Bundel B3Vak + aanvullingen uit HGH 2001

 

Fundamenten & Geografie tot 1880 (HGH 1,2,3)

Fundamenten

- Internalistisch: geografie los van maatschappelijk context

- externalistisch: geografie ondergaat invloeden van buitenaf

- geosofie: John Kirkland Wright: hoofd en hart, geografische beelden gewone mensen

- tot 19e eeuw geografische kennis uit twee bronnen: Bijbel & waarnemingen kooplieden etc.

Visies mens natuur relaties:

- Glacken: mens als huisbewaarder aarde

aarde beïnvloed mens

mens wijzigt aarde à cultuurlandschap

- actief, voluntaristisch mensbeeld: actief handelende wezens, derde visie

- passief, deterministisch mensbeeld: mens als marionet, tweede visie

- ME: eerste visie

- Zweers: mens als despoot

mens als verlicht heerser

mens als rentmeester

mens als partner natuur

mens als participant natuur

mens als één met natuur

Geografie tot 1880

Eerste bloeiperiode: oudheid

- Strabo: Geographika à idiografisch,historiografische/logografische traditie (chorografie)

- Ptolemaeus: geocentrisch wereldbeeld à nomothetisch, mathematisch cartografische
traditie

Tweede bloeiperiode: renaissance (15e tot 17e eeuw)

- secularisatieà minder invloed kerk op boeken

- mechanische visie (natuur samengesteld uit vele onderdelen)

- kwalitatief à kwantitatief (werkelijkheid in maat en getal vast te leggen)

- geloof à waarneming
- ontdekkingsreizen

- mathematisch cartografische traditie werd weer belangrijk

- logografische traditie: - Staatengeographie (Büsching), beschrijving staten
- Reine Geographen, regionalisering obv natuurlijke grenzen

Derde bloeiperiode: Alexander von Humboldt en Carl Ritter

- Humboldt: organistische visie (natuur als geheel) <> mechanische visie, comparatieve
methode (voorspellen)

- Ritter: omgeving en geschiedenis mens, religieuze en filosofische verklaringen

- Nieuw begin: eerste vertegenwoordigers wetenschappelijke (verklarende) geografie

- einde: eenlingen, geen onderdeel wetenschappelijke groep

geen vakspecialisten maar universele geleerden

nooit langdurig en diepgaand invloed uitgeoefend

Hun werk was snel gedateerd door werk Charles Darwin

De vierde bloeiperiode: 1870-1880

- ontdekkingsreizen

- opkomst universitaire geografie

- nationale scholen

- genootschappen en congressen

 

Zuiver toegepast en kritisch onderzoek

- zuiver toegepast onderzoek: kennisvermeerdering is doel op zich

- toegepast onderzoek: maatschappelijke behoeften te bevredigen of praktische problemen
oplossen
- kritische wetenschap: verbonden met opppositie à Reclus & Kropotkin (maatschappij
kritisch)

 

Duitse Geografie:

Ratzel (-1904):

- Antropogeographie: fysische determinisme à invloed van omgeving op menselijk
handelen.

- Sociaal Darwinisme: recht van de sterkste à lebensraum

- Thematisch en Nomothetisch

- Wereldsysteem à wereld één politiek en economisch geheel

Hettner (1859-1941):

- Länderkunde/Chorologie à Länderkundliche Schema

- Regionale/areale differentiatie: regio eigen karakter door verschijnselen

- Indeling wetenschap: Abstract & Concreet
Concreet: Ding (economie), Zeit (geschiedenis) & Raumwissenschaft (geografie)

- Commentaar: Spethmann (Dynamische Länderkunde)

Schlüter (1872-1952):

- Landschaftskundeà mens vormt (cultuurlandschap) à historische geografie

Haushofer:

- Geopolitik à Nazi-Geografie (1924-1944)
- Beïnvloed door Mackinder (kernlannd)

Na WO II:

- Chorologie en normal science Kuhn
- relaties sociale wetenschappen sterkerr (Frankfurt schule: Hartke, Ruppert & Geipel)

 

Franse Geografie:

Vidal (1845-1918):

- beïnvloed door Ratzel, maar:

- possibilisme à genre de vie: mens maakt gebruik van mogelijkheden natuur in regio
- geschiedenis speelt grote rol (ook in toekomst)


Na Vidal (1920-1970):

Eerste generatie: (o.a. Brunhes & Sorre) volgt Vidal

- Sorre: uitbreiding genre de vie à rural + urban + interactie tussen genres

Tweede generatie: o.a.(Cholley & Claval )

- Vidal + theoretisch onderzoek (grondslagen geografie, verspreiding mens over aarde)

Nu: (Brunet, Lacoste, Claval)
- Erg naar binnen gericht

-veelal Engelse en Amerikaanse boeken op universiteit

- RECLUS (Brunhes: aandacht voor RA)

- Marxisme (Lacoste)

 

Britse Geografie:

Geddes (1854-1932):
- grondlegger Brits geografisch denken - pionier van de sociale wetenschap (soccioloog)

- integrale visie mens-natuur relaties (observatie, beschrijving, analyse)

- natuurlijke regio (vorm, klimaat, vegetatie & bevolkingsdichtheid)

- stadsplanning

Mackinder (1861-1947):

- 1887 Cambridge begin Britse Geografie
- Kernland (hartland)
- veel onderzoeksreizen

Herbertson (1866-1915):

- 1905 opvolger Mackinder
- wereld opdelen in homogene natuurlijkee regio’s

Na WO I:

- blijvende belangstelling onderzoeksreizen
- regionale studies à aard van regio’s, nodale regio’s

- voorliefde veldwerk en kaartinterpretaties

- veel historische geografische studies

- nadruk op toegepaste geografie (Planning & Dudley Stamp: grondgebruikkaarten)

Vanaf jaren ‘50- Nu:
- vak krijgt steeds meer status (in tegeenstelling Fr en Dld)

- nadruk op "Spatial Analysis" (vanaf jaren ’50)

- Cambridge centrum van innovatie dankzij Peter Hagget & Richard Chorley
- David Harvey &##224; RA (jaren 60), later Marxisme
- jaren ’70 & ’80: postruimtelijke aanalytici (Johnston, Thrift, Taylor, Hudson, Smith, Gregory &

Massey), beschrijving en verklaring hand in hand

 

Nederlandse Geografie:

Tot 1908:

- Aardrijkskunde buiten de universiteit belangrijk vak

- historische geografie (Chris Lintum, privaat docent)
- economische geografie (Blink, 1913 haandelsschool R’dam)
- vaderlands geografie (Beekman)

- onderwijs geografie (Schuiling)
- Universiteit &##224; koloniale geografie (Kan, eerste hoogleraar geografie, A’dam en Veth,
voorzitter KNAG)


Vanaf 1908:

- 1908 eerste Hoogleraren geografie (Niermeijer & Oestreich UT, Steinmetz A’dam)
- volledige opleidingen vanaf 1921 (Nieuuw Academisch Statuut)

De Amsterdamse School:
- Steinmetz: Jurist, volkenkundige &;socioloog
- sociografie bestudeerd bevolkingsgroepen
- 1933 Ter Veen: opvolger Steinmetz à
meer toepassingsgericht
- jaren ’50 De Vries Reilingh: sociograffie door opkomst sociologie meer geografisch
- kritiek sociografie: te beschrijvend, sociaaldarwinistische invloed: waardering oorlog
De Utrechtse School:
- Niermeijer eerste Hoogleraar Sociale GGeografie
- 1927 Van Vuuren: à rector UU, pro-Duits
- 1948 De Vooys: veel interesse sociale wetenschappen, herwaardering A’dam
- Franse geografie is basis, regionaal een ecologisch (mens-natuur relaties)

- bestaanswijze i.p.v. genre de vie, meer economisch, minder historisch en literair,
toegepaste geografie belangrijk
- bestudeerd woongebied

Vanaf jaren ’60:
Minder verschillen A’dam, Utrecht:
- nieuwe opleidingen geografie in Groningen,Nijmegen en VU à nieuwe visies
- bestaande opleidingen groter
- internationale contacten nemen toe: VSS à Spatial Analysis
- meer contacten met andere disciplines<

De Amerikaanse Geografie:

Begin 20e eeuw:

Davis:
- Harvard, physical condition-human ressponse
- geografisch determinisme, de invloed vvan de mens op het landschap en andersom
Huntington:
- bevolkingsgeograaf, leerling van Daviss, klimaat beïnvloed migratie
- probeerde samenhang tussen klimaten maaatschappij statistisch te bewijzen
Ellen Churchill Semple:
- eerste vrouwelijke geograaf, leerling van Ratzel
- Ratzel: evolutionistisch & organisstisch. Semple: systematisch & analytisch
- mens-natuur deelgenootschap: hersens, arbeid <à grondstof
- geen feministe, wel geprobeerd invloedd te vergroten


Cultural Geography:

Sauer:
- beschrijven en verklaren ontstaan culttuurlandschap uit natuurlandschap (historisch)
- sequent occupance: opvolging bewoning in gebied
- elke groep in zelfde gebied ziet anderre mogelijkheden
- Berkley School: (Kniffen, Mikessell, Leighly)
- individuele mens weinig aandacht, niett uitdrukkelijk regionaal of thematisch,
ruimtelijke verscheidenheid culturen
New Cultural Geography: (Jackson, Cosgrove, Duncan)
- Zet zich af tegen Sauer
- sociale/territoriale groepen à conflicten, machtsverschillen, subcultuur
- Wie creëert welke landschappen enn waarom?


Toegepaste Geografie (Bowman):
- ontstaan tijdens WO I (gevechtsterreinen in kaart brengen)
- In WO II onderzoek voor geallieerden (( klimaat, natuurlijke havens)
- grondgebruik &##224; erosiegevoeligheid, planning van winkelcentra
Areal Differenatiation (Hartshorne):
- Mid-Western School: regionale geografiie gebaseerd op Hettner
- zoeken naar verband tussen ruimtelijk variabele verschijnselen
- Geografie is chorologie
- Hartshorne meer Sociaal Geograaf dan HHettner à geocentrisch<->antropocentrisch
- beide zien idiografische, regionale moonografie van ruraal gebied als handelsmerk geografie
- relaties tussen cultuur-natuur, binnenn regio, niet tussen regio: regio unieke eenheid

De Ruimtelijke Analyse:
- De beschrijving, verklaring en voorrspelling van ruimtelijke patronen en ruimtelijke
interacties, alsmede van de ruimte structureerde processen die deze patronen en
interacties genereren en wijzigen.
- Scheafer: Kritiek op Hartshorne à exceptionalisme (Ding, Zeit, Raum).
- logisch positivisme (Wiener Kreis) - werkterrein: ruimtelijke organisatie vvan de samenleving
- normaal onderzoek: Kuhn
Methodologie:
- systematisch en thematisch analyserendd i.p.v. regionaal synthetiserend
- verklaren met wetten en theorieënn i.p.v. beschrijven van causale relaties
- abstract, generaliserend en nomothetissch i.p.v. individualiserend en idiografisch
- prospectief en beheersend (verzorgingssstaat) i.p.v. retrospectief en historisch
- verklaring met behulp van (causale) moodellen (Hempel, Christaller, Weber & Von Thünen)

Hempel:
-
wetenschappelijke verklaring (funcctioneel):

Explanans: Begin/condities C1, C2, C3, …Cn

Wetten L1, L2, L3, ...Ln

------------------------

Explanandum: te verklaren verschijnsel/Event E


- deductief-nomologisch model (D-N Modell ), covering-law model
- tegenwoordig symmetrie van verklaren/vvoorspellen niet meer geaccepteerd à realisme:

oorzaken worden als reëel bestaande dingen beschouwd.
- D-N model ook wel I-S model (Inductieff-Statistisch)
- deductie: logisch afleiden van uitspraken die in meer algemene uitspraken besloten liggen
- inductie: op grond van empiriscche waarnemingen tot algemene conclusie komen, Popperà

nadeel conclusie kan fout zijn

 

 

Wetenschapsfilosofie en Wetenschapssociologie

Wetenschapssociologie:
- Grondlegger: Karl Mannheim (socioloog))
- bestudeerd het functioneren van een weetenschappelijke groep als een sociale groep
- verbondenheid kennis en wetenschap mett maatschappelijke positie
- Freischwebende Intelligenz: wetenschapppers zijn niet verbonden aan een maatschappelijk
ideaal.
- vb. taboes? nature (ras)-nurture (afkoomst), hoe werkt peer-review systeem?
Bruno Latour:
- empirisch onderzoek à participerende observatie
- kennis is verbonden met macht geld &ammp; aanzien à wetenschap is oorlog à gelijk krijgen
Sorokin:
-
maatschappij wordt geleid door beppaalde wijze van denken en mentaliteit
- samenlevingen: - Ideational à waardering voor religie, magie &mystiek

- first principles: grondideeën van wetenschappenlijk denken
- bij succesvolle theorieën stemmenn first principles overeen met algemeen aanvaarde
Alvin Gouldner:
- background assumptions (first principlles)à onbewust gemaakte achtergrondaannamen
– theorieën worden geaccepteerd omdat ze passen bij de achtergrond aannamen


Wetenschapsfilosofie:
18e eeuw: rationalisme
19e eeuw: positivisme (Comte)
1920-1930: logisch positivisme (Wiener Kreis)
1940-1950: kritisch rationalisme (Popper)

1960-: postpositivisme (Kuhn)
- houd zich bezig met de aard van wetensschappelijke kennis
- vb. herkenning wetenschappelijk kenniss? Hoe komt men tot kennis?
- normatief & kritisch
- vooral gericht op natuurwetenschappen à continuïteitsthese à ook sociale
- logisch redeneren à toeval,creativiteit is lastig voor filosoof

Wiener kreis en voorgeschiedenis:
-Wat is kennis en waar komt kennis vandaan?
Klassiek:

- rationalisme (Descartes): logica +menselijk verstand is bron van alle kennis
- empirisme (Bacon): zintuigen zijn bronn en fundament van kennis
Positivisme:
- Comte: empirisme met nadruk op concrette waarnemingen zonder metafysische

toevoegingen
Logisch positivisme (logisch empirisme):
-
Wiener Kreis: hechten veel wwaarde aan logisch redeneren. Onderscheid tussen vorm van
kennis (methodologie) en inhoud (feiten). Vorm is overal gelijk: einheidswissenshaft (unified
science) Standpunten: - kennis heeft empirisch fundament

- alle wetenschappelijke kennis dient dezelfde kennistheoretische
structuur hebben
- accent op logische rechtvaardiging kennis
- empirische cyclus

-streven naar verhogen confirmatiegraad

Kritisch Rationalisme:
- Popperà open samenleving met kritiek en debat met stapsgewijze verbeteringen
- Wiener Kreis &##224; verwerping van scheiding empirische waarneming en theoretische

uitspraken
- inductie is geen logische redeneerwijzze (Popper: falsificatie, WK: confirmatie)
- Uitspraken met grootste kans op onwaarrheid bevatten meeste informatie (WKà verhogen

confirmatiegraadà oninteressante theorieën)
- theorieën met grote empirische innhoud die alle toetsen hebben doorstaan hebben grote

corroboratiegraad (gelijkenis met waarheid), meerder theorieën hoogste graad kiezen.
- alle kennis is voorlopig

Kuhns paradigmatheorie:

- In gewone tijden, waarin de normale wetenschap (normal science) de hegemonie heeft

worden theorieën domweg door een scientific community geaccepteerd.
- normal science: aanvullingen en detaillleringen van wat al bekend is.
- wetenschappelijke groep gelooft in parradigma als religie
- kernpunt: wanneer er verscheideene rivaliserende theorieën bestaan, dan zijn er geen
eenduidige (contra Popper,) criteria die bepalen welke theorie het beste is.
- begin constructivisme: iedere theorie creëert eigen feiten en waarheden.
- als nieuw paradigma oud en nieuw paraddigma verklaard word oude verworpen.

Wetenschapsfilosofie en –sociologie na Kuhn:
- constructivisme verder uitgewerkt.
> - geen meetlat voor waarheid theorie: inncommensurabel
- Gelijk krijgen is belangrijker dan gellijk hebben (Latour)
- postmodernisme, ziet Kuhn als vroege ggeestverwant, er bestaan vele waarheden.

Wetenschapsfilosofie en de sociale wetenschappen:
- wetenschapsfilosofie gericht op natuurrwetenschappenà continuïteit theorie à geen

probleem
Tegenstromen:
- continuïteitsgedachte: verstehendde of interpretatieve oriëntatie à sociale

werkelijkheid anders dan mechanische (Humanistische Geografie)
– marxisme: verwerpen weigering om waardeoordeel ui te spreken

Behaviorale Geografie:

- reactie op RA
- verklaard ruimtelijke activiteiten vann mensen en de processen die de basis vormen

Na 1980:
- teleurstelling resultatenà tijdgeografie Hägerstrand à autonomie van individu beperkt

à constraints (capability, coupling & authority)
- nu ook aandacht voor sociaalruimtelijkke structuur waarbinnen individuen handelen
- Giddens: theory of structication à verschillende analyse niveau’s: individu, instellingen

waar hij deel van uitmaakt en maatschappelijke structuur

Humanistische Geografie:

- kritische reactie op behaviorale geografie
- ontstaan uit werk veel kleine groepen geografen
- naratieve (verhalende) benadering
- geringe beoefening: subjectief (meer kkunst dan wetenschap), beperkt toepasbaar

Kwalitatieve benadering:
- niet zoeken naar causale relatiesà empatisch (invoelend) begrijpen van geografische

leefwereld en ruimtelijk gedrag van individu
- diepte interviews
- kwalitatieve methoden als onderzoeksgrroep niet via enquêtes benaderd kan worden

Marxistische Geografie

Ontstaan:
- hoofdstroom: wetenschap moet objectieff zijn: Wiener Kreis
- 1970 reacties: maatschappij kritische geografen à maatschappelijk engagement belangrijk

Liberals: welfare geography: ruimtelijke verdelingsvraagstukken
Radicals :marxisme

Marxisme:
- dialectisch materialismeà voortdurende spanning tussen mens-natuur, deelsystemen-

Maatschappij :kritiek op RA à object niet isoleren: alles hangt met alles samen
één sociale werkelijkheidà één sociale wetenschap
- historisch materialismeà Grand theory geschiedenis mensheid, klassenstrijd motor

menselijke geschiedenis
- van 1900-1960 marxisme onderworpen aann totalitair links (Stalinisme)en rechts (Nazisme)

Oude Marxistische Geografie:
- nadruk op onderbouw (productiewijze) een structuralismeà economische inslag
- David Harvey: uitstellen ineenstortingg kapitalisme door uitbreiding (spatial fix)
- veel onderzoek in stad: Manuel Castellls

- Frankfurter Schule (Horkheimer, Adorno, Marcuse)

1e fase 1930-1937: normale theorie: radicale marxistische standpunten à
materialistische maatschappijtheorie

2e fase 1937-1940: kritische theorie, verbinding theorie/praktijk verbroken,
arbeidersklasse niet langer doelgroep,

3e fase 1940-1970: Standpunten Marx verlaten: kennis en ontrukking zijn met elkaar
verbonden

Frankfurter schule heeft tekortkomingen van Marxistische theorie aan het licht gebracht.

Kritische theorie was basis Revival marxistische wetenschap in jaren ’60à rationeel


Evolutie van Marxistische Geografie:
- vanaf ’80 minder plaats voor sweeping statements
- intellectuele analyse van kapitalisme los van politieke beweging
- meer aandacht voor: rol ruimte, relatiies maatschappij-natuur, inbreng individu, cultuur, rol

overheid, andere ongelijkheid dan klassen (regio’s, gender)
- minder orthodoxe literatuur krijgt aanndacht: gender studies, postmodernisme,

humanistische geografie
- nu verdwenen als afzonderlijke benaderring. Hoofdstroom delen marxisme overgenomen,

andersom ookà bijgedragen tot omvorming SG tot sociale wetenschap


Regionale Benaderingen:

Traditionele typologie regio’s:
- regioà kampfbegriff à geen algemeen geaccepteerde definitie
- verwijst naar afgebakend deel van aarddoppervlak à criteria
- Whittlesey & Lambooy: uniforme, hoomogene & nodale regio
Formele regio’s
- uniforme regio: verspreidingsgebied &eeacute;én verschijnsel (tarweregio)
- homogene regio: verschijnselen vallen ruimtelijk samen, vertikaal (droog & arm)
Functionele regio:
- nodale regio: kern (central place) meet relaties (spatial interaction)
single feature regio: plaats met achterland (Christaller)
multiple feature regio: afgebakend aan hand van horizontale relaties (woon-

werkverkeer)
polynodale regio: Randstad
- ruimtelijk schaal: op verschillende scchalen andere regio(‘s)

Regio’s in de beleving:
- regio: mentaal beeld, vernacular regioonà belangstelling sinds behaviorale geografie
- behavoriale benadering: kwantitatief oonderzoek naar beelden van regio’s (Burgess)
– kwalitatiefà Garreauà Nine nations

Regionaliseren:
- regionaliseren=classificeren (ordenen van objecten in klassen op grond van

eigenschappen die ze gezamnlijk hebben)
- regionaliseren: indelen van ruimtelijjke eenheden in klassen.
splitsing: heterogene gebieden in kleine homogene
samenvoeging: gebieden die op elkaar lijken
Regio:
- traditioneel: regio als onderdeel van mozaïk
- sinds 1970: regio als onderdeel werelddsysteem

- sinds 1990: regio als netwerk

Regio’s en Regiobeelden:

- beelden van regio’s

Vroeger: Geografen geven objectieve werkelijkheid weer.

Nu: Geografen construeren beeld regio, andere bril leid tot andere constructie.
Beelden van kunstenaars zijn al langer geaccepteerd als constructies
- regionaal en thematisch

jaren ’60 en ’70. RA à beschrijving eigene regio onwetenschappelijk, universele orde

vanaf jaren ’80: regionale verscheidenheid opnieuw aandacht

- wat is goede regionale geografie?

Traditioneel: regio is af te bakenen gebied, in zekere mate te isoleren (-1970)
Meer modern: regio is gebied binnen groter systeem
Recent: regio is netwerk van relaties (vanaf 1990)

- regio als deel van mozaiek:

Hettner à traditioneel länderkundliches schema,
Bone à traditioneel + externe relaties, verklaren ontwikkelingen mbv algemeen
geldende modellen

- regio als element in een wereldsysteem

Rostow: stages of economic growth:

Frank: Capatalism and underdevelopment

Friedmanns typologie: (core-periphery model)

Hartland (kern)

Upward transitional area

Downward transitional area

Resource frontier area

Special problem regions

Ook binnen gebied (kern bv) kern-pereferie relaties

- regio als netwerk van social relaties:

Doreen Massey: combination of layers uit verschillende economisch historische lagen

Regio is netwerk van sociale relaties die mensen in regio onderhouden met elders

Grenzen zijn niet noodzakelijk onderdeel van regiobegrip

Regio’s zijn uniek

Regio’s hebben meerdere identiteiten



Feministische Geografieën:


- tot jaren ’70 is geografie "gendeer blind"
- geografische vakwetenschap (beoefennaren), aan top alleen mannen (ook internationaal)
Wat te doen? Emancipatorisch kennisbelang. geografische vakwetenschap (kennis),
- laten zien dat geografie gender blind is
- constructie nieuwe theorie (vaak aanknnopend bij marxisme)
-socialistisch feminisme: interferentie productie-reproductie
-radicaal feminisme: patriarchaatà primaire vorm van onderdrukking

-liberaal feminisme: achterstand wegwerken binnen bestaande kaders
- vrouwenstudies geen monolitisch geheell (verscheidenheid vrouwen)
Geografie verwijzend naar ruimtelijke organisatie en inrichting
- hoe belemmert ruimtelijke inrichting eemancipatie? Inrichting verbeteren
- probleem: gedrag vrouwen gebonden aan constraints en rollen van gender, beseffen

wensen en verlangen niet

Hosted by www.Geocities.ws

1