Hoofdstuk 2:

De opkomst van de Nederlandse industrie.

 

2.1 Inleiding.

Ons land is traditioneel sterk gericht op landbouw en internationale handel. Door deze sterke oriëntatie op internationale handel/handelskapitalisme, was men veel minder geinterreseerd om te investeren in productieactiviteiten (“alleen als dit noodzakelijk was of vanwege hoge winstverwachtingen wenselijk werd geacht”).

 

2.2 Onze geleidelijke industrialisatie.

Industrialisatie staat voor de overgang van ambachtelijke nijverheid naar massaproductie in fabrieken, die gepaard gaat met een grotere inzet van de productiefactor arbeid en vooral kapitaal. De industrie blijkt in Nederland, gemeten op basis van de werkgelegenheid, een zeer geleidelijk proces te zijn geweest (in tegenstelling tot Engeland, België en Duitsland die wel een echte revolutie hebben gekend).

 

Waarom zo geleidelijk:

1.      Er onstond niet plotseling naast landbouw en handel, industrie.

1.      Er is geen sprake van een plotselinge sterke groei van de industriële beroepsbevolking.

1.      Het aandeel van de industrie in de totale werkgelegenheid neemt bijna niet toe, en schommelt.

 

2.3 De aanzetten tot de Nederlandse industrialisatie.

Er worden in de wetenschap heel veel factoren genoemd die de opkomst van industrialisatie kunnen veroorzaken.

Enkele zijn:

-         Uitvindingen zoals stoommachines en spin- en weefselmachines die fabrieksmatige productie mogelijk maken.

-         Scholingsniveau van de beroepsbevolking.

-         Uitbreiding van de fysieke infrastructuur.

-         Evt. stimulerende overheidsmaatregelen.

 

Waarom kwam in Nederland, ondanks de traditionele oriëntatie op landbouw en internationale handel, in de 19de eeuw toch geleidelijk een proces van industrialisatie op gang?

Er wordt op 4 factoren nader ingegaan:

1.      In de 19de eeuw werd de toen zeer sterke Nederlandse landbouwsector zich geleidelijk bewust van de extra winstmogelijkheden, die een verdere verwerking van agrarische producten zou kunnen opleveren. Productie van suikerbieten, aardappelen, tarwe en rogge en melk vormde de basis voor de landbouwindustrie: suikerfabrieken, aardappelmeelfabrieken, strokartonfabrieken en zuivelfabrieken.

1.      Door de verdere uitbreiding van onze handelsfunctie ontstond een toenemende behoefte aan vervoermiddelen bij de grote internationaal werkende stoomvaartlijnen. Deze handelsondernemingen en rederijen legden na 1890 de basis voor de ontwikkeling van de moderne scheepsbouw en de productie van de daarbij behorende (stoom)machines.

1.      Het koloniale bezit van Nederlands-Indië. Zoals de opkomst van de Twentse katoennijverheid, de eerste echte grootschalige industrie in Nederland, had alles te maken met de vraag van katoenen stoffen op Java. De intensieve exploitatie van vooral Java na 1830 gaf een sterke impuls aan de industriële activiteiten in Nederland; scheepsbouw, textielindustrie, tabaksnijverheid en olie-industrie.

1.      De ligging van Nederland binnen West-Europa. Toen in de 19de eeuw de industrie in Engeland, Duitsland en België zijn opmars begon, zagen veel Nederlandse handelsondernemingen kansen om een rol te spelen bij het in omvang sterk toenemende goederenverkeer. Aanleg van de ‘Nieuwe Waterweg’(1870), de ontwikkeling van de Rotterdamse haven tot de transitohaven voor het Duitse Achterland, en uiteindelijk tot de ‘Gateway to Europe’. Een logisch gevolg van deze ontwikkeling dat zich in Rotterdam ter ondersteuning van deze transito- of handelsfunctie, scheepsbouw en reparatie ontwikkelde.

 

2.4 Nederland: een industriële laatbloeier.

Waarom industrialiseerde Nederland zo laat vergeleken met buurlanden als Engeland, Duitsland en België?

De trage ontwikkeling kan geïllustreerd worden aan de hand van de gemechaniseerde textielnijverheid in Twente, die als basis van de Industriële revolutie rond 1780 word gezien. Deze Twentse textielnijverheid ontstond pas na de onafhankelijkheid van België in 1830. De bedrijven in Twente grepen hun kans om de levering van katoenen stoffen voor Nederlands-Indië op zich te nemen. Voor de onafhankelijkheid werd dit gedaan in Vlaanderen, maar nu dankzij overheidsbemoeienis van oa. Willem 1 en zijn Nederlandse Handel Maatschappij, die geen zaken meer wenste te doen met Vlaanderen. Men koos Twente wegens de al aanwezige huisnijverheid, relatief lage loonkosten, en men wilde de ook werk verschaffen voor de iets verpauperde Twentenaren.

De ijzer- en staalindustrie, en de aanleg van spoorwegen vond ook weinig aanknopingspunten in Nederland. In tegenstelling tot het huidige België waar ttv. Napoleon mede door Willem 1 en de Société Générale, en de daar aanwezige steenkool de zware staalindustrie werd gestart.

Pas in 1924 kreeg Nederland een hoogoven in IJmuiden.

In het opzicht van de spoorwegen liep Nederland niet echt achter. Tot 1860 waren de spoorwegen in handen van particuliere maatschappijen, hierna ging de overheid zich ermee bemoeien, en geleidelijk vond integratie en verdere uitbouw van de lijnen plaats. Helaas was de economische uitstraling van de spoorwegen beperkt, aangezien geen enkel Nederlands bedrijf zich bezig hield met de productie van treinstellen en treinrails.

 

De relatief late opkomst van de Nederlandse industrie wordt wel in verband gebracht met de ongunstige uitgangssituatie tov de buurlanden. Verder zijn er twee andere populaire verklaringen:

·        De institutioneel-psychologische: (‘negotiated environment, lock-in effecten, institutionele verstarring’) deze verklaring redeneert vanuit de traditionele oriëntatie op handel en transport. Toen in 1900 de industrie haar intrede deed was Nederland hier mentaal niet aan toe, men was nog veel te sterk bezig met de verzorgende landbouw en internationale handel. De Nederlandse kapitaalverschaffers investeerde bij voorkeur in activiteiten die weinig risico opleverden, zoals handelsactiviteiten.

·        De ruimtelijk-economische: De verschillen in aanwezige grondstoffen en verschillen in factorkosten tussen Nederland en aangrenzende landen. In Nederland was het door de handeloriëntatie moeilijk om kapitaal te mobiliseren voor grootschalige industriële activiteiten. In die tijd waren de loonkosten in Nederland relatief hoger dan bv. in België. Er bestond een gebrek aan vaklieden in de industrie, men haalde deze uit België en Duitsland. Ook het ontbreken van steenkool, waar de industrie in het begin van afhankelijk was, woog zwaar. De aanvoer van steenkool uit het buitenland betekende hogere kosten, en een minder gunstige concurrentiepositie.


2.5 Onze industriële pioniers.

Ondanks de trage ontwikkeling van industrie in Nederland moeten we daardoor niet de afzonderlijke ondernemers over het hoofd zien. Zoals Koning Willem 1 die het voorbeeld is van voor 1850. De basis voor meerdere van onze grote internationale concerns is terug te voeren tot de initiatieven die na 1850 door dergelijke entrepreneurs werden genomen. Bv:

·        Jurgens en van den Bergh, die via boter, margarine en zeep, en vele fusies later de grondleggers waren voor het welbekende Unilever-concern.

·        Gerard Philips begon in 1891 met een gloeilampenfabriek in Eindhoven. Vele kartels, joint ventures, en uitbreidingen later, was er multinational Philips.

·        Henri Detering had een grote invloed op de verkooporganisatie van de Koninklijke Olie; in alle grote bevolkingscentra werden opslagtanks aangelegd en het transport van olievaten, olieboring en raffinage werd sterk gemoderniseerd. Na de fusie was hier de welbekende Koninklijke Shell. En in 1920 was Shell verantwoordelijk voor de eerste Nederlandse raffinaderij in Pernis.

·        AKZO-Nobel ontstond in 1969 uit een fusie van de AKU met de ‘Koninklijke Zout&Oregon’. Deze drie basisbedrijven zijn sterk verbonden met de opkomst van de chemische industrie in de eerste helft van de 20ste eeuw. En omdat het in de chemische industrie om relatief ingewikkelde productieprocessen gaat, bestaat hier een sterke relatie met de wetenschap.

In 1918 kreeg de NV Nederlandse Zoutindustrie de concessie om in Twente zoutlagen te ontginnen, later volgde voor betere transport het Twentekanaal. En in 1936 bouwde Koninklijke Zout een fabriek aan het Twentekanaal, waar zout wordt verwerkt tot chemische producten. Oregon, opgezet door Zwaneburg uit Oss, was een vleesverwerkend bedrijf, die inspeelde op oa. de uitvinding van een Engelsman die bewees dat men insuline kan extraheren uit een varkensalvleesklier.

Hosted by www.Geocities.ws

1