Algemeen: gebied met intensieve veeteelt op de zware kleigrond in het lage zuiden en akkerbouw op de hogere lichte zeekleigronden langs de huidige kust. Verder een weids en open landschap met markante inrichtingselementen als terpen, dijken en onregelmatige blokverkaveling.
In het Holoceen is door de zee klei en zand afgezet. Door de
binnendringende zee (stijgende zeespiegel) ontstonden moerassen, waarin veen
werd gevormd.
Eerste bewoners van dit gebied (6e eeuw voor Chr.) leefden
van landbouw, visserij en jacht. Om zich te beschermen tegen dreigende
overstromingen werden woonplaatsen verhoogd door mest en huisafval, waardoor
langzamerhand terpen of wierden ontstonden. De oudste terpen dateren uit de 4e
eeuw voor Chr. In de loop der tijd zijn nieuwe terpen ontstaan en bestaande
terpen opgehoogd. Met het opkomen van dijkbouw vanaf 1000 na Chr. werden terpen
overbodig. Het zicht op oude terpen wordt tegenwoordig belemmerd door de met de
grote bevolkingsgroei samenhangende nieuwbouwwijken uit de 20e eeuw.
In de Romeinse tijd al profiteerden de Friezen van hun gunstige ligging
(belangrijke vaarroutes) en gingen handelen. In de Middeleeuwen waren de
Friezen bekend door hun ‘lange afstandhandel’, waarbij kostbare producten over
lange afstand werden verscheept. Echte grote centrale handelsplaatsen heeft het
gebied niet gehad, of het moeten Oldeboorn, Leeuwarden, Winsum en Appingedam
zijn, allen herkenbaar aan hun langwerpige vorm om/aan een rivier of kreek. De
Friese handel dreef o.m. op van elders aangevoerde producten, maar zelf
exporteerde men vooral producten afkomstig uit de veeteelt (wol, zuivel) en ook
vis en huiden. Met de bedijkingen nam de akkerbouw toe t.k.v. de veeteelt,
hetgeen resulteerde in veel gemengde bedrijven. Vanaf 1840 tot aan het eind van
WO II werden veel terpen commercieel afgegraven vanwege de hoge vruchtbaarheid
van de terpaarde en het gebrek aan (kunst)mest. Voor het vervoer hiervan werden
veel nog altijd aanwezige vaarten uitgegraven.
Eind 7e eeuw bereikten Angelsaksische missionarissen het
noordelijk zeekleigebied en zorgden ervoor dat geheel Groningen en Friesland
enkele eeuwen later gekerstend waren. Elk dorp kreeg een kerk midden op de terp
en ook werd vanaf eind 12e eeuw een groot aantal kloosters gesticht.
Door hun omvangrijke grondbezit hadden deze veel economische en politieke
invloed.
Met de totstandkoming van de doorgaande zeedijken werd overtollig
regenwater naar zee afgevoerd via sluizen. Molenbemaling is hier en daar slecht
op kleine schaal toegepast. Afwatering en dijkonderhoud kwamen onder toezicht
van de waterschappen, ontstaan op initiatief van lokale bewoners. Vanaf de 13e
eeuw kwamen nieuwe zeekleipolders tot stand t.g.v. inpolderen van stukken land
aan de zeekant van de dijken, hetgeen nog altijd gebeurt.
Door rationalisering en intensivering van de landbouw en de daarmee gepaard gaande ruilverkaveling en landinrichting zijn veel historisch-landschappelijke elementen verloren gegaan. Een nieuwe bedreiging van voor het landschap is de natuurontwikkeling.