Een landschap vol steden pp. 142-162
De steden in Nederland zijn in vergelijking met die in de ons omringende landen relatief jong te noemen. De meeste kregen pas na 1300 enige omvang. Groei van steden ging in ons land heel snel, rond 1500 was het percentage stedelingen in vergelijking met andere landen al zeer hoog. Na 1500 zijn er nog maar weinig nieuwe steden bijgekomen.
De meeste steden zijn na hun eerste ontwikkelingsfase verder uitgegroeid en aangepast aan gewijzigde omstandigheden.Toch zijn vrijwel nergens de laatmiddeleeuwse sporen volledig uitgewist (denk maar aan de excursie naar Maastricht).
De welvaart van veel steden was veelal gebaseerd op de rol die ze speelden als verzorgingscentrum voor het omringende gebied. Boeren brachten hun waren naar de markt en kochten de spullen die ze nodig hadden. De stad als centrale plaats kon echter ook een bestuurlijke of religieuze karakter hebben. In de stad werden soms ook goederen vervaardigd en/of verhandeld waar vraag naar was in gebieden die op grote afstand gelegen waren (internationale handelsroutes). De mate waarin steden erin slaagden niet-agrarische activiteiten binnen haar territorium ‘vast’ te houden bepaalden vaak ook het ‘succes’ of ‘falen’ van een stad.
De steden tot 1500
In de 12de eeuw waren in ons land slechts enkele steden. In de schaduw van een burcht, koninklijk hof of een bisschoppelijke residentie concentreerde zich daar een aantal niet-agrarische activiteiten. Ze waren door een omwalling afgesloten van de buitenwereld.
Nederland was in die tijd een doorvoergebied voor handelsproducten tussen Noord-Europese brandpunten van economische activiteiten (Vlaanderen, Engeland, de Rijnstreek en de landen rondom de Oostzee). Langs deze routes kwamen nederzettingen langzaamaan tot ontwikkeling. Een goed voorbeeld hiervan is de handelsnederzetting Dorestad (werd ook in de colleges genoemd). Vaak waren deze plaatsen erg afhankelijk van de handel en wanneer dan ook zo’n handelsroute verschoof, kon het zijn dat deze plaatsen van de kaart verdwenen.
In de 13de eeuw veranderde er veel. Er kwamen grote koggeschepen die 100 ton konden vervoeren. Er waren nu voorhavens nodig, omdat deze zware schepen niet ver het binnenland in konden komen. Langs de Zuiderzee en IJssel kwamen nu verschillende steden tot bloei (bv. Kampen). Een aantal van deze steden was lid van de Hanzeorganisatie.
In de 14de eeuw kwamen de meeste Hollandse steden op dankzij de groei van de aldaar gevestigde nijverheid tot exportindustrie. Hollanders werden transporteur en namen ook steeds actiever deel aan de handel. Steden als Amsterdam en Rotterdam (overslaghavens) groeide snel.
In de 15de eeuw kwamen tal van stadjes tot ontwikkeling waarvan de rol beperkt bleef tot het verzorgingsgebied van het omringende plaatsje. Deze bleven meestal klein omdat ze de verbinding met de internationale handel misten.
Vele nederzettingen waren in het begin nog geen stad te noemen. Een aantal werd in de loop van de tijd geholpen door de landsheer die hen stadsrechten verleende. Daarmee werd een juridisch klimaat geschapen die de ontwikkeling van niet-agrarische activiteiten vergemakkelijkte. Steeds meer nederzettingen verworven stadsrechten, simpelweg omdat zowel de landsheer als de stad hier voordeel aan hadden. De scheiding tussen stad en platteland werd steeds groter. De stad ging steeds meer overheersen over het buitengebied (platteland), dit ondermeer om zo veel mogelijk belastinggeld binnen te halen. Er kwamen ook officieel erkende stapelmarkten. Daarmee werden omliggende boeren verplicht om hun goederen op de markt van de desbetreffende stad te brengen. Nederland was rond 1500 een stedenland geworden.
Stadsplattegronden in de Late Middeleeuwen
De stedelingen trachtten de hen ter beschikking staande ruimte zo goed mogelijk in te richten. Daarbij hadden ze altijd rekening te houden met de lokale terreinomstandigheden en vaak ook met een al bestaande infrastructuur en bebouwing.
Steden zijn vaak aan vaste elementen te herkennen op de stadsplattegrond:
Toch is ondanks bovenstaande punten toch een zekere orde in het gebruik van de stedelijke ruimte zichtbaar. In veel steden treft men in het midden een grote markt aan, rondom die markt waren veelal publieke gebouwen geconcentreerd, zoals het stadhuis en de hoofdkerk. Aan de markt woonden ook de welvarende stadsbewoners. Kort hierachter woonden de minder welgestelde. In handelssteden woonden deze welgestelde stadsbewoners niet zozeer aan de markt, maar meer aan de handelskade. Grote gedeelten van de stad werden ingenomen door kerkcomplexen.
Tot de 14de eeuw trof met behalve een aantal publieke gebouwen weinig stenen gebouwen aan. Verder waren activiteiten binnen de stad waren meestal in zekere mate gezoneerd. Stadsvergrotingen zijn in het stadsplan goed te herkennen. Soms werden min of meer spontaan groeiende buitenwijken bij de stad getrokken.
De stad in de nieuwe tijd
Bloei van de stapelmarkt
De ontdekking van de ‘Nieuwe Wereld’, van nieuwe handelsgebieden en handelsroutes via de oceaan, had o.a. tot gevolg dat in de 16de eeuw het zwaartepunt van de internationale handel meer en meer naar de steden in het kustgebied verschoof. Amsterdam ontwikkelde zich tot het economisch centrum van de westerse wereld. Heel laag Nederland deed het erg goed in deze tijd. Amsterdam ontpopte zich als wereldstapelmarkt voor een keur aan producten. Naast opslag werd ook bewerking van grondstoffen steeds belangrijker voor Nederland. De Hollandse steden die al langer waren ingeschakeld in de internationale handel profiteerden mee, hetzij als leverancier van nijverheidsproducten, hetzij d.m.v. handelsactiviteiten.
De tegenstelling tussen stad en platteland werd steeds minder. De stad had het platteland steeds meer nodig voor het functioneren van de stapelmarkt. Ondermeer voor voedselproductie en als exploitatiegebied van energie- en grondstoffen (turf). Het platteland was onder rijke kooplieden ontdekt als ideale buitenplaats, buiten de stinkende stad! Met de landbouw ging het zelf ook goed, de opbrengsten en de vraag naar agrarische producten nam toe.
Verval van de stapelmarkt
Aan het einde van de 17de eeuw begon het netwerk dat was opgebouwd rond de Amsterdamse stapelmarkt een aantal barsten te vertonen. De nijverheid in Frankrijk en Engeland zorgde voor sterke concurrentie voor de Nederlandse bedrijven. Arbeidsintensieve delen van het productieproces werd verplaats naar lage loongebieden, zoals Brabant en Twente, dit had weinig nut. Kapitaalintensieve activiteiten wisten zich veel beter te handhaven. Deze waren vooral in A’dam en R’dam geconcentreerd. De veranderingen in de internationale handelsrelaties had dus een zeer diverse uitwerking op de steden in laag-Nederland. Door de industrialisatie herstelde de landbouw, die het in het begin van deze 17de eeuw ook moeilijk had, zich wel weer na 1750. Er is hier sprake van een zogeheten proto-industrialisatie.
Stadsplattegronden
Ook in deze periode is er een bepaalde orde in het stedelijk voorkomen en in de ruimtelijke rangschikking van functies.
Door de ontwikkelingen in het wapentuig en de dreigingen van de 80-jarige oorlog hadden tot gevolg dat in veel steden de stenen ommuring werd vervangen door complexe, grotendeels aarden vestigingwerken. Kleine plaatsjes zonder bescherming, werden ook versterkt. Verder trad in de steden steeds meer verstening op. Brandgevaar en de groei van het inwonertal (zorgde voor hoogbouw en verdichting) zorgde ervoor dat houten huizen steeds meer verdwenen. Tussen 1580 eb 1670 werd een aantal steden aanzienlijk uitgebreid. Dit kwam door de bevolkingsgroei, maar een belangrijk motief was ook de onstabiele politieke situatie, die steden ertoe bracht havens en scheepswerven binnen de omwalling op te nemen. Vestigingsbouwkundige overwegingen (maken van een omwalling) speelde sowieso een belangrijke rol bij stadsuitbreiding. De 17de eeuwse steden waren in sociaal opzicht veel minder gemengd dan de laatmiddeleeuwse stadsdelen. Er was een duidelijk verschil tussen arm en rijk, vooral in de handelssteden was dit verschil zeer groot. Aan het einde van de 17de eeuw stagneerde de ruimtelijke ontwikkelingen ook in de meeste steden in West-Nederland. Jonge stadsuitbreidingen liepen lang niet altijd vol en vaak was dan ook de slopershamer te horen!
De steden na 1800
Ontwikkeling
De ineenstorting van de internationale stapelmarkt door het Continentale Stelsel in de Franse tijd had verstrekkende gevolgen voor de steden die het van de handel over zee moesten hebben. Ook Amsterdam moest er aan geloven. Binnen enkele decennia raakten de stad ruim 30.000 inwoners kwijt. Dit herstel werd grotendeels goedgemaakt rond 1850, bij de introductie van de nieuwe eenheidsstaat, Koninkrijk der Nederlanden. Gouden tijden van de internationale stapelmarkt keerden echter niet automatisch terug. In het nieuwe Europa beperkte het handelsgebied van het Koninkrijk zich noodgedwongen voornamelijk tot de koloniën. Scheepsbouw en nijverheid konden niet meer concurreren met de soms superieure producten uit het buitenland. In Nederland was een slecht geïntegreerd transportnetwerk aanwezig, dit zorgde ervoor dat vele regionale of lokale specialisaties voor de nationale markt zeer werden bemoeilijkt.
Met de landbouw ging het wel goed. Er werd zelfs geproduceerd voor het buitenland. De overheid deed er veel aan om de positie van de stad als verzorgingskern te verbeteren. Ondermeer door het toekennen van de titel provinciale hoofdstad aan steden.
In het begin van de 19de eeuw groeiden de meeste steden, de bevolking op het platteland nam echter sneller toe, zodat het percentage inwoners in de steden afnam. Aan het einde van de 19de eeuw komt de groei van steden in een stroomversnelling. Dit kwam door verbeteringen van de infrastructuur, de industrialisatie van een aantal historische en nieuwe steden (door aanknoping van de huisnijverheid van het platteland of bv. de ontwikkeling van de mijnbouw in Z-Limburg). De groei van de steden kwam echter vooral door de crisis in de landbouw aan het einde van de 19de eeuw. De drie grote steden in het westen van het land (A’dam, R’dam, Den Haag) toonden de grootste groeicijfers.
Stadsplattegronden
In de 19de eeuw raakte de rol van de stadswal als verdedigingswal uitgespeeld. Echter tot na 1850 bleef wel de fiscale functie van de stadswal gehandhaafd, waardoor er slechts enkele doorlaatposten waren. Aan de rand van de stad werd een spoorlijn aangelegd en station gebouwd. Aan de achterzijde van het station, of nabij havens en kanalen kwamen grootschalige fabrieken, maar ook in de binnenstad nam de industriële bedrijvigheid toe. Rondom de concentraties van bedrijven werden ook grootschalige complexen arbeiderswoningen neergezet. Op de meer aantrekkelijke plaatsen verrezen villawijken. Later kwamen ook de forensenplaatsen voor de middengroepen. De binnenstad werd steeds minder aantrekkelijk als woongebied mede door de slechte woonkwaliteit. Ook winkels en warenhuizen hadden steeds meer plek nodig. De toegankelijkheid van de binnenstad werd verbeterd door de demping van grachten (ook voor meer hygiëne) en realisatie van doorbraken. Sommige van deze processen werden na de Tweede Wereldoorlog versterkt.
Voorbeelden aan het einde van dit hoofstuk: "Enkhuizen" en "De binnenstad van Enschede"
Veel succes met het tentamen!