Rostow’s model:

- tijdgebonden.

- door cultuurverschillen is dit ‘westers’ model, niet op alle werelddelen toepasbaar.

- Rostow koppelde de ‘take-off’ aan een forse abrupte stijging van de investeringsvoet. Deze investeringsvoet blijkt veel gelijkmatiger te verlopen dan Rostow vermoedde, waardoor het niet zo eenvoudig is om het begin van de ‘take-off fase’ duidelijk te herkennen.

 

Ø      De lange golf.

Deze theorie kent raakvlakken met de fasentheorie van Rostow. De ‘lange golf’ theorie houdt zich bezig met de afwisseling van periodes met economische voorspoed en economische neergang. De basisgedachte is dat binnen de looptijd van één zogenaamde ‘lange golf’ (40-60jr.) vier fasen zijn te ontdekken: voorspoed, recessie, depressie, en herstel. Elke golf wordt in verband gebracht met structurele technologische veranderingen of innovaties in de productie. Het zijn de ‘basisinnovaties’, de introductie in de markt van geheel nieuwe producten, die aan de basis van een nieuwe golf liggen (fig3.1)

De marxist van Gelderen schreef in 1913 een artikel over prijsontwikkeling en economische groei in de 19de eeuw. Hij wees daarin op het bestaan van lange golven van groei en neergang. Onafhankelijk van hem kwam de Rus Kondratieff in 1925 tot soortgelijke conclusies. Tijdens de naoorlogse recessieperiode bouwde de Nederlandse econoom Van Duijn voort op deze Kondratieff-golven. Over het algemeen wint de ‘lange golf theorie’ aan populariteit in tijden dat het minder goed gaat met de economie.


Vanaf de Industrialisatie tot de huidige Westerse markteconomie zijn er 4 lange golfbewegingen te ontdekken. Elke golf geassocieerd met een eigen basisinnovatie of ‘leading sector’:

1.      De fase rond 1800:

De toepassing van de stoommachine in de katoenindustrie, textielindustrie en ijzerindustrie. Drie sectoren die de bakermat van de industriële revolutie vormen.

2.      De fase rond 1860:

De uitvinding van een nieuw fabricageproces voor staal, waardoor de aanleg van spoorwegen wordt vergemakkelijkt. In deze fase staat de ijzer- en staalindustrie centraal.

3.      De fase rond 1920:

Gebruik van elektriciteit in de vorm van een elektromotor, waardoor de productiviteit in de industrie sterk wordt verhoogd. Chemische industrie, metaalindustrie en de automobielindustrie zijn in deze fase de ‘leading sectors’.

4.      De fase rond 1980:

Het gebruik van nieuwe technieken en de productie van allerlei synthetische producten in vooral de (petro)chemische industrie, de elektrotechnische industrie, de vliegtuigbouw en de farmaceutische industrie.

Volgens van Duijn zitten we nu in de opkomst van de 5de golf, gekenmerkt door de nieuwe informatietechnologie.

(Ter verklaring van het model) Volgens de Oostenrijker Schumpeter worden ondernemers vooral in een depressieperiode uitgedaagd om over te gaan tot vernieuwingen of innovaties; geheel nieuwe producten of nieuwe productiemethoden. Als het nieuwe product aanslaat krijgen de ondernemers een sterke positie op de markt. Door de toegepaste innovaties is er een hogere winstmarge, en kan er opnieuw geïnvesteerd worden. De ‘oude’ ondernemers worden weggeconcurreerd. Na een tijdje zullen er imitatoren verschijnen. Sommige ‘oude’ ondernemers zullen de geïntroduceerde innovaties overnemen. En de markt zal verzadigd raken. Kapitaalverschaffers zullen minder makkelijk investeren. De groei zwakt af, en bij uitblijven van nieuwe innovaties en investeringen kan een periode van stagnatie optreden.

 

Nadeel aan de ‘lange golf’:

Een regelmaat in perioden van voor- en tegenspoed bestaat niet, achteraf is het makkelijk een periode vast te stellen, maar om te voorspellen?             

Een sluitende verklaring voor perioden van voor- en tegenspoed biedt deze theorie dus niet. Er wordt bv. geen rekening gehouden met ruimtelijke verschillen; elke lange golf kent behalve basisinnovatie en leading sectoren ook haar eigen geografie.

 

Ø      Product levenscyclus.

Niet alleen in de macro-economie, maar ook bij de individuele ondernemingen treden golfbewegingen op. De levenscyclus veronderstelt dat een product gedurende zijn bestaan een viertal fases doorloopt.

1.      Introductie of innovatiefase:

Het nieuwe product wordt op de markt gebracht. Er volgt een afwachtende houding bij de meeste potentiële afnemers, of zelfs weerstand. Wanneer de prijs/kwaliteit verhouding uiteindelijk gunstig uitpakt, en de kinderziekten zijn overwonnen, dan kan het nieuwe product haar marktpositie snel versterken;

2.      De expansiefase:

De omzet groeit snel. De producent hoeft minder tijd te besteden aan producttechnische aspecten, en kan zich dus sterk wijden aan marketing en distributie. Er kan eventueel export gepleegd worden. De groeiende vraag lokt echter ook concurrentie uit, en zolang de vraag groeit is dit niet zo probleem. Maar anders kan er verzadiging optreden.

3.      De rijpheidsfase:

De omvang van de afzet stabiliseert, concurrentie neemt toe, en de winstmarges dalen. Producenten trachten zo kostenefficient mogelijk te werken, in de concurrentieslag.

4.      De teruggangfase:

De vraag beperkt zich tot aankopen in de vervangingssfeer, en soms valt de vraag geheel of gedeeltelijk weg.

NB: Dit is een ideaaltypische levenscyclus, vele producten kennen een andere levensloop (fig 3.4).

 

3.2 De positie van de industrie in de Nederlandse economie.

Met behulp van werkgelegenheidscijfers proberen we antwoord te geven op vragen als:

-         Zijn er fasen/golven/perioden in de geschiedenis van de Nederlandse industrie te onderscheiden?

-         Welke industriële ‘leading sectors’ horen daarbij?

-         Hoe is de sectorale samenstelling van de Nederlandse industrie in de loop van de tijd veranderd?

 

Van 1849 tot 1889 groeit de industriële beroepsbevolking vrij langzaam.

Van 1889 tot 1930 groeit de industrie flink.

Van 1930 tot 1960 is een roerige periode; crisis in de jaren ’30, WO2, wederopbouw, en in 1960 het toppunt van de industriële werkgelegenheid in Nederland.

 

Door de jaren heen verschuift het zwaartepunt van de werkgelegenheid van de sector landbouw naar de industrie en uiteindelijk naar de dienstensector.

De afname van de werkgelegenheid in de industrie vanaf 1963, is vooral gevolg van de sterk toegenomen arbeidsproductiviteit oa. door automatisering, robotisering en computerisering.

De productieomvang en de toegevoegde waarde namen nog steeds toe, terwijl het arbeidsvolume daalde.

De registratieproblematiek van de statistieken:

Vooral na 1985 zien we dat veel grote industriële bedrijven hun niet-kernactiviteiten afstoten. Ondersteunende activiteiten die vroeger onder eigen beheer van het industrieel bedrijf vielen, vallen nu onder de noemer van ‘diensten’. Bv. transport, catering, zakelijke diensten.

Dus hoewel er in de werkzaamheden van de betrokken mensen nauwelijks iets verandert, registreert de statistiek een afname van het aantal banen in de industrie en een toename in de dienstensector.

 

3.3 Opkomst en neergang van industriële bedrijfsklassen.

Rond 1850 werd de industrie gedomineerd door de bedrijfsklassen: textiel, kleding en schoenen. Samen met de metaal-elektro en de voedingsindustrie worden zij als onze eerste ‘leading sectoren’ beschouwd.

In de 40 jaar hierna groeit langzamerhand de metaalindustrie. De voedingsindustrie handhaaft zich, maar de andere drie arbeidsintensieve sectoren beginnen langzaam af te nemen. .

Na 1890 laat de industrie een sterke groei van de werkgelegenheid zien. Tot 1930 is er sprake van een verdubbelde groei tov. voorgaande jaren. Men zou nu kunnen spreken van de ‘take-off fase’. Na 1890 komt de grafische en de chemische industrie langzaam op, en bovendien begint men langzaam te moderniseren.

Na WO1 krijgen nieuwe energiebronnen als elektriciteit en benzine de industrie in hun greep. Men begint met de productie van auto’s, vliegtuigen, kunstzijde en andere synthetische producten. ‘Leading sectors’ zijn de metaalelektro industrie en de voedingsindustrie.

In de periode tot 1960 leidt de metaal-elektro nog steeds, de chemische industrie neemt sterk toe, en de voedingsindustrie neemt voor het eerst af. In 1963 bereikt de Nederlandse industrie haar naoorlogse top.

Tussen 1960 en 1990 neemt de totale werkgelegenheid in de industrie af. Echter de werkgelegenheid in de metaal-elektro, chemie en grafische industrie blijft groeien. Textiel- en kleding industrie neemt zoals gewoonlijk weer enorm af.

 

De product levenscyclus kan ook ruimtelijk worden benaderd. Een nieuw product wordt bij voorkeur geïntroduceerd in grote koopkrachtige. Vervolgens is er in de expansiefase een uitbreiding van de afzetmarkten. In de rijpheidsfase gaat de producent (vanwege de moordende concurrentie) op zoek naar gebieden met lagere productiekosten. Deze trend versterkt zich in de teruggangfase. Veel arbeidsintensieve bedrijfsklassen hebben deze ontwikkeling doorgemaakt (bv Textielindustrie).

NB: figuur 3.10

 

3.4 De huidige industrie.

Het aandeel van de industrie in de totale Nederlandse werkgelegenheid ligt aanmerkelijk lager dan het aandeel van de industrie in het BBP. In vergelijking met andere landen wordt Nederland niet getypeerd als industrienatie.

 

In de huidige opbouw van de Nederlandse industrie domineren:

-         Voedings- en genotmiddelenindustrie.

-         Olieraffinage en chemische industrie (vooral rubber en kunststoffen).

-         Metaalproducten en machine industrie.

-         Elektrotechnische industrie.

-         Uitgeverijen en drukkerijen.

NB: De soort activiteiten en de toekomstperspectieven van die activiteiten die met elkaar in een bedrijfsklasse zijn ingedeeld zijn heel verschillend.

De elektronica biedt de meeste industriële werkgelegenheid en de basischemicaliën de meeste toegevoegde waarde.

 

Volgens Minne kennen we drie karakteristieke clusters:

-         Agro-industriële cluster.

-         Diepzeehaven cluster.

-         Schiphol cluster.

 

Hinloopen&Marrewijk komen tot de conclusie, dat bij de export van alle lidstaten van de EU voor de periode 1992 t/m 1997 er zich een beeld opdringt van traditie en clustervorming.

 

 

 

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1