Honderd jaar Woningwet: zegen of vloek?
In dit artikel laat Hugo Priemus zien waarom de Woningwet niet vervangen hoeft te worden door de Woonwet, maar slechts herzien hoeft te worden.
Voordat de Woningwet in 1901 werd ingesteld, lag de verantwoordelijkheid van het wonen in handen van gemeenten. In de 19e eeuw vond een sterke trek van de bevolking plaats van het platteland naar de stad. De woonomstandigheden in deze steden waren erbarmelijk, waardoor er regelmatig epidemieën uitbraken. Doordat deze problemen de macht van de gemeenten te boven gingen en de progressieve, linkse stromingen in de politiek sterker werden, ontstond er een draagvlak voor de Woningwet, waardoor de verantwoordelijkheid van het wonen bij het Rijk kwam te liggen.
De Woningwet is het sterkst in bijzondere omstandigheden, zoals in en na WOI en WOII, en in economisch slechte omstandigheden. Toch blijft de Woningwet in economisch goede omstandigheden zeker belangrijk, o.a. voor:
De Woningwet schrijft bepaalde eisen voor aan gemeenten voor de kwaliteit van de te bouwen woningen. Vroeger bestonden er grote verschillen tussen gemeenten door de Modelbouwverordening. Met het invoeren van het Bouwbesluit hebben gemeenten macht in moeten leveren. Het Bouwbesluit reglt de bouw vanuit de volgende invalshoeken: gezondheid, veiligheid, energiezuinigheid, milieu en bruikbaarheid. Het Bouwbesluit is om de volgende redenen ingevoerd:
Enkele veelgehoorde klachten over het Bouwbesluit zijn dat de gemeenten macht hebben moeten inleveren en dat de regelgeving ingewikkeld is.
De Woningwet verleende woningcorporaties de bijzondere status van toegelaten instelling. Dit houdt in dat deze onder publiek toezicht staan en publieke doeleinden moeten nastreven. Ze moeten zich dus vooral voor de kwetsbare inkomensgroepen inzetten. Aan het eind van de 20e eeuw hebben de woningcorporaties maar liefst een marktaandeel van 42% gekregen.
Sinds 1995 kunnen de woningcorporaties hun werk doen zonder publieke steun. Er worden nu dan ook veel sociale huurwoningen verkocht, omdat steeds meer mensen het eigen woningbezit preferen boven huren. Dit is een logische gevolg van de economische voorspoed. De corporaties moeten zich echter wel bezig blijven houden met de lage inkomensgroepen. Zo kan stigmatisering en ghettovorming op de woningmarkt voorkomen worden.
In economisch goede tijden kan het woningprobleem goed door de markt geklaard worden. In economisch slechtere tijden is overheidssteun echter noodzakelijk.
De Woningwet moet de komende eeuw blijven bestaan. Op ten minste twee punten is herziening nodig:
Consumenten moeten meer te zeggen krijgen over het type woning waarin ze willen wonen. Nu is de Woningwet nog te aanbodgericht, deze zou meer vraaggericht moeten worden.
De steun voor huurders en bewoner-eigenaars zou gelijk moeten worden gesteld.
Herziene Woningwet
Naast de Woningwet zouden nog veel meer regelingen herzien moeten worden.