De Nederlandse Industrie: Vernieuwing, Verwevenheid en Spreiding.

Hoofdstuk 1:

Industrie en Samenleving.

 

1.1  De industrie: steunpilaar in de naoorlogse wederopbouw.

Voor de wederopbouw waren nieuwe machines, schepen en andere (kapitaal)goederen nodig. Bekostiging van deze invoer leverde grote problemen op, door een tekort aan dollars.

In de politiek van de wederopbouw waren de zorg om werkgelegenheid en een evenwichtige betalingsbalans het belangrijkst geacht. Voor de oorlog kende men al een behoorlijke werkloosheid, en bovendien kreeg men van af 1946 te maken met een naoorlogse geboorte-explosie. Er heerste grote onrust, immers deze groei zou kunnen leiden tot nog meer werkloosheid, hogere bevolkingsdichtheden, een mogelijk tekort aan voedsel, en een toenemende woningnood.

De financiële hulp van het Marshallplan kwam goed van pas bij het creëren van banen voor de sterk groeiende beroepsbevolking tijdens de wederopbouwperiode. Het ‘Marshall-geld’ werd oa. gebruikt voor de aankoop van (Amerikaans) broodgraan, vele transportmiddelen (oa. landbouw) en machines (oa. textielindustrie), maar ook een deel van de hoogovens in Ijmuiden werd door Marshall gefinancierd. De Nederlandse regering mikte heel bewust op een snelle wederopbouw, omdat die en arbeidsplaatsen zou kunnen leveren en via export ook buitenlandse valuta.

Men voorzag dat de landbouw door mechanisatie arbeidskrachten zou gaan afstoten, in deze sector werd dus veel minder geïnvesteerd.

Emigratie werd sterk gestimuleerd ivb. de zorg om de werkgelegenheid.

Na 1945 kende Nederland een extreem negatieve handelsbalans (invoer overtrof uitvoer), omdat veel goederen voor de wederopbouw moesten worden aangekocht in het buitenland. Nederland was gedwongen snel nieuwe deviezenbronnen aan te boren, hetgeen men via de industrie voor elkaar hoopte te krijgen. Door grootscheepse industrialisatie hoopte men een ‘extern evenwicht’ te bereiken, en het tekort aan arbeidsplaatsen voor de snel groeiende bevolking weg te werken. Maar hoe?

Het was de tijd van rooms-rode coalities: in 1948 besloot men dat er een vorm van overheidssturing zou komen, echter dat de centrale rol was weggelegd voor werkgevers en werknemers. De rol van de overheid zou nadien geleidelijk sterker worden. Ter versterking van de concurrentiepositie van de Nederlandse economie en industrie, kwam er een consensus over een strikt centraal geleide loon- en prijspolitiek. Hetgeen een lange tijd een belangrijke rol vervulde in het nationaal beleid ivm. bestrijden van inflatie, verbeteren van de concurrentiepositie tov. het buitenland, en een zo goed mogelijke verdeling van het maatschappelijke inkomen.

1949: de eerste Nota inzake de industrialisatie van Nederland.

De eerste industrialisatiefase (1949-1952) was succesvol; kwantitatief van aard (méér banen/productie/export) werd de jaren daarna doorgezet.

Na 1952 werd de emigratie een stuk minder, de werkgeversorganisaties waren bang dat door de gunstige economische ontwikkeling er zo wel eens spanning op de arbeidsmarkt zou kunnen ontstaan.

In 1960 was de economie zo gunstig ontwikkeld dat de angst voor werkloosheid was verdwenen, er ontstonden zelfs spanningen op de arbeidsmarkt, die in eerste instantie nog opgevuld werden door de leegloop (dmv. mechanisatie) uit de landbouw. De naoorlogse gevoerde strikte loonpolitiek werd steeds minder populair; men wilde luxe consumptiegoederen aanschaffen. De loonpolitiek verdween uiteindelijk, stakingen deden hun intrede, en binnen West-Europa werd Nederland meer en meer een ‘gewone’ industrienatie.


1.2 Selectieve groei in de jaren zestig en zeventig: de industrie in het defensief.

De periode na 1960 werd aanvankelijk gekenmerkt door voortgaande economische groei. De werkgelegenheid ontwikkelde zich, ook tov. de sterk stijgende beroepsbevolking nog steeds stormachtig. Er werden gastarbeiders (voorn. uit het Middellandse Zeegebied) aangetrokken, 85% van hen vond een baan in de industrie. Dit hield waarschijnlijk verband met de snelle afname van het aanbod van ongeschoolde arbeid, en de relatieve voorkeur voor ongeschoolde arbeid in de dienstensector.

In de politiek begon men door de sterk gewijzigde situatie anders aan te kijken tegen de versterking van de structurele positie van de Nederlandse economie. Er kwam een veel selectiever beleid. Activiteiten moesten passen “binnen de grenzen die gesteld worden door andere maatschappelijke doelstellingen”:

-         Activiteiten die het milieu aantasten; energie-intensieve en vervuilende activiteiten.

-         Activiteiten die strijdig zouden zijn met met de doelstellingen van de RO.

-         Activiteiten die een te groot beroep zouden doen op grondstoffen, energie, en activiteiten die bij uitstek geschikt zouden zijn voor ontwikkelingslanden. De arbeidsintensieve industriële activiteiten vond men bij uitstek meer geschikt voor de minder bedeelde ontwikkelingslanden.

Er ontstond geleidelijk een anti-industrie stemming, soms zelfs een anti-bedrijf stemming.

De sterk afnemende maatschappelijke belangstelling had waarschijnlijk ook te maken met de afname van de industriële (nieuwe) werkgelegenheid, die grotendeels opgevuld werd door de werkgelegenheid in de dienstensector. Voor de nog voortdurende toenemende productieomvang waren echter relatief steeds minder arbeidskrachten nodig, door mechanisering en automatisering.

Omdat de populariteit van industrie zo zwaar afnam, nadat ze haar taak had volbracht, rijst ons de vraag of Nederland wel een echte industrienatie is. Tijdens de wederopbouw redden we het immers niet met de traditioneel sterke sectoren handel en landbouw, moest de industrie ons redden.

Het lijkt of het ontbreken van een industriele traditie in ons land ook tot gevolg heeft dat de industrie alleen in de belangstelling staat als het economisch slechter gaat.

Bijv: 1980.

De WRR publiceerde een rapport dat we in ons beleid andere prioriteiten moeten stellen:

Factoren die volgens de WRR bijdragen aan de snel verslechterde concurrentiepositie van de Nederlandse positie:

·        De loonkostenstijging in de periode 1960-1980.

·        De eenzijdige samenstelling van de Nederlandse export: vooral landbouw- en energieproducten (aardgas).

·        Een eenzijdige orientatie voor export op de EG-landen.

·        De effectieve waardevermeerdering van de Ned. gulden sinds 1971, waardoor inrelatieve zin de prijs van de Ned. producten steeg, hetgeen export vermoeilijkt en import vergemakkelijkt.

·        De institutionele verstarring van de Nederlandse economie: inflexibele arbeidsmarkt, steun aan individuele bedrijven, een veelheid aan regels en procedures.

Volgens de WRR moesten we streven naar een hoogwaardige industrie, die sterk de nadruk legt op vernieuwing via onderzoek en scholing van de werknemers. Dit advies van de WRR heeft alles te maken met gewijzigde internationale concurrentieverhoudingen: door de opkomst van nieuwe industrielanden heeft Nederland weinig andere keus dan zich te richten op steeds hoogwaardiger kennisintensieve producten.


1.3 Zwaar weer in de jaren tachtig en negentig: internationale concurrentie.

De maatschappelijke/politieke discussie van de jaren ’90: De mogelijke gevolgen van het globaliseringsproces voor de Nederlandse economie. Ofwel het verschijnsel dat de onderlinge verwevenheid van de nationale economieën sterk toeneemt, maar ook door de internationale concurrentie.

Grote Nederlandse bedrijven gingen zich beperken tot de kernactiviteiten, er moest zo kostenefficient mogelijk gewerkt worden. Het productieproces raakt gesegmenteerd. Bedrijven zijn niet meer locatiegebonden qua vestiging. Andere grote bedrijven konden simpelweg de internationale concurrentie niet aan. Dergelijke berichten bracht de discussie over de positie en het belang van de industrie voor de Nederlandse economie weer op gang.

De Nederlandse lonen liggen hoog, dus om internationaal te concurreren, ging men automatiseren, of de arbeidsintensieve productie naar lage lonen-landen.

Nederland wist zich in deze hele ontwikkeling relatief goed te ontwikkelen. Mede dankzij deeltijdbanen steeg onze werkgelegenheid.

De uitgangssituatie van de Nederlandse economie is op het moment niet slecht, echter door verdergaande globalisering en technologische ontwikkeling zal de industrie in de toekomst wel nog van gedaante veranderen.

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1