
****************************************************************
dr.
ing. Paul R. Zoete
planologie
in de 21e eeuw:
effectief
en legitiem
een beschouwing over de ambities van het
vakgebied
door de ogen van een optimist
Deze tekst ligt ten grondslag aan het inleidend college
voor het onderdeel B2THEMA op 11 december 2001.
Het betreft slechts een werktekst, welke alleen als extra
service bij het college wordt uitgereikt.
****************************************************************
FACULTEIT RUIMTELIJKE
WETENSCHAPPEN
2001 - 2002
inhoudsopgave
preambule: hoe zien wij de wereld om ons heen?
1. verandering van en invloed op de omgeving: de bestaansbasis voor het vakgebied
2. het wezen van planologie: kenmerken en plaatsbepaling
3. van plan
naar realiteit: de inzet van instrumenten
4. trends in
de hedendaagse planologie: grondslag voor optimisme
5.
universitaire
planologieopleidingen: sturen zij de planologie?
literatuur
preambule:
hoe zien wij de wereld om ons heen?
Het formele planningstelsel wijzigt zich niet of althans zeer langzaam. Maar de informele situatie in de praktijk wijzigt intussen wel. Althans: langs subjectieve weg kan zo’n constatering worden gedaan. Maar zien wij als planologen dezelfde situatie en zien we dezelfde wijzigingen daarin? En zelfs dan geldt nog, dat die wijzigingen incidenteel geschieden, schoksgewijs gaan, niet via vaste lijnen lopen en wellicht niet structureel zijn. De optelsom van incidenten kan echter een trend aanduiden, welke nog niet wetenschappelijk is te onderbouwen. In het navolgende worden wijzigingen als een realiteit en tevens als een trend beschouwd: “Het is eerder een oefening in persoonlijke interpretatie gebaseerd op de eigen ervaringen in de praktijk, dan een op empirisch materiaal gestoeld onderzoek. Wellicht dat het anderen stimuleert om het tegen te spreken en de argumenten door betere te vervangen.”
Het waarnemen begint altijd met
verwondering: “A lot of people experience the world with the same incredulity
as when a magician suddenly pulls a rabbit out of a hat which has just been
shown to them empty. In the case of the rabbit, we know the magician has
tricked us. What we would like to know is how he did it. But when it comes to
the world it is somewhat different. We know the world is not all sleight of
hand because we are here in it, we are part of it. The only difference between
us and the white rabbit is that the rabbit does not realise it is taking part
in a magic trick. Unlike us, we feel part of something mysterious and we would
like to know how it all works……..Are you still there Sophie?”
Dit citaat - uit Jostein Gaarder’s Sophies World, waarin een filosoof
probeert aan een 14 jarige scholier (Sophie) uit te leggen hoe de wereld (in
ons geval de ruimtelijke omgeving) tot stand is gekomen en dat we er zelf (soms
in meerdere hoedanigheden, zeker als planoloog) invloed op uitoefenen (ontleend
aan Holloway & Hubbard 2000, p.258) – geeft de basis voor onze waarneming.
Voor planologen zijn daarnaast de vragen zeer wezenlijk hoe die invloed
effectief kan worden uitgeoefend en hoe dit draagvlak in de samenleving kan
verkrijgen.
1 verandering van en invloed op de
omgeving: de bestaansbasis voor het vakgebied
Er is in de samenleving sprake van permanente
veranderingen. Die zien we overal om ons heen. En daar reageren we op. Zo was
in de vijftiger jaren de leuze van soepfabrikant Royco: "zes borden uit
één pak". Dat was afgestemd op de gemiddelde grootte van een huishouden.
Later werd de leuze "vier borden uit één pak" en tegenwoordig
kennen we "cup-a-soup" en blikjes voor twee personen. Bijna 70 % van
de huishoudens telt nu namelijk 1 of 2 personen.
We kunnen echter ook zelf aan de
verandering bijdragen. Om dit voor de ruimtelijke inrichting te verklaren
sluiten we ons aan bij het gedachtegoed van Chapin (1965) uit de jaren zestig
en zeventig. Er komt een beeld van de ruimtelijke planning [1]
naar voren, dat thans weer actueel lijkt. Gesteld kan worden dat gedurende de
laatste decennia enkele belangrijke aspecten uit die visie over het hoofd zijn
gezien. Dat alleen al is voldoende motief om hier met genoemd beeld van de
ruimtelijke planning te starten.
Chapin ziet in de samenleving drie
groepen systemen op elkaar inwerken, terwijl zij op hun beurt alle drie het Land Use Pattern vormen, maar er ook
door beïnvloed worden. Deze groepen zijn:
* Activity Systems dit zijn alle activiteiten van huishoudens,
bedrijven en instellingen (bijvoorbeeld alle activiteiten om de sociale
relaties van huishoudens in stand te houden);
* Environmental Systems dit zijn alle ecosystemen inclusief
milieueisen, fysische mogelijkheden en fysische beperkingen (waarbij zowel het
biotisch als het a-biotisch milieu in beeld is);
* Development Systems dit omvat een brede groep van
projectontwikkelaars, huizenkopers, financiële bemiddelaars, makelaars, enz.,
kortom allen die actief zijn in de herinrichting van de ruimte.
Het totaal van deze drie systemen -
tezamen met het Land Use Pattern -
functioneert autonoom, dus zonder Land
Use Planning. Het begrip 'development' heeft dan ook niets te maken met de
ruimtelijke plannen makende overheid, maar duidt op de ontwikkelingsrealiteit
van de samenleving.
In schema ziet dit er als volgt uit:
|
Land
Use Pattern Activity
Systems Development
Systems Environmental Systems |
Ruimtelijke planning intervenieert
hierin. Zij doet dat door invloed uit te oefenen op elk van de drie systemen.
Het zal duidelijk zijn, dat invloed op de Development
Systems daar onderdeel van is en wel een zeer wezenlijk onderdeel. Dit
sluit aan bij de visie zoals die hierna nog wordt verwoord: er is geen sprake
van een 'koningsrol' voor de planoloog, maar als actor kan deze van groot
belang zijn, mits het juiste netwerk wordt benut.
Er ontstaat het volgende beeld:
|
Land
Use Pattern Activity
Systems Development
Systems Environmental Systems |
|
ruimtelijke
planning |
De planoloog richt zelf de ruimte niet
anders in, maar tracht door samenwerking met de partners uit de genoemde
ontwikkelingsrealiteit tot een bijsturing te komen. Chapin spreekt in dat
kader niet alleen van Land Use Planning,
maar ziet dat geheel geïntegreerd met een Guidance
System: het ruimtelijk planontwerp en
de sturingsopgave als wezenlijke, nauw verbonden onderdelen van planvorming.
Het doel bij interveniëren is een aantal publieke
belangen beter te positioneren. Daarin ligt de legitimiteit van de ruimtelijke
ordening.[2]
Die doelen zijn onder meer gezondheid en veiligheid, een goede afweging van
nabijheid en van scheiding van functies, sociale rechtvaardigheid (zoals het
bieden van gelijke kansen door de ruimtelijke distributie van scholen) en
ruimtelijke kwaliteit.
De rol en de werkwijze van de ruimtelijke
ordening (het ten behoeve van publieke doelen interveniëren in de
werkelijkheid) en de positie van de actoren (met name ook uit de private
sector) komen in dit beeld geheel overeen met de meest moderne kijk op het
vakgebied.
2 het wezen van planologie: kenmerken en
plaatsbepaling
Planologie[3] heeft drie kenmerken welke tezamen discriminerend zijn:
· Het ontwerpend karakter
De planoloog creëert een ruimtelijk plan met
relatieschema’s, ordeningsprincipes en een conceptuele structuur. Vanuit een
probleem wordt via oplossingsrichtingen naar een ontwerp gewerkt.
· De toekomstgerichtheid
De toekomst
is - zeker op langere termijn - niet
voorspelbaar, maar wel denkbaar.
Ruimtelijke planning heeft per definitie te maken met die toekomst. Daardoor is
ruimtelijke planning ook onlosmakelijk verbonden met (het omgaan met)
onzekerheden. De planoloog zoekt dan naar mogelijkheden om ondanks dat gegeven,
toekomstbeelden te creëren en bespreekbaar te maken. Een van de manieren om dat
te doen is het werken met toekomstverkenningen. De eigen kracht van de ruimtelijke planning is vooral de uitstraling
van een visie die lijnen doortrekt naar een (meer gewenste) toekomst. Dit
laatste komt ook, omdat de horizon van de gemiddelde ruimtelijke
planningsopgave (veel) verder ligt dan de horizon van de gemiddelde handelende
actor in de samenleving en tevens door de poging tot afstemming van de
functies binnen - dan wel tussen - gebieden.
· De sturingsopgave
De toekomst blijkt in zekere mate stuurbaar, soms zelfs in hoge mate
maakbaar en in ieder geval tenminste beïnvloedbaar te zijn. Juist de combinatie
van denkbaar en beïnvloedbaar geeft een mogelijkheid voor ruimtelijke planning.
Typerend is dat niet alleen naar
de toekomst wordt gekeken, maar dat het
huidige handelen in toekomstperspectief wordt geplaatst. Wat kan men nu besluiten ten aanzien van de
inrichting van de ruimte, gelet op de toekomstbeelden?
Door een groeiend belang van prospectieve
(dat wil zeggen op waarden en normen gebaseerde) toekomstbeelden, neemt het
belang van deze drie kenmerken nog toe.
Het wetenschapsgebied legt daarbij een
duidelijk accent op het strategisch niveau van planvorming en minder op het
operationele. Om dit laatste duidelijker te formuleren: het gaat meer om het
strategisch plan dan om het bestemmingsplan. Dat laatste vormt dan de concrete
uitwerking inclusief de regelgeving (juridisering).
Het vakgebied van de planologie is daarmee getypeerd. De planologie onderscheidt zich zeer duidelijk van
de zogenaamd aanpalende specialisaties in de sociale geografie, waaronder
stadsgeografie. Het toekomstgerichte karakter, de sturingsfactor en het accent
op het ontwerp, in plaats van onderzoek en analyse, typeren duidelijk een
andere wetenschap.
Het inzichtelijk maken van het feit, dat
er beleidskeuzen zijn en welke dat zijn, is een belangrijke taak voor de
planoloog. Ook de accenten op het planproces en op de context dragen aan het
specifieke karakter bij. Er kan worden gesteld dat de traditionele samenhang
met de sociale geografie qua type wetenschap alleen nog berust op het object:
het ruimtegebruik. Een hechte relatie in de huidige tijd met bestuurskunde,
economie, communicatie en civiele techniek daarentegen, biedt een duidelijke
meerwaarde voor de planologie. Door het toenemend belang van het planproces
staan bestuurskunde en communicatie daarbij voorop.
Het onderscheid met stedenbouw is moeilijker aan te geven en wel om de eenvoudige reden, dat stedenbouw niet bestaat. Planologen hebben zich in Nederland – maar dan ook enkel en alleen in Nederland – teruggetrokken uit het grensvlak met de ontwerpers van gebouwen en groepen gebouwen, de architecten. Die laatsten hebben vervolgens het grensgebied geconfisqueerd en als stedenbouw aangeduid. Maar juist het globale ruimtelijk beeld, het ruimtelijk schetsmodel in de zin van Chapin’s opvatting, is een puur planologisch product.
3 van plan naar realiteit: de inzet van
instrumenten
Maatregelen zijn nodig voor de
verwezenlijking van de planologische doeleinden. Dit zijn de instrumenten in
de meest ruime zin. Het klassieke
beleidsinstrumentarium betreft voorschriften en sancties 'met de zwaardmacht'
(wet- en regelgeving). Deze vorm staat ook wel bekend als 'de zweep hanteren'.
De moderne instrumenten liggen vooral op economisch vlak (financiële prikkels,
oftewel 'een peen voorhouden'). En de zogenaamde postmoderne instrumenten (in
een staat met minder ambitieuze, doch meer prikkelende functies) omvatten het
contract, immateriële prikkels en sturing via leren. Waar bij deze laatste
groep de (inspirerende) informatieoverdracht centraal staat, is deze vorm
bekend als 'het houden van een preek'.
De wet- en regelgeving op het terrein van
de ruimtelijke ordening biedt weinig houvast. Dit lijkt overigens vooral te
komen door het niet of niet goed toepassen van de regels.[4]
Daarnaast lijkt het dat de huidige Nederlandse samenleving niet beter
functioneert door meer wet- en regelgeving, maar eerder door betere
communicatie. Juist daarom dient de reactie van de plannende rijksoverheid niet
een streven naar centrale sturing te zijn. De Vijfde nota doet echter toch een
poging: reden om die nota hier als een ‘Pronkstuk’ te typeren. Dit terwijl de
Vijfde nota toch net als de Vinex voor het overgrote deel uit een ‘preek’
bestaat met hier en daar een ‘peen’ (bijvoorbeeld: mogelijk meer geld voor
netwerksteden doch alleen ‘bij goed functioneren’) en nauwelijks een ‘zweepje’.
Tot op zekere hoogte wordt kennelijk
uitgegaan van een maakbare samenleving: de overheid als regisseur van de
verzorgingsstaat, gebaseerd op de gedachte dat de onderscheiden
maatschappelijke verbanden volledig zijn te orkestreren. De marges daarbij
zijn weliswaar klein, maar het is de moeite van de energie waard. In die
situatie dient centraal invloed op het proces te worden uitgeoefend evenals
controle op de afloop. Desnoods mogen volgens de Vijfde nota (niet bestaande)
landsdelen wat proberen, doch tegelijkertijd wordt al gedreigd met ingrijpen
door de rijksoverheid als dat niet goed en snel genoeg geschiedt. (Zie
bijvoorbeeld Vijno 2001, p. 280 eind C.1)
Deze visie past bij het topdown model en is in het planningstelsel te zien als het formele perspectief (Spit 1995, p. 319). Dit staat dan als visie tegenover de opvatting, dat de samenleving een chaos is, maar dat mensen en organisatie mits ze de ruimte krijgen daarvan zelf het beste zullen maken. Niet via grote theorieën en omvattende concepten, maar pragmatisch en specifiek worden oplossingen gevonden. Centraal ingrijpen is mogelijk, maar het vereist een machtsuitoefening, welke politiek gevoelig ligt en slechts beperkt kan worden ingezet. Binnen het beleidsveld van de ruimtelijke ordening zijn hiertoe noch het wettelijk instrumentarium noch het financieel instrumentarium voorhanden. Het lijkt de laatste jaren dat het fundament van de wetgeving - zoals die na WO II is ontstaan - alsnog wordt benut: een gedecentraliseerd systeem met de werkelijke macht bij de gemeenten en een zeer beperkte (namelijk marginaal corrigerende) rol van provincies en rijk. (Zoete 2000)
Uit onderzoek (Zoete 1997) komt naar voren dat de
afstand tussen beide percepties van de werkelijkheid en van de
verantwoordelijkheden van de partners groot is. Een dergelijke afstand heeft
het gevaar in zich dat de gemeenten op het vlak van de ruimtelijke ordening
los komen van het rijk en het belang dat de gemeente aan rijksbeleid hecht
navenant kleiner wordt. Dan dreigt het rijk (de Rijksplanologische Dienst) in
regelgeving te vervallen omdat het lijkt dat de gemeenten hun rol verzaken. Dit
kan zelfs uitmonden in "een penetrante regelzucht en een overproduktie
aan beleid" (Zijderveld 1993, p. 397). Het grootste gevaar loopt hier de
rijkspartner, omdat met het wegvallen van de invloed ook de bestaansbasis
wezenlijk wordt aangetast. Dan zou een toekomst gloren waarbij de nota met het
rijks ruimtelijk beleid slechts een ‘ladenvuller’ zou zijn. Dit terwijl de
legitimiteit van de ‘bottom-up werkelijkheid’ maar zeer ten dele wordt
verzwakt als de relatie met de het rijk, met de 'topdown werkelijkheid' of het
formele systeem, wegvalt. Immers, de verankering in de uitvoering van
ruimtelijke projecten en programma's garandeert een inpassing in de (beleids)omgeving
op het lokale of het regionale niveau. (Spit 1995, p. 320) Bij zo'n somber
scenario zal het rijk alles in het werk moeten stellen om deze ontwikkeling
geen werkelijkheid te laten worden. (Zoete 1997, p. 197)
Maar waar haalt de ruimtelijke ordening haar kracht dan vandaan? De ruimtelijke planning die de basis moet leggen, is net zo sterk als de mate waarin deze zich verbindt met de context: alleen de verbinding met de feitelijke besluitvormers in de sectoren – zowel publiek als privaat - geeft invloed. Alleen als die verbinding sterk is, kan de ruimtelijke planning haar eigen sterkte benutten. Die eigen kracht is bijvoorbeeld het ruimtelijke planconcept, dat wordt gebruikt als abstractie van de werkelijkheid en als denkkader. Zo'n ruimtelijk planconcept is een metafoor met een sterke communicatieve functie en ontleent de waarde aan een geboden perspectief en aan de mogelijkheid om doelstelling (zijnde het realiseren van het perspectief) en maatregelen met elkaar te verbinden, zowel in de planningsfase als in de beleidsfase. Een goed ruimtelijk planconcept is daarmee visionair en tegelijkertijd pragmatisch. Logisch dat de scenariomethode met een hoog strategisch gehalte in de tweede helft van de jaren negentig door gemeenten met succes is toegepast (Meer, van der & Zoete 1999). Het lijkt dat in de planologie deze sturingspotenties opnieuw ontdekt moeten worden.
Hier sluiten we aan bij het interventiebeeld van Chapin. De planologie eist geen 'koningsrol' maar biedt een systeem en een concept als hulpmiddelen aan. Dat kan als heel mager worden gezien. In de visie van bepaalde stromingen is bovendien de bestuurlijke context een hard gegeven. Beleid en bestuur worden dan als kader voor de mogelijkheden gezien. Men spreekt dan zelfs over een 'black box' in een deel van de planvorming: anderen bepalen in hoge mate de resultaten en deze uitkomsten zijn slechts beperkt verklaarbaar. Daarentegen kan ook als motto worden gegeven: 'de optimistische planoloog'. In deze visie is de planoloog deelnemer aan het proces en kan op die manier als actor mede richting geven. Juist de doorkijk naar meer gewenste toekomstbeelden en het vertalen daarvan in het huidige, actuele handelen maken het vak tot een uitdaging.
4 trends in de hedendaagse planologie:
grondslag voor optimisme
ü
naar
regionale planning: daar valt te sturen
In een situatie waarin de rijksoverheid
steeds minder geld heeft voor de andere overheden en de invloed van de markt
dus toeneemt, en in een situatie waarin tegelijkertijd op het regionale niveau
door intergemeentelijke samenwerking op diverse
beleidsvelden de grootste sturing kan
worden verkregen door ruimtelijke planning (namelijk door schaalvergroting in
de velden van huisvesting, werkgelegenheid, infrastructuur, openbaar
vervoer, recreatie, zorg, voortgezet onderwijs, enz.) richt de planologie zich primmair op het regionale (in de zin van
het intergemeentelijke) niveau (zie Kreukels 1997, p. 16). Planning levert dan
een toekomstbeeld, dat op zich eventueel kan leiden tot gebiedsplanning, doch
veelal alleen als kader zal functioneren voor concrete, op realisatie gerichte
projecten: projectplanning. Intergemeentelijke ontwikkelingsplanning past in
de schaalvergrotingstendensen waarvan tegenwoordig sprake is: de kaders worden
vooral regionaal bepaald.
Dit levert een interessante variant op
van de ‘diagonale planning’ van de RPD:
rijksoverheid
en
provincie
![]()
![]()
private
partners
‘de diagonaal’
regionaal
niveau (semi)overheden
gemeente
Op dit regionale niveau is ontwikkeling in sterke mate gericht op economische potenties. Dit vereist van de planologie begrip voor de economische en technologische realiteit. Overigens is regionale ontwikkeling door de noodzakelijke intergemeentelijke samenwerking een pad met obstakels. Dat is zeker het geval als er grotere realisatieprojecten (zoals een nieuwbouwwijk of een industrieterrein) in het geding zijn. Dat wringt dan met de bestuurlijke context en met name met de gemeentelijke autonomie (Zoete 1993).
Door deze benadering ligt tevens het accent op vraag wie de meest relevante actoren zijn. Dit aspect komt hierna nog aan bod.
ü
naar
integrale planning: doch selectief en pragmatisch
Planning dient tot op zekere hoogte integraal te zijn. Daarbij gaat het niet om theoretische, bijna holistische principes, doch om reële verbindingen met zowel andere aspecten als andere gebieden. Het is de taak van de planoloog relaties in beeld te brengen, doch ook om voldoende argumentatie te vinden om vervolgens een selectie te kunnen (laten) maken.
ü
naar
optimistische planning: de wenselijke toekomst
Bij het denken over de toekomst wordden allerlei mogelijke toekomstbeelden gecreëerd. Het zal duidelijk zijn, dat daarna een bezinning plaatsvindt om daarbinnen de waarschijnlijke toekomstbeelden (in de zin van waarschijnlijk haalbaar gezien de bestuurlijke context, de bestuurlijke ambitie, de financiële mogelijkheden, de andere instrumenten, enz.) af te bakenen.
De planningopgave is nu om de waarschijnlijke, doch ongewenste toekomst te vermijden en de waarschijnlijke en gewenste toekomst - ook door huidig handelen - dichterbij te brengen.
De bijzondere opgave voor de 'optimistische planoloog'
gaat nog een stap verder. Accepterend dat een plan op het waarschijnlijke is
gebaseerd, dient de planoloog daarna de strijd aan te gaan om zelfs de
mogelijke en gewenste toekomst welke (net) buiten 'de waarschijnlijke' is
gelegen, toch waarschijnlijk te maken. Kortom: een blijvende discussie over
ambitie en het verschuiven van de grenzen. Vanuit
planningperspectief ligt daar juist de uitdaging. Een daarbij te hanteren
ruimtelijk planconcept moet door het visionaire karakter via maatwerk een
zekere uniciteit verlenen aan het project. Het is dit planconcept dat ook
tijdens het gehele plan- en realisatietraject dient ter handhaving van het
ambitieniveau.
ü
naar
planning via governance: een positie verwerven
Invloed kan door de overheid worden verkregen door middel van ‘governance’. (Dit in tegenstelling tot ‘government’, dat wil zeggen het handelen op basis van een wettelijke macht). Governance lijkt het instrument, waarmee de gemeente haar positie in de samenleving kan verstevigen. Governance wordt daarbij gedefinieerd als de capaciteit van overheden om op basis van gelijkwaardigheid via informele – dus buitenwettelijke – wegen met andere overheden (met name buurgemeentes en provincie) en met andere partners (bedrijven, instellingen, groepen van burgers en individuen) tot beleidsvorming en tot democratische besluitvorming te komen om op die wijze sturing te geven aan de samenleving. Een goed netwerk lijkt nodig om echt invloed uit te kunnen oefenen. En dat niet alleen bij eigen initiatieven, want aanwezigheid in de relevante beleidsarena's is een primaire vereiste om invloed uit te kunnen oefenen op het relevante beleid en het handelen van derden. En de initiatieven komen steeds meer bij de private partners te liggen. Ruimtelijke planning is geen specifieke overheidstaak meer. Wel heeft zij – op basis van wet- en regelgeving – de eindcontrole: doch dat is slechts een toetsingsinstrument en heeft nauwelijks een sturende werking.
Kortom: niet door meer wet- en regelgeving, maar door een adequate opstelling in de huidige samenleving, kan de gemeente zich sterk positioneren. Zij kan dan tot een gezamenlijk plan komen met commitment van alle betrokkenen. Dit commitment is van groot belang omdat het de juiste weg lijkt om zowel effectiviteit als legitimiteit bij ruimtelijke planning te verkrijgen. En daar heeft het in het verleden nogal eens aan ontbroken, hetgeen nog regelmatig tegen de planologie werkt. Dit terwijl juist in de Nederlandse context legitimiteit een belangrijk criterium is, omdat er vaak met ambitieuze, sturende plannen wordt gewerkt.[5]
Een van de aspecten en tegelijkertijd potentiële obstakels bij het fenomeen planning via governance, is het uit handen geven van de leiding aan een onafhankelijk voorzitter. Toch kan dit wezenlijk zijn om de gelijkwaardigheid van partijen te benadrukken en te realiseren. In het verlengde hiervan ligt ook de opkomst van ‘mediation’.
ü
naar
projectplanning: de kern van de planologie
Majeure projecten[6] bepalen steeds meer het beeld van de planologie. Uiteraard moeten deze projecten aan een aantal eisen voldoen, waarbij de ‘ophanging’ aan een regionale visie en een zekere uniciteit essentieel zijn. De regionale visie dient dan om tot zulke projecten te komen, welke tevens onderling zijn afgestemd en in hun effecten op de overige delen van de regio worden beoordeeld.
De reactie van de plannende overheid op
een veranderende samenleving en een zich vernieuwende planologie lijkt de
werkwijze van een zogenaamd open planningproces te zijn. De stappen in dit
proces liggen niet vast. De hier genoemde stappen geven echter een goed beeld
van het proces:
1.
Het
probleem wordt verkend. Daarbij is de duiding van het probleem belangrijker dan
de 'beste' definitie. Die definitie is namelijk strijdig met de twee volgende
stappen.
2.
Alle
actoren worden in beeld gebracht. De 'wie-vraag' is hier dus aan de orde.
Vervolgens worden zij zonodig op relevantie geselecteerd en georganiseerd. Dit
laatste betekent dat zij deel uitmaken van het werkteam en dan – vrijwel – in
een positie van medeopdrachtgever komen te verkeren.
3.
De
probleembeschrijving wordt opgesteld. Eventueel volgt nader onderzoek.
4.
Gezamenlijk
wordt de doelstelling geformuleerd. Nu komt ook de 'hoe-vraag' ter tafel. Dat
wil zeggen dat de doelstelling moet passen bij het perspectief van de groep,
waarbij de inzet van middelen door de diverse partijen en de ambitie een rol
spelen.
5.
Mogelijke
oplossingsrichtingen worden aangeven en eventueel wordt een extra cyclus
ingebouwd door een terugkoppeling naar de samenstelling van de groep. (De
relevantie van de selectie staat dus ter discussie.) Uiteraard komen bij deze fase de 'wat-vraag', de
‘waar-vraag’ en de ‘hoeveel-vraag’ aan bod: het object van planning is de kern
van het ruimtelijk plan.
6. Het publiek debat wordt georganiseerd, doch in eerste instantie dikwijls voor genodigden. Nu kan de groep van niet geselecteerde actoren aan bod komen, doch ook een ruimere vertegenwoordiging van de reeds betrokken groepen kan zinvol zijn. Tenslotte ook allen die op een of andere manier (bijvoorbeeld via interviews in de inventarisatie- en onderzoeksronde) betrokken zijn geraakt.
7.
Het concept
plan wordt opgesteld. Dit betekent dat keuzes zijn gemaakt ten aanzien van de
alternatieven welke in de vorige fase zijn bediscussieerd.
8.
Daarna
start de externe communicatie. Gedacht kan worden aan vormen van inspraak en
aan overleg met derden zoals dat in de formele procedures is voorzien. Nu
echter geschiedt het in een situatie waarin het plan nog niet is vastgesteld.
9.
Er komt een
verslag van de externe communicatie. Eventueel wordt het plan aangepast.
10.
De
wettelijke procedure start nu met de vastgestelling van het plan door de
gemeenteraad. Daarna worden de verdere formele procedures zoals voorzien in de
WRO/Bro doorlopen..
5 universitaire planologieopleidingen:
sturen zij de planologie?
Alhoewel het moeilijk is om in kort
bestek een typering te geven van de diverse opvattingen over de planologie in
Nederland, wordt hier toch een poging gedaan om in enkele brede streken een
beeld neer te zetten. De Amsterdamse planologie is dan beslissingsgericht te
noemen. Het besluitvormingstraject staat centraal tezamen met de procesgang als
methode. De Nijmeegse planologie daarentegen is vooral handelingsgericht:
centraal staat de vraag 'hoe' en daarmee ligt een zwaar accent op de
instrumenten. Het is de vraag of in deze beide benaderingen voldoende ruimte is
voor een open planningproces. In de Utrechtse opvatting ligt het accent zeer
duidelijk op de 'wie-vraag'. Dit wordt ook wel onderhandelingsplanning
genoemd of – in navolging van de WRR (1998) – ‘entrepreneurial planning’. Het
begint al met het opdrachtgeverschap: er is tegenwoordig vaak geen sprake van
een opdrachtgever, maar van een 'multi-actoren-opdrachtgeverschap' en zelfs
dat is een fase van onderhandeling.
Het gaat ook niet om de kracht van 'het'
superieure plan, maar om het best gedragen plan. Communicatie en
coalitievorming met het maatschappelijk krachtenveld zijn sleutelwoorden. De
organisatie van de ruimtelijke planning is net zo belangrijk als de
inhoudelijke kant ervan.
Daarmee
is de ruimtelijke planning inhoudelijk dezelfde, maar wordt een andere procesgang
gevolgd, om meer sturing van de werkelijkheid te verkrijgen. Zo wordt de
effectiviteit vergroot tezamen met de legitimiteit. De vraag is nu of de
universitaire planologieopleidingen zijn meegegaan
in deze verandering. En eigenlijk
moet de vraag luiden of deze universitaire opleidingen sturing hebben gegeven
aan de ontwikkelingen. En tot slot of dit alles (voldoende) vertaald is in de universitaire planologieopleidingen.
Deze vragen worden in dit kader slechts
opgeworpen. Maar bij het centrale punt van het geven van sturing wordt toch
stilgestaan. Die vraag kan ook worden omgezet in de vraag of de universiteiten
(alleen) academisch geschoolde professionals opleiden of dat ze ook leiding
geven aan het vakgebied? Voor dat laatste is een duidelijke verbinding nodig
met de planologische praktijk. Daarvoor dient de volgende overweging.
Planvorming geschiedt in de Nederlandse praktijk
vooral op basis van ervaring. Binnen een beperkt aantal particuliere
adviesbureaus wordt ‘de bulk’ van de plannen gemaakt. Veel gemeenten met eigen
'planscheppende afdelingen' maken toch voor een deel van hun productie gebruik
van diezelfde adviesbureaus en gebruiken de producten van deze externen tevens
als leermiddel. Deze gang van zaken bergt enerzijds het gevaar in zich, dat
fouten in de planvorming steeds meer worden geperfectioneerd en bevriest
anderzijds de wijze van aanpak, hetgeen verbeteringen van het systeem in de weg
staat.
Als de theoretici (aan universiteiten) aan de
andere kant tegelijkertijd alleen bezig zijn met de theoretische kant ('zo zou
het moeten') dan ontstaat het gevaar van 'academische incest' en gaan (volgens
Judy Inness) 'leunstoelplanologen' papieren plannen maken. Er is dan sprake
van een academische cyclus naast een praktijkcyclus.
Er dient een duidelijke verbinding te zijn met de praktijk. Voor beide partijen is dat noodzakelijk. Er dient een kritische observatie plaats te vinden van ruimtelijke planning en ruimtelijke ordening, gevolgd door reflectie en analyse. Op basis van de conclusies kunnen nieuwe experimenten worden opgezet. Kolb's 'learning cycle' geeft een aanzet voor de wijze waarop deze zouden kunnen worden opgezet. Deze opvatting van planvorming gevolgd door reflectie enz. moet al tijdens de studie aan de toekomstige vakgenoten worden doorgegeven. Dit verklaart het belang van de diverse ateliers (praktijkoefeningen) in de planologische opleidingen.
LITERATUUR
CHAPIN, F.S. (1965), Urban Land Use Planning. Londen: University of Illinois Press.
HOLLOWAY, L. & P. HUBBARD (2000), People and place, the extraordinary geographies of everyday life. Harlow: Pearson Education.
KREUKELS, A.M.J. (1997), Een perspectief voor de stad. (Vierde van Eesterenlezing). Rotterdam.
MEER, D. van der & P. ZOETE (1999), The scenario-method in local community planning. Paper at the XIII AESOP Congress, Bergen, Norway.
SPIT, T.J.M. (1995), De ambities van het ruimtelijk planningstelsel. Bestuurswetenschappen, pp. 317-325.
SPIT, T. & P. ZOETE (2001), Informality in Urban and Regional Planning. Paper at the XV AESOP Congress, Shanghai,
China.
SPIT, T. & P.R. ZOETE (2002), Gepland Nederland? Een inleiding in
ruimtelijke ordening en planologie. ‘s-Gravenhage: Sdu. (verschijnt maart
2002)
VIJNO (2001), Vijfde nota over de Ruimtelijke Ordening, deel 1: ontwerp planologische
kernbeslissing. 's-Gravenhage: Sdu.
WRR (1998), Ruimtelijke Ontwikkelingspolitiek. ’s-Gravenhage: Sdu.
ZOETE, P.R. (1993), Regionaal grondbeleid: een perspectief? Een beschouwing over wensen en
kansen. Bestuurswetenschappen, pp. 258-266.
ZOETE, P.R. (1997), Stedelijke knooppunten: virtueel beleid voor een virtuele werkelijkheid? Een verkenning van indicatief rijksbeleid in de wereld van de gemeenten. Amsterdam: Thesis Publishers.
ZOETE, P.R. (2000), Towards Informal Levels in Urban and Regional Planning. Paper at
the XIV AESOP Congress, Brno, Chech Republic.
ZIJDERVELD, A.C. (1993), Megastructuren, metasturing en legitimiteit.
Bestuurswetenschappen, pp. 396-404.
[1] Ruimtelijke planning wordt hier
opgevat als het werken door planologen in de praktijk.
[2] Ruimtelijke ordening wordt hier
opgevat als het geheel van wetenschap en praktijk.
[3] Planologie wordt hier opgevat als
de wetenschappelijke bron van en de reflectie op ruimtelijke planning en
ruimtelijke ordening.
[4] Een voorbeeld moge dit
verduidelijken. In de Wet op de Ruimtelijke Ordening vinden we onder
‘Gemeentelijk planologische beleid’ bij ‘Herziening, intrekking en andere
voorschriften.’ artikel 33. Het eerste lid luidt: “ Een structuurplan en een
bestemmingsplan worden (….) ten minste eenmaal in de tien jaren herzien.” En
lid twee voegt daaraan toe “Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de gemeenteraad
voor ten hoogste tien jaren vrijstelling verlenen van de verplichting, bedoeld
in het eerste lid”. Maar geen gemeente vernieuwd het bestemmingsplan binnen
tien jaren, geen gemeente vraagt de genoemde vrijstelling aan en geen provincie
treedt op tegen deze situatie.
[5] In planningsystemen welke (slechts)
gericht zijn op het beperken van negatieve externe aspecten is er uiteraard
geen discussie over legitimiteit. Deze situatie treft men o.a. in
Groot-Brittannië aan.
[6] Met majeure projecten worden hier
projecten bedoeld welke als essentiele pijlers van de gebiedsvisie functioneren
en welke richting gevend zijn voor de toekomst van het gebied.