Samenvatting bundel Cox; hoofdstuk 8; door Colijn
Wakkee
Communication networks:
patterns, forces and effects
Introductie
Netwerk kan bestaan uit:
1.
routes (autoweg, spoorweg, zeevaart)
2.
communicatie (telefoon, internet)
Netwerken hebben krachtige effecten op andere locationele patronen.
Beschrijving van 4 netwerken
…nl.:
1. Network deviousness (routes niet rechtlijnig)
Routefactor = afstandwerkelijk / afstandhemelsbreed.
Zo laag mogelijk is het meest efficiënt
Hoe lager (minimum = 1) de routefactor tussen 2 punten, des te sterker
is de onderlinge relatie
Van belang bij routefactor:
1.
grootte van steden (grote steden à routefactor laag)
2.
fysische barrières (bergachtig gebied à routefactor hoog)
3.
landverdeling (grote kavels à routefactor hoog)
2. Network density (lengte van routes per
oppervlakte-eenheid)
Afhankelijk van:
1.
transportvorm (snelwegen veel hogere dichtheid dan spoorwegen)
2.
schaalniveau (in de stad hoger en op het platteland lager dan in het
hele land)
Op landelijk niveau afhankelijk van:
1.
economische ontwikkeling (goed ontwikkeld à hoge netwerkdichtheid)
2.
bevolkingsdichtheid (hoge bevolkingsdichtheid à hoge netwerkdichtheid)
3.
politieke redenen (arm land met koloniaal verleden à rel. hoge netwerkdichtheid)
4.
grootte land (groot land maakt exclusieve bewegingen (bijv. luchtvaart)
mogelijk)
Op lokaal niveau (steden) afhankelijk van:
1.
bevolkingsdichtheid (hoge bevolkingsdichtheid à hoge netwerkdichtheid)
2.
grondprijzen (hoge grondprijs à veel hoogbouw à hoge
netwerkdichtheid)
3. Network connectivity (mate van efficiëntie verbindingen)
Onderverdeling in
1.
circuit network (gesloten)
meer dan 1 ingesloten (hier grijs) gebied
= ‘meerdere wegen die naar Rome leiden’
2.
branching network (open)
geen ingesloten gebied
= ‘van A naar B slechts via 1 route mogelijk’
Connectivity: hoeveelheid links vanuit ieder punt, maximum = totaal
aantal punten – 1
Beta-index = aantal links / aantal plaatsen. Zo hoog mogelijk is het
meest efficiënt
Topological distance: afstand = minimaal aantal af te leggen links om
van A naar B te gaan
4. Hierarchical organization (verschillen in kwaliteit
netwerk)
Hoe hoger de hiërarchische rang van een route, des te…
1.
…kleiner het aantal van soortgelijke routes
2.
…groter de capaciteit
3.
…groter de afstand van het ene punt naar het andere
4.
…groter het verzorgingsgebied
Locationele krachten in netwerk constructie
1. Economisch:
Desire line = rechte lijn tussen 2 punten die dikker is naar mate de
intensiteit hoger is
Merging of flows = meer dan 1 route over 1 lijn

1.
Treshold demand (= drempelwaarde)
= Minimaal aantal benodige gebruikers voor rendabiliteit route
Afhankelijk van:
1.
grootte steden (grote steden à drempelwaarde wordt eerder gehaald)
2.
economische ontwikkeling (goede economie à drempelwaarde wordt eerder
gehaald)
2.
Kosten/baten-analyse
1.
Route tussen twee plaatsen:
1.
vergelijken vervoersmiddel
2.
vergelijken routes
Koststructuur = fixed costs (aanlegkosten) /
running costs (gebruikskosten)
Hoe hoger de koststructuur, des te groter de
voorkeur voor vervoer met lage aanlegkosten
vb. Kanaal
(hoge koststructuur) maakt omweg vanwege tussenliggend gebergte
Spoorweg (lage
koststructuur) gaat in een rechte lijn door het gebergte heen
Verandering door tijd: koststructuur is hoger
geworden, dus meer directe verbindingen
Verschillen tussen locaties: in Africa rel.
hoge routefactor door gebrek aan interactie
2. Route tussen drie of meer plaatsen:
1.
vergelijken vervoersmiddel
2.
vergelijken routes
3.
least-cost-to-…
1.
least-cost-to-builder (zo weinig mogelijk aanleg à eenvoudig ‘branching
network’ met veel ‘merging of flows’)
minimaal aantal links = aantal plaatsen – 1
2.
least-cost-to-user (zo weinig mogelijk afstand afleggen als gebruiker à complex ‘circuit network’)
met veel directe verbindingen
maximaal aantal links = aantal plaatsen • (aantal
plaatsen + 1) / 2
Bij groeiende economie à meer behoefte aan
mobiliteit à meer gebruik maken
van least-cost-to-user netwerken
2.
verschillen in kosten en baten (zie
figuur 8-16!!)
Keuze hoe de routes worden aangelegd =
afhankelijk van:
1.
kosten
2.
inkomsten
3.
‘environmental issues’ (milieubewegingen zijn tegen complex netwerk)
2. Politiek:
Politieke invloed op routes door:
1.
aanleg met overheidsgeld of door middel van subsidies
2.
organisatie openbaar vervoer-netwerk
3.
zeggenschap over locatie routes binnen eigen grenzen
Locationele aanduidingen van communicatie-netwerken
Accessability
(toegankelijkheid) van plaats t.o.v. andere plaats hangt af van:
1.
of er een route beschikbaar is
2.
hoe hoog de ‘movement costs’ zijn via deze route
Twee rekeneenheden met betrekking tot accessability:
1.
network accessability
à bereken vanuit het punt de som van de afstanden tot alle andere
punten. Het punt waarbij die som het laagst is, is het best toegankelijk
2.
population potential
à Vi = Pi / dij + S (Pj / dij)
Vi = population
potential
Pi = bevolking in
punt i
Pj = bevolking in
punt j
dij = afstand
tussen punten i en j (als punt i = punt j dan dij = 1 i.p.v. 0)
hoe hoger het population potential, des te
gunstiger voor een bedrijf is vestiging daar
Accessability als oorzaak
van locationele patronen
à Slecht
toegankelijke zones zijn vaak traditioneel en hebben economische achterstand
Onderlinge relaties tussen
accessability en locationele patronen
à Maar ook;
economische achterstand staat investeringen in infrastructuur in de weg
Dus: wederzijdse relatie (kip-ei-vraagstuk: wie was er eerder?)
Als infrastructuur verbetert dan ontwikkelt de economie zich sterker en
vice versa.
Initial advantage: hoe centraler een plaats in het netwerk ligt, des te
sterker het aantal interacties vanuit die plaats toeneemt, des te sneller
groeit de stad (voor bedrijven, die mensen aantrekken, is vestiging in een
centrale plaats gunstig) en breidt de infrastructuur zich uit
Initial advantage door cumulatieve causatie-effect
Er ontstaat een differential quality of links: gevarieerde kwaliteit
van het vervoersnetwerk
Ook oorzaak voor initial advantage is ‘economics of transportation
innovations’
Selectieve
netwerk-verbetering (transport innovaties en mainports)
Hub-and-spoke-system (geldt voor luchtvaart en ook voor zeevaart)
Hub = mainport = knooppunt in het netwerk
Voorbeeld: Drie losse vlieglijnen van Praag naar Casablanca, van
Warschau naar Casablanca en van Frankfurt naar Casablanca zijn onrendabel.
Alleen als passagiers van Praag en Warschau verzamelen in Frankfurt en van
daaruit naar Casablanca vliegen, is de lijn rendabel. In dit geval is Frankfurt
‘hub’ en zijn Praag en Warschau ‘spokes’.
Diseconomies: door hub-and-spoke meer last van congestie en vertraging
Land-bridge-operations: vervoer op continentaal niveau over land
(Transsiberian Express)
Aanduidingen van selectieve
netwerk-verbeteringen
1.
hoe langer een verbinding bestaat, hoe kleiner de kans dat die
verdwijnt, ook bij nieuwe transportmiddelen (van kanaal- naar railverbinding)
2.
verplaatsingspatronen door de tijd heen veranderen niet veel
3.
verbindingen met locaties met veel inwoners en economische activiteiten
worden versterkt (leidt tot spacially unbalanced growth: centrale plaats groeit
steeds verder boven rest uit, terwijl decentralisatie moeilijk tot stand te
brengen is)
Ongebalanceerde groei en time-space-map
Time-space-convergence: relatieve afstand wordt kleiner door
transportinnovaties
Time-space-divergence: duidt aan dat time-space-convergence selectief
is (in kaart gebracht krijg je rare vormen, zie bundel blz. 824)