The Global energy system

 

Zonne-energie is de drijvende kracht achter wind, golven, rivieren en oceaanstroming. De energiebalans van de aarde is het onderwerp van dit hoofdstuk.

 

Elektromagnetische straling

 

Verschil in golflengte (um) bepaalt warmte en licht. Stralingsenergie kan bij iedere golflengte voorkomen. 2 principes:

  1. hoe warmer object, hoe kortgolviger de straling
  2. Warme objecten stralen meer energie uir dan koude. Energie gerelateerd aan absolute warmte is een vierde machtsfunctie (dubbele temperatuur> stralingsenergie 16 keer zo hoog)

Zonneenergie

Slechts een heel klein deel van de zonneenergie komt op de aarde terecht.

4 soorten energie uitgezonden door zon, gebaseerd op golflengte (fig 2.2: vlnr):

  1. Ultraviolette straling: lage golflengte, veel energie, vrijwel geheel geabsorbeerd in atmosfeer.
  2. zichtbaar licht, ook kleur bepaald door golflengte, groot deel van het zichtbare licht bereikt aarde
  3. kortgolvige infrarode straling, niet zichtbaar, samen met ultraviolet zichtbaar licht: kortgolvige straling.
  4. thermische infrarode straling: langgolvig:warmte

Linkse blauwe lijn intensiteit binnenkomende straling (energie) uitgezonden door zon. Zie ook percentages beneden. De hoeveelheid zonnestraling die op aarde neerkomt mag als constante worden beschouwt: de zonneconstante (= 1400 W/m2-de in de dampkring verloren energie erbij gerekend).

Langgolvige straling van de aarde

Zie twee basisprincipes boven: aarde kouder dan zon dus aarde zendt langgolvige straling uit met relatief weinig energie (rode lijn, fig 2.2) met drie pieken bij 5, 10 en 20 um. De andere golflengten worden grotendeels geabsorbeerd door de atmosfeer.

Globale stralingsbalans

Zon straalt vrijwel constante hoeveelheid straling uit, deel weerkaatst, ander deel geabsorbeerd > opwarming aarde. Aarde straalt ook (langgolvige) straling uit: matiging temperatuur. Balans gelijk: evenveel energie in dan uit: temp op aarde blijft (ongeveer) gelijk.

Insolatie over de wereld

Insolation: incoming solar radiation.

Insolatie wereld als geheel blijft ongeveer gelijk, maar verschilt per plaats en per tijdstip, afhankelijk van hoek van straling met aarde. (fig 2.5) Dagelijkse straling afhankelijk van hoek en duur. Hoek afhankelijk van breedte locatie, moment van de dag en tijd van het jaar.

Weg van de zon in de lucht

Zie H1 en fig 2.6

Seizoenspatroon van dagelijkse insolatie is afhankelijk van breedtegraad (fig 2.7), dit veroorzaakt klimaat seizoenen. Nergens op aarde is insolatie gelijk door het jaar.

Figuur 2.8 rode lijn: werkelijk. Blauwe lijn: als as aarde niet zou hellen tov zon.

 

Breedtezones

Seizoenspatroon van insolatie is de basis van de indeling van de wereld in breedtezones (fig 2.9) Grenzen niet absoluut bindend.

 

Samenstelling van de atmosfeer

Atmosfeer bestaat uit lucht tot vele kilometers hoogte en wordt bij elkaar gehouden door zwaartekracht. 97%  van de atmosfeer bevindt zich binnen 30 kilometer van het aardoppervlak. Tot 80 kilometer hoogte samenstelling atmosfeer vrijwel gelijk: 78% stikstof (N2), 21% zuurstof (O2), 1% rest waaronder 0,033 % CO2, CO2 kan straling terugkaatsen en is belangrijk voor fotosynthese van planten.

Ozon in de hogere atmosfeer

Ozon (O3) komt vooral voor in de hogere delen van de atmosfeer (14-50 km), de stratosfeer. Ozon absorbeert ultraviolette gevaarlijke straling van de zon. In deze stratosfeer vormen de O atomen steeds nieuwe samenstellingen (O, O2, O3), bij iedere transformatie wordt ultraviolette straling opgenomen.

Bedreigingen van de ozonlaag

Als CFK’s in de atmosfeer vrijkomen veranderen ze in grote getale (kettingreactie) ozon moleculen in gewone O-molekculen, zodat er geen transformaties tussen O, O2 en O3 meer kunnen plaatsvinden. Gevolg: “gat” in ozonlaag. Gevolgen onder andere een toename van huidkanker. Niet alleen door mens veroorzaakt, er is ook niet altijd een directe relatie.

 

Merkbare warmte en “verborgen warmte transfer”

Twee andere manieren naast straling om energie te transporteren zijn:

 

The global energy system

Insolatie verlies in de atmosfeer

Niet alle straling bereikt aarde. Figuur 2.13 geeft aan dat een deel van de straling wordt verstrooit en een deel geabsorbeerd. Eventuele bewolking bepaalt mede deze hoeveelheden.

Albedo (weerkaatsingsvermogen)

Dit wkvm bepaalt hoe snel iets opwarmt door zonnestralen. Hoge albedo (sneeuw, ijs: 45-85 %) warmt snel op. Gemiddelde albedo op aarde inclusief terugkaatsing en absorptie door bewolking is 29 tot 34 %.

 

Counterradiation

Zie figuur 2.15 > door atmosfeer  wordt de langgolvige straling die de aarde uitzend gedeeltelijk teruggekaatst, waardoor de temperatuur op aarde hoger is dan verwacht.

 

 

Global energy Budgets

Zie figuur 2.15 conclusie: zonder atmosfeer en dus broeikaseffect was temperatuur aarde onder vriespunt.

 

Netto straling, breedte & energie balans

Energie in en uit als geheel over aarde in balans, maar niet over tijd en plaats. ‘s nachts geen instroom wel uitstroom. Figuur 2.16 laat zien dat  straling/energie ook met breedtegraad verschilt, tussen 40 graden NB en 40 graden ZB is er een surplus aan energie. Op andere gebieden een tekort. (dus uitgaande langgolvige straling overtreft inkomende kortgolvige). Er moet dus energie van het gebied met een surplus naar het gebied met een tekort. Dit gebeurt dmv:

  1. warme oceaanstromen poolwaarts
  2. warme windstromen poolwaarts

 

Hosted by www.Geocities.ws

1