Ontwikkelingen in de structuur van de werkgelegenheid

 

Inleiding

In de jaren tachtig hebben zich belangrijke verschuivingen voorgedaan in de structuur van de werkgelegenheid in Nederland. De absolute werkgelegenheid in de industrie is dat decennium afgenomen, terwijl deze in de dienstensector gestegen is. In dit hoofdstuk staan de sectorale ontwikkelingen van de werkgelegenheid centraal en zal de structuur van de werkgelegenheid aangegeven worden en zal er een vergelijk met het buitenland worden gemaakt. Voor het schetsen van structurele ontwikkelingen wordt er een langere periode bestudeerd dan alleen de jaren tachtig. Het is belangrijk om ook de conjuncturele situatie in deze lange termijn vergelijking in het oog te houden. De dienstensector is veel minder gevoelig dan de industrie voor lage conjunctuur.

 

Patronen van de sectorale ontwikkeling van de werkgelegenheid

De belangrijkste sectoren zijn: landbouw (4,6%), nijverheid (25,4 %), diensten (67,9%).(tabel 3.1) De structuur in de afgelopen jaren is te zien in tabel 3.2. Hier wordt ook een vergelijk gegeven met andere OECD-landen. In alle landen is te zien dat het aandeel van de diensten in de werkgelegenheid toeneemt. Dit gaat ten koste van de landbouw en  van de nijverheid en dan met name van de industrie. Japan loopt hierin achter. Daar heeft in de jaren zeventig de industrie zijn piek bereikt. De verklaring hiervoor moet gezocht worden achter het feit dat Japan lange tijd heeft achtergelopen in het inkomen per hoofd van de bevolking. Door de relatief hoge groeivoet van de welvaart in Japan is dit verschil in inkomen per hoofd de laatste decennia steeds kleiner geworden.

In Japan is de toename in de dienstensector geen kwestie van de-industrialisatie, maar veel meer van een verschuiving van werk in de landbouw naar werk in de industrie. In Nederland en de VS de toename in de dienstensector meer een vorm van de-industrialisatie. In de EU is het aandeel in de landbouw ook meer afgenomen dan het aandeel in de industrie. Er zijn dus meerdere trajecten die naar een postindustriële (diensten-economie) leiden zijn. Zoals in Japan, zoals in Nederland en de rest van Europa (van landbouw, naar industrie, naar diensten) of zoals in de VS waar al sinds de jaren vijftig het aandeel van de dienstensector boven de 50 % ligt.

Toch is er zeker een relatie tussen sectorale werkgelegenheidsaandelen en het inkomen per hoofd van de bevolking (figuur 3.2!!!)

 

De trajecten waarlangs postindustriële economie verschillen van elkaar hangen voor een groot gedeelte af van de omgevingsfactoren ( internationaal economische situatie, technische mogelijkheden en de politieke beoordeling van wet- en regelgeving)

 

Waarom neemt het aandeel van de dienstensector in de werkgelegenheid toe?

Veranderingen in de sectorale structuur zijn de gevolgen van een complex proces. Factoren aan de aanbod- en vraagzijde spelen hierbij een rol.

Aan de aanbodzijde is de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit (apt) van het grootste belang. Sectoren met een relatief hoge groei van de apt, kunnen bij een evenredig verdeelde groei van de vraag hun aandeel in de werkgelegenheid zien afnemen. De groei van de apt wordt beïnvloed door factoren als de technologische ontwikkeling, de hoogte van de arbeidskosten en de organisatiestructuur.

Veranderingen in de vraag naar de diverse goederen en dienstencategorieën zijn afhankelijk van de inkomens- en prijselasticiteiten: Een branche die goederen of diensten produceert met een relatief hoge inkomenselasticiteit, zal meer dan andere branches profiteren van een stijging van het inkomen per hoofd van de bevolking. Ook de vraag naar goederen en diensten door bedrijven en overheid is daarop van invloed. Bedrijfsleven en overheid hebben steeds meer behoeft aan organisatie-advies (intermediaire afzetcategorie). In deze branche groeit de werkgelegenheid dus sterk.

 

Wat zijn de oorzaken van dat groeiende werkgelegenheidsaandeel van de dienstensector?:

1.    een achterblijvende groei van de apt (productiviteitsargument)

2.    een toenemende consumptieve vraag naar diensten

3.    een groeiende intermediaire vraag.

 

1.    In jaren zestig en zeventig bleef de groei van de apt in de dienstensector achter bij die van de landbouw en de industrie: Men had een vergelijkbare groei van toegevoegde waarde, maar in de dienstensector moet men relatief meer arbeid inzetten om eenzelfde groei te bereiken. Daarnaast sprak het ook op basis van ‘common sense’ aan, dat de voortbrenging van diensten in veel gevallen moeilijker is te automatiseren dan de productie van goederen. Het argument kwam er op neer dat diensten veelal arbeidsintensief zijn. Een eerste indruk over het productiviteitsargument kan verkregen worden door te kijken naar de ontwikkeling van de sectorale aandelen in de toegevoegde waarde en deze te vergelijken met de aandelen in werkgelegenheid. (zie tabel 3.3)

Het blijkt dat tabel 3.3, met sectorale aandelen van toegevoegde waarde, veel overeenkomsten vertoont met de veranderingen in de werkgelegenheidsaandelen uit tabel 3.2. Toch zijn er wel enkele verschillen op te merken. Deze verschillen kunnen toegeschreven worden aan een boven- of benedengemiddelde productiviteit in die sector. Toch op basis van deze grove vergelijking kan geconstateerd worden dat de achterblijvende groei van de apt in de dienstensector moeilijk als centrale verklaring gezien kan worden voor het groeiend werkgelegenheidsaandeel van de dienstensector.

·       Een andere verklaring voor de relatief sterke groei van de dienstensector komt voort uit het idee dat consumenten bij een toename van het inkomen een steeds groter deel aan diensten zullen besteden. De inkomenselasticiteit is groter dan 1. De vraag naar diensten begint zich pas te ontwikkelen als men in primaire levensbehoeften wordt voorzien. Er is een samenhang tussen inkomen per hoofd en het werkgelegenheidsaandeel van de diensten. Toch bleek de feitelijke groei in de dienstensector kleiner dan verwacht: Veel bedrijven werden aan het einde van de jaren zeventig geconfronteerd met Baumols ‘cost disease’( er waren loonstijgingen die de toename van de productiviteit te boven gingen). Door de loonstijgingen ging de prijs van de diensten omhoog en dit had een negatief effect op de vraag naar diensten. De positieve gevolgen van de relatief hoge inkomenselasticiteit van de vraag naar diensten voor de werkgelegenheidsgroei in de diensten werd teniet gedaan door het negatieve effect van relatief sterke prijsstijgingen.

     De werkgelegenheid in een aantal van de persoonlijke diensten is mede door de opkomst van self-service-economie (met Gershuny als grondvader)  teruggelopen. In de jaren tachtig vond het tegenovergesteld plaats. Diensten werden steeds meer uitbesteed. Het uitbesteden van diensten door huishoudens had twee redenen:

·       Door de gestegen werkeloosheid kwam de loonpariteit tussen de sectoren onder druk te staan. Loonstijgingen in de dienstensector bleven achter bij die van de industrie. Hierdoor werd de cost disease minder knellend en kwam het negatieve effect op de vraag naar diensten door relatief sterke prijsstijgingen te vervallen.

·       Meer vrouwen gingen deelnemen aan het arbeidsproces. Vrouwen die buitenhuis werkten hadden minder tijd voor hun (traditionele) taak als huisvrouw. En er kwam een hoger besteedbaar inkomen voor gezinnen tegenover te staan. Dit had een positief effect op de vraag naar (persoonlijke) dienstverlening

3.    Door de toegenomen complexiteit van het productieproces en van de samenleving is de vraag naar intermediaire, kennisintensieve diensten gestegen. De uitbesteding van deze diensten kan zich in verschillende vormen ontwikkelen:

·       Een dienst die eerst geheel intern werd verzorgd, kan na uitbesteding geheel of gedeeltelijk door een externe dienstverlener geproduceerd worden.

·       Een bepaalde afdeling kan verzelfstandigen en vervolgen haar diensten aanbieden aan het oorspronkelijke moederbedrijf.

·       Er kan ook een geheel nieuwe vraag ontstaan naar betrekkelijk nieuwe vormen van dienstverlening. Veranderingen in de omgeving(sfactoren) kunnen daaraan een bijdrage leveren.

De drie algemene verklaringen hebben allemaal een kwantitatief belang in de toename van het werkgelegenheidsaandeel van de diensten. Uit berekeningen voor de periode 1973-1984 kwam naar voren dat:

·       ±45% kan worden toegeschreven aan de relatief geringe stijging van de productiviteit in de dienstensector

·       ±28% kan worden toegeschreven aan de bovengemiddelde groei van de vraag naar consumptieve diensten

·       ±25% kan worden toegeschreven aan de bovengemiddelde groei van de vraag naar intermediaire diensten.

De dienstensector lijkt een homogene groep, maar gezien de omvang is zo’n generalisatie niet langer houdbaar.

 

Ontwikkelingen binnen de dienstensector

In deze paragraaf wordt de ontwikkeling van vier subsectoren uit de dienstensector behandeld: producentendiensten, distributieve diensten, persoonlijke diensten, kwartaire diensten. Deze worden vergelijken in tabel 3.4 en 3.5.

De versnelling van de werkgelegenheidsgroei in de persoonlijke dienstverlening in de tweede helft van de jaren tachtig is illustratief voor de versterking van het postindustriële karakter van Nederland. In de periode 1987-1990 laat geen enkele branche een afname van de werkgelegenheid zien, zelf bij voorheen krimpende sectoren als de industrie en de bouw wordt een toename van het aantal arbeidsplaatsen gesignaleerd. Toch neemt het aandeel van de nijverheid in de totale werkgelegenheid blijft ook in deze periode afnemen. In alle branches tussen 1987-1990 zien we een versnelling van de groei t.o.v. het voorgaande tijdvlak, alleen de kwartaire sector vormt hierop een uitzondering. Deze ontwikkeling wijst op een soort van normalisering van de Nederlandse economie. Voor het eerst sinds lange tijd komt de groei van de werkgelegenheid niet grotendeels tot stand in de collectieve sector, maar in de marktsector.

Internationalisering van de dienstensector: H2, effect van diensten

 

Effect van diensten en de verklaring van die effecten moeten worden gezocht in de geografische patronen waarin dienstverlenende bedrijvigheid zich vestigt, in de bijdrage die zij leveren aan de regionale economie en in de structuurverandering die optreedt in de arbeidsmarkt.

 

Ruimtelijke aspecten

Ruimtelijke aspecten van productie kunnen op verschillende manieren worden benaderd, al naar gelang het schaalniveau, de lengte tijd en het aspect van de productie waaraan men het meeste waarde toekent.  De productiematrix heeft betrekking op de organisatie van de productie binnen een bedrijf. Deze is horizontaal (organisatie op basis van regio’s) of verticaal (op basis van productdivisies). Veranderingen in deze organisatie spelen zich vooralsnog alleen af bij multinationals.

De factoren die bij eerste vestiging van financiële en zakelijke diensten een rol spelen zijn in tabel 2.2 uitgezet, naar schaalniveau.

Voor de verklaring van het locatiepatroon van diensten is een aantal theorieën van belang. In deze theorieën spelen een aantal in tabel 2.2 genoemde locatiefactoren een rol, ze gaan meestal verder dan het beklemtonen van zo’n factor, door het leggen van structurele verbanden en door ook verklaring van de dynamiek in het locatiepatroon te betrachten. Van belang zijn:

·       de klassieke locatietheorie: De centrale plaatsen theorie van Christaller en de ‘bid-rent’ theorie van Alonso zijn voor verklaring van diensten het meest van belang (eerste voor regionale patronen, de tweede voor binnenstedelijke patronen). Beide theorieën zijn echter vooral gericht op het verklaren van de finale diensten (detailhandel), en dus niet op intermediaire diensten en de not-for-profit voorzieningen. De bekende onvolkomenheden en de rigoureuze vooronderstellingen in deze theorieën maken dat er gezocht moet worden naar alternatieve gezichtspunten ten aanzien van de locatie van intermediaire diensten. Er komen hierbij factoren aan de orde die te maken hebben met de organisatiestructuur en de mogelijke schaal- en agglomeratievoordelen.

·       de geografische marktbenaderingen: deze theorieën zijn pas van de laatste vijf tot tien jaar en zijn wel toepasbaar op de intermediaire diensten. De geografische marktbenaderingen richten zich op differentiële ontwikkelingsniveaus van economieën. Ze sturen de perceptie van de ondernemer en vormen de onderbouwing van de locatiebeslissingen van ondernemers.

·       Behalve deze marktbenaderingen zijn er de laatste jaren veel studies verricht die zich op de verklaring van het locatiepatroon op internationale schaal richten en zich vooral richten op de waargenomen concentratie intermediaire diensten. Voor de verklaring van het ontstaan van deze concentraties wordt aandacht gevestigd op de agglomeratievoordelen. Belangerijker dan het verklaren van het ontstaan van concentraties is de verklaring van de vrijwel onaantastbare positie van de wereldsteden wat betreft intermediaire diensten. De oude industieen trekken hier weg en de financiele en zakelijk dienstverlening lijkt zich steeds verder te concentreren. Verklaring voor deze concentraties wordt gezocht in de netwerktheorie. Deze theorie is in de traditie van de Ruimtelijke analyse. De nodale (?????) functie van de steden staat centraal. Juist voor het aanbieden van diensten is een centrale plaats in de markt van groot belang, De theorie kan een deel van de voortgezette concentratie van diensten verklaren. Er zijn een aantal voordelen aan het zich vestigen in een metropolitane regio:

·       Men beschikt over de beste infrastructuurà een grote geografisch bereik van de markt

·       Men kan profiteren van een zeer grote thuismarkt.

·       Men heeft toegang tot zakelijke belangrijke informatie

·       Een eenmaal aangetrokken bedrijvigheid brengt een cumulatief effect teweeg.

·       informatie-diffusie theorie: niet alleen informatie is een van de inputs, maar ook het informatiegezichtspunt wordt gehanteerd voor het vestigingsproces. “The availability of information is spatially biased.”. Uitgaande van de selectieve toegang tot informatiebronnen, verklaart Pred de aanwezigheid van dienstencentra op plaatsen die je volgens de stedelijke hiërarchie die specialisatie in de hand werkt, niet verwachten zou. Andere verklaringen voor dergeljke scheve of meerpolige hierarchieen kunne worden gevonden in het feit dat bepaalde (overheids)instellingen historische vestigingsplaatsen hebben.

De netwerk en de informatie-diffusie theorie gaan voorbij aan het feit dat behalve informatie en contact met de klant vooral arbeid een zeer belangrijke input voor financiële en zakelijke dienstverlening is.

·       de zogenaamde world city hypothesis is gebaseerd op de veronderstelling dat in metropolitane gebieden een nieuw soort economie ontstaat. Van belang is een grote, veelzijdige arbeidsmarkt. Hall gaat zelfs zover te zeggen dat er een tendens is waar te nemen, waarbij dienstverlenende bedrijvigheid de arbeid volgt naar de suburbs.

Bij planning van (non-profit) voorzieningen wordt gezocht naar een evenwicht tussen optimale omvang van de vraag in de omgeving en optimale omvang van de voorziening.

 

In de dienstensector spelen behalve concentraties van de vraag ook agglomeratievoordelen een grote rol. Zij zijn verantwoordelijk voor het ontstaan van dienstencentra. Drie soorten overwegingen kunnen worden onderscheiden:

·       afzetmarktvoordelen: bij elkaar gelegen dienstenbedrijven zijn aantrekkelijk voor de klant.

·       lokalisatievoordelen: er kan samenwerking plaatsvinden op basis van externe schaalvoordelen van gelijksoortige en verwante bedrijven.

·       urbanisatievoordelen: externe schaalvoordelen op basis van produktievoordelen. Men heeft het voordeel dat gelijksoortige, maar ook niet-gelijksoortige bedrijven gebruik kunnen maken van een omvangrijke en gediversificeerde arbeidsmarkt.

Behalve deze ruimtelijk-economische voordelen heeft ruimtelijke concentratie van diensten het voordeel dat indien er een centrum van enige omvang is ontstaan en indien men zich voldoende profileert, men een economische en politieke factor van betekenis wordt.

Overheidsbeleid kan een belangrijk element zijn in de selectie van een vestigingsplaats. D.m.v. bijv. vergunningen, in/uitvoerrechten, kan de OH een kostenbepalende factor worden. Maar niet alleen het economisch beleid van overeheden speelt een rol: ook doelstellingen op het gebied van ruimtelijke ordening, al dan niet geformuleerd na inspraak van de bevolking zijn determinanten in het vestigingsproces. Tenslotte spelen op alle niveaus van OH in steeds sterkere mate milieuoverwegingen een rol.

Vervolgens moeten we aandacht besteden aan de bedrijfsstrategie van dienstverleners, vnl. de verandering hierin. Bedrijven streven steeds minder vaak naar kostenminimalisatie en winstmaximalisatie en steeds vaker naar doelstellingen als satificing and sales maximization. Deze veranderingen hebben te maken met de verhoogde concurrente, de internationalisering van bedrijvingheid en de zeer hoge toegevoegde waarde van veel (gespecialiseerde) diensten.


Steden als kenniscentra

 

Economische groei is sterker dan ooit verbonden aan de ontwikkeling van kennis: er ontstaan K-regio’s (kenisregio’s) met een sterkere dynamiek dan de regio’s die vasthouden aan traditionele sectoren. Bovendien is een belangrijk deel van de sociale problematiek gekoppeld aan een tweedeling van toegang en gebruik van kennis: knowledge is money.

 

Kennis en ruimtelijke structuur

Het ruimtelijke aspect van de zich ontwikkelende kenniseconomie is nog niet duidelijk. De stelling is dat de vernieuwende economie meer kansen gaat bieden voor de grotere stedelijke gebieden dan in de voorbije periode het geval was, zonder dat dit overigens hoeft te leiden tot een groei van de compacte stad. Een andere stelling is dat de moderne stad niet wordt bepaald door de ruimtelijke vorm van een compacte stad, maar door de eigenschap dat er kan worden ingespeeld op de nieuwe kenniseconomie met een wervend en gedifferentieerd productiemilieu voor moderne bedrijven en kenniswerkers.

In dit artikel is de overkoepelende vraag hoe het ruimtelijk en stedelijk beleid dient in te spelen op de verschuiving naar een kenniseconomie.

 

Kennis en economische groei

Sinds het vernieuwende werk van Schumpeter (voor WOII) betreffende het verschijnsel innovatie is er in de economie geleidelijk veel meer aandacht gekomen voor de technologie. Met innovatie wordt niet alleen technologische vernieuwing bedoelt, maar ook vernieuwingen van organisatie en het ontwikkelen van nieuwe markten. Vroeger werd in de economische theorie (naast arbeid en kapitaal) wel aandacht besteed aan kennis in de vorm van technologie, maar daarin werd geen onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten van kennis. Naast de strikt op productie gerichte technieken gaat het om organisatorische kennis en communicatieve kennis.

 

Het begrip kennis

Er kan onderscheid gemaakt worden in drie niveau’s: data (ongestructureerde informatie), informatie (gestructureerde informatie) en kennis8 informatie wordt gebruik om te beoordelen en te interpreteren). Kennis maakt dus een zekere basis van opleiding en ervaring nodig voordat er doelmatig gebruik van kan worden gemaakt. Kennis is in principe gebonden aan personen (kenniswerkers), maar kennis kan ook worden geautomatiseerd. Kennis kan ook vermeerderd worden door diffusie (spreiding naar andere gedrijven en regio’s) en gebruik (learning-by-doing), waardoor er een verschil optreedt met de traditionele productiefactoren arbeid en kapitaal, die immer worden opgebruikt tijdens het productieproces. Kennis kan niet alleen bestaan door het systeem van kennisoverdracht op school of universiteit. Ook door ervaring wordt kennis opgedaan. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen expliciete en zwijgende kennis (tacit knowledge) Intuïtie en tacit knowledge zijn aan te duiden als kennis die wel gebruikt kan worden, maar waarvan men niet bewust de toegangsregels kan formuleren.

Volgens diverse auteurs heeft kennis een vrij sterke regionale dimensie, zodat er regionale clusters ontstaan die een stad of regio een speciale voorsprong kunne geven in de ontwikkeling van nieuwe producten en processen.

Stedelijke gebieden hebben alleen al door hun bevolkingsomvang een goede voedingsbodem gevormd voor de ontwikkeling van kennis. Dit geldt nog sterker voor grotere en economisch gedifferentieerde steden. Dat hangt samen met het beschikbaar zijn van veel informatie, de aanwezigheid van veel verschillende soorten ondernemers, een veelzijdige economische groei en differentiatie van productie, maar ook met een cultuur van openheid van gedachtenvorming. Hierdoor is ook ruimte voor toeval bij ontmoetingen en samenvloeiing van ontdekkingen, belangrijke factoren in de ontwikkeling.

 

Kennis en clusters

Tegenwoordig gebruikt men het begrip cluster om aan te geven dat er een samenhang bestaat tussen een groep bedrijven. Hun onderlinge verband berust niet alleen op fysieke levernaties en marktrelaties, maar ook op netwerken van sociale relaties en op kennisontwikkeling van kennisuitwisseling.

Porter definieert een cluster als volgt: Clusters are geographic concentrations of interconnected companies and institutions in a particular field. Verder benadrukt hij de voordelen van ruimtelijke nabijheid van kenniswerkersen de positieve invloed van netwerken en instituties. Een nadeel dat na verloop van tijd in clustervorming kan optreden (indien specialisatie ervan sterk wordt doorontwikkeld) is dat er een regionale verstarring ontstaat, vooral als ook instituties de eenzijdigheid versterken.

Vernieuwen kan makkelijker als er veel kleine bedrijven bij zijn betrokken en als de markt werkt. Verandering is noodzaak, daarbij is wel sprake van het pad onafhankelijkheid. Hiermee wordt bedoeld dat de oude structuren een blijvende invloed behouden en een deel van de nieuwe ontwikkelingen selecteren: history matters. Niet alleen bedrijven moeten veranderen, maar ook instituties en nieuwe kenniswerkers.

 

VERDER GOED DE CONCLUSIE DOORLEZEN

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1