Artikel: Bedrijfslocatiemonitor: Regionale verkenningen 2010
Hoofdstuk 1: Inleiding
Centrale vragen van de Bedrijfslocatie Monitor:
De vraag naar deze ruimte komt voort uit de economische groei. De plaats en omvang van de vraag verschilt. Aanbod van ruimte wordt aangepast; veel bedrijfsruimte in de maak. Confrontatie vraag en aanbod in 2010. Uitkomsten van deze studie primair bedoeld als hulpmiddel voor de bestuurlijke autoriteiten die voor planning van bedrijventerreinen en kantoorlocaties verantwoordelijk zijn. Huidige BLM streeft naar betere aansluiting op de behoeften van de provincies, kaderwetgebieden en grote steden die verantwoordelijk zijn voor de planning van voldoende aanbod aan bedrijventerreinen en kantoorlocaties. Voor gebruikers van de BLM die toch informatie willen op een lager geografisch schaalniveau, zijn de provinciale uitkomsten vertaald naar COROP-gebieden (globaal karakter).
Hoofdstuk 2: Het algemene beeld
In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de toekomstige ruimtebehoefte op bedrijfslocaties in Nederland. Deze zijn in 1996 door het CPB opgesteld.
§2.5. Confrontatie van ruimtevraag en ruimteaanbod
Een confrontatie tussen vraag en aanbod kan twee soorten knelpunten aan het licht brengen: er kunnen tekorten dreigen en er kunnen overschotten dreigen. In een vrije markt voor bedrijfsgrond zal de uitgifteprijs op een ruim of krap aanbod reageren. Dit kan ertoe leiden dat de ruimtevraag verschuift, met als consequentie een geografische verschuiving van productie en werkgelegenheid. Meestal maken grondkosten echter een klein deel van de bedrijfskosten uit en over de reacties van bedrijven op grondprijzen is weinig bekend. Een tekort aan ruimte kan leiden tot verzwakking economische groei en verlies werkgelegenheidsaanwas. Overschot ervan kan langdurige leegstand en renteverlies opleveren. 3 scenario’s:
Zie figuur 2.4. Regio’s in drie categorien in te delen:
Zeehaventerreinen:
Kantoorlocaties:
Voorafgaande confrontatie van vraag en aanbod vormt een momentopname. In alle regio’s zijn nieuwe plannen in ontwikkeling die niet bij de inventarisatie zijn opgenomen.
§3.6. Utrecht
De bruto toegevoegde waarde is in Utrecht tussen 1980 en 1995 verdubbeld en is daarmee aanzienlijk meer gegroeid dan elders in Nl. Dit had gunstige gevolgen voor de werkgelegenheid. Ze nam toe met 150.000 personen, waarvan de helft in zakelijke diensten.
Deze gunstige ontwikkeling had te maken met de sectorstructuur van Utrecht. Al in 1980 week het bedrijfstakkenprofiel af van andere provincies door het lage aandeel in de sectoren industrie en landbouw en het hoge aandeel in de zakelijke dienstverlening, overheid en kwartaire diensten. Door deze betere uitgangssituatie 2x zoveel groei werkgelegenheid als Z-Holland en N-Holland. Betekenis van Utrecht voor nationale economie toegenomen. In alle drie de sectoren neemt het Utrechtese aandeel in nationale werkgelegenheid nog verder toe. Landbouw krijgt in Utrecht forse klappen door: nationale ongunstige ontwikkeling en doordat landbouw het slechter doet dan in meeste andere regio’s.
Aanvang 1997 is in de provincie ruim 1800 hectare op bedrijventerreinen uitgegeven. Daarnaast 1.100.000 m2 in gebruik voor formele kantoorlocaties. (dit is echter onderschatting) Utrecht verschilt van andere regio’s door het grote aandeel werkgelegenheid op kantoorlocaties. (zelfs zakelijke diensten bevinden zich hier meer dan evenredig) Industrieterreinen spelen in Utrecht een kleine rol. Alleen voor bedrijfstakken als het openbaar nut, dienstverlening in vervoer, reiswezen en op- en overslag belangrijk. De vraag naar bedrijventerreinen neemt in Utrecht toe met ruim 400 hectare in DE en tot 700 hectare in de GC in de periode 1995-2010. Het is niet zozeer de snel groeiende dienstensector als wel de groothandel die de grootste ruimtevraag uitoefent. De toename van de vraag naar kantoorlocaties is tot 2010 ruim 1.400.000 m2 bruto vloeroppervlak in DE en ongeveer 1.700.000 m2 bvo in GV. Deze vraag komt voor uit de groei van de zakelijke diensten.
Om aan de vraag naar bedrijventerreinen te voldoen was er in de provincie op 1 januari ongeveer 100 hectare beschikbaar (60% in stadregio). Tot 2005 zit er nog 250 hectare in de planning. Meer dan de helft hiervan komt terecht op 1 terrein, namelijk de Leidsche Rijn. In het gevraagde areaal aan industrieterreinen lijkt niet expliciet voorzien te worden, zodat hier wel een knelpunt kan ontstaan. Toekomstige formele kantoorlocaties: Leidsche Rijn en Utrecht Centrum Project (UCP). Er is rekening mee gehouden dat de helft van deze locaties formele kantoorlocaties worden. Als daar geen rekening mee gehouden wordt, is het aanbod kantoorlocaties onvoldoende om aan de vraag te voldoen, zelfs voor het laagste scenario.