Hoofdstuk 11.

The location of manufacturing industry.

 

Some basic concepts.

Factors of production.

q       Natuur.

Fabricage heeft niet veel land nodig, echter het zijn bepaalde fysische factoren die een positieve of een negatieve invloed op de fabricage hebben. Onder natuur valt ook de aanwezigheid van raw materials en energy inputs. In welke mate deze factoren de locatiekeuze beïnvloeden hangt af van de mate waarin zij voor het eindproduct nodig zijn.

q       Arbeid.

Arbeid varieert en clustert.

q       Kapitaal.

-         Physical capital (machines, en zo) is inmobiel;

Ø      Industrial inertia is de tendens voor een industrie om een locatie te blijven functioneren, terwijl de redenen die de industrie daar in eerste instantie brachten hun betekenis hebben verloren.

Ondanks een niet-winstgevende locatie, kan een verhuizing zo duur zijn dat men toch beslist niet weg te gaan.

-         Monetary capital is relatief meer mobiel, terwijl er best obstakels zijn, vooral op internationaal niveau. Meeste fondsen investeren in het steunen en uitbreiden van bestaande fabriek. Zo zit het meeste beschikbare kapitaal dus in grote financieel-industriele centra. Ten tweede willen investeerders liever investeren in bekende gebieden, en al belopen paden.

q       Management is van groot belang om de controle te houden over hoe alle productiefactoren in welke verhouding in het productieproces meedoen.

 

Substitution.

Een bedrijf moet zich blijven aanpassen aan veranderende omstandigheden, dit kan substitutie inhouden.

q       Substitution among inputs.

Welk startmateriaal? Welk productieproces? Kapitaal en arbeid kunnen door elkaar vervangen worden (modernisering/computerisering).

q       Substitutie van transport en andere uitgaven; over het algemeen zullen de transportkosten toenemen als er op andere punten bezuinigd wordt.

q       Substitutie tussen schaalvoordelen en transportuitgaven.

q       Substitutie among outputs.

Vooral belangrijk bij het aanpassen op de veranderende consumentenvraag.

Dit kan o.a. bereikt worden door flexible produktie systemen.

 

Ø      Als een bedrijf twee of meer verschillende gerelateerde producten/goederen/diensten kan produceren tezamen goedkoper dan in isolatie, de interne besparingen, die we noemen economies of scope.

 

Economies of scale.

Internal:

Door interne schaalvergroting nemen over het algemeen de gemiddelde productiekosten voor een goed af. Er worden in een keer grotere hoeveelheden geproduceerd, arbeid wordt efficiënter ingezet via specialization economies, die leidt tot een arbeidsverdeling in de organisatie van de productie. Indivisibilities (ondeelbaarheid) van de vaste kapitaalgoederen kan op grote schaal beter optimaal gebruikt worden. In dit hele proces heeft de E-commerce ook een grote rol gespeelt door producent en consument via www in contact te brengen via business to business exchanges. Ook de reserves voor alle machines worden op grote schaal bewaard; economies of massed reserves. Niet voor alle eenheden en op alle niveau’s werken de schaalvoordelen, er kunnen diseconomies ontstaan, of de optimale grootte wordt bereikt.

Er ontstaat een gevarieerd patroon van economische activiteit en hoge barriers to entry.

 

External:

Interbedrijfsrelaties kunnen een aantrekkings- of afstotingskracht hebben op ander bedrijven. Soms (bv. een bakker) is het juist beter om verder weg te zitten van de concurrenten, en zo een grotere markt tot beschikking te hebben. Echter veel andere typen fabricage halen voordelen uit locatie dichtbij gerelateerde bedrijven in de buurt; agglomeration economies, external economies of scale.

Ø      Localization economies zijn kostenbesparend voor bedrijven op een enkele locatie van een bepaalde industrie of een stel zeer gerelateerde industrieën, dankzij de interdependence van leveranciers en klanten.

Een bedrijf heeft tegenwoordig ook veel forward- en backward linkages, vooral de chemische industrie. Men clustert ook bij een zwembad van gespecialiseerde arbeid, of de goede reputatie van een bepaald product. Bezijden de materiele linkages, zijn er ook service- and information linkages.

Ø      Urbanization economies hebben invloed op alle bedrijven in alle industrieën op een enkele locatie en reflecteren de kostenbesparingen van de grootschalige operatie van de agglomeratie als geheel.

Veel mensen heeft veel voordelen, echter ook diseconomies zoals congestie. Vervuiling, etc.

 

 

A theory of industrial location: Weber and his critics.

Weber ging in zijn model uit van een situatie van perfecte concurrentie, waarin een groot aantal producenten bestaan, waarvan er geen één de marktprijs individueel kan beïnvloeden. Met de vrije toegang tot de markt en een ongelimiteerde vraag met de desbetreffende prijs, zullen de hoogste winsten behaald worden bij de fabriek op de locatie waar de laagste kosten optreden.

Weber treedt hiermee in de voetsporen van von Thünen’s redenatie, echter Weber bepaalde de locatie van de productiekosten van een gegeven goed, waar von Thünen het beste landbouwverbruik voor een gegeven locatie bepaalde.

 

Weber onderscheidde:

·        Regionale factoren:

-         Transportkosten; belangrijkste determinant, de factor de basis oriëntatie van de industrie geeft.

-         Arbeidskosten; ‘the first distortion’ van de onderliggende transportlocatie.

·        Lokale factoren:

-         Agglomeratie.

 

Weber’s vooronderstellingen:

1.      Één uniform land.

2.      Een product wordt op een tijdstip afgemaakt, en vervolgens naar een enkele markt vervoert.

3.      Grondstoffen liggen vast op een locatie.

4.      Arbeid is geografisch vast met verschillende lonen, echter ongelimiteerd beschikbaar op elke geselecteerde productieplaats.

5.      Transport kosten zijn een directe functie van het gewicht van het goed en de vervoerde afstand.

 

-         Ubiquities: materialen die overal aanwezig zijn in het uniforme gebied voor dezelfde kosten.

-         Localized materials zijn het tegenovergestelde van ubiquities, en zijn alleen op een specifieke locatie te vinden.

-         Pure materials zijn localized materials die na het hele productie- en vervoersproces nog steeds hun startgewicht hebben.

-         Weight-losing (gross) materials zijn localized commodities die maar een gedeelte van hun stargewicht in het eindproduct behouden.

 

The location factors in detail.

Total transport costs per unit of weight of the finished product.

1.      Als het materiaal ubiquitious is, zal het productieproces op de markt plaatsvinden.

2.      Als het localized material puur is, zal het productieproces plaatsvinden op de markt, de materiaalplaats of een andere plaats er tussenin.

3.      Als het localized material gewichtsverliezend is, zal het productieproces bij de materiaalbron plaatsvinden, om transport van afvalmateriaal te voorkomen.

4.      Bij verschil in de gewichtsverliesratio, kiezen we altijd voor de vestigingsplaats waarbij we zo weinig mogelijk afvalgewicht hoeven te vervoeren.

5.      Fabricage die pure materialen verbruikt zullen nooit de locatie van het productieproces vastleggen aan de materialenplaats, hier wordt de vestigingsplaatskeuze dan ook grotendeels besloten door andere factoren.

6.      Industrieën die high weight-losing materials gebruiken zullen richting materiaalbron getrokken worden.

7.      Veel industrieën zoeken een intermediate location binnen de driehoek tussen markt en materiaal.

 

Labor costs.

Een bedrijf zal zoeken naar de locatie waar de minste gecombineerde kosten van arbeid en transport plaatsvinden. Om deze locatie te bepalen introduceerde Weber twee concepten:

Ø      Een isotim is een lijn die alle punten van gelijke kosten van het verkrijgen van materiaal noodzakelijk voor een eenheid product of om een eenheid product te distribueren richting markt. Lines of equal transportcost.

Ø      Een isodapane is een lijn die de punten verbindt van gelijke totale transportkosten per eenheid product. Wordt gevonden door alle isotims op een locatie op te tellen.

Ø      De critical isodapane is de lijn waar later toegevoegde totale transportkosten per eenheid product –above those of the minimum transportation cost point- exact gelijk zijn aan de besparingen in arbeidskosten of in andere productiekosten op andere alternatieve locaties.

 

Agglomeration.

Weber zag dit als de dollar-besparingen door als fabriek bij een cluster te vestigen. Het agglomeratie-punt kan ook bij goedkope-arbeidlocatie zijn, de aantrekkelijkheid vergroten. This would reinforce the tendency to deviate from the minimum transport point.

 

Critique of Weber.

1.      Weinig zaken kunnen tegenwoordig als ubiquitious beschouwd worden.

2.      Tegenwoordig begint een meerderheid van de fabrieken met halffabrikaten, en worden dus niet zo zeer getrokken richting de materiaalbron.

3.      Het belang van transportkosten varieert per industrie en is bovendien enorm afgenomen; veel industrieën zijn inmiddels in redelijke mate footloose.

4.      Arbeid is niet zo inmobiel en altijd aanwezig.

5.      Via zijn isodapane-methode heeft hij de agglomeratievoordelen te laag ingeschat.

Ze ontstaan ook door de tijd heen rondom bestaande industrieën.

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1