Samenvatting hoofdstuk 11; bundel Cox ® J. Gijtenbeek
Een van de meest belangrijke economische activiteiten is het fabricatieproces. Hierbij wordt economische waarde aan materialen toegevoegd door gebruik te maken van kapitaal, arbeid en andere inputs. Het nut van de bestudering van de locatie van fabrieken is het begrijpen van waarom fabrieken zich op een bepaalde locatie vestigen ® het analyseren van het locationele patroon van fabrieken. Veel plaatsen nemen voor- en nadelen met zich mee bij de situering van een specifiek soort fabriek op één van die plaatsen. De kernvraag die dit gegeven oproept is dan ook: “Waar baseert de desbetreffende fabriek zijn keuze op en hoe laat hij alle factoren meewegen om zo tot de meest geschikte locatie voor de vestiging van zijn fabriek te komen?”.
Dit locationele probleem wordt er alleen maar gecompliceerder op door veranderingen die in de loop der tijd optreden. Locationele voordelen veranderen namelijk vaak op onvoorspelbare manieren. In hoge mate worden fabrieksvestigings-beslissingen dan ook op grond van vele onzekerheden gemaakt.
De productiefactoren:
1. Land. De productiefactor land speelt bij de industrie een niet zo belangrijke rol dit in tegenstelling tot de landbouw waar het wel een factor van grote betekenis is. In economisch opzicht kan met het begrip land verwezen worden naar de natuur, die grondstoffen en energie inputs bevat. Deze grondstoffen zijn overigens ongelijk verdeeld over het landoppervlak en verschillen ruimtelijk qua kwaliteit en kwantiteit.
2.
Kapitaal. Het fysieke kapitaal, in de
vorm van investeringen in fabrieken of uitrustingen, is een erg immobiele
factor, wanneer het eenmaal op zijn plaats is gezet. Dit fysieke kapitaal is
overigens één van de factoren van industriële
inertie ® de neiging van een industrie om toch op
dezelfde locatie te blijven functioneren, ondanks het feit dat de belangrijkste
factor, die de fabriek ertoe heeft gebracht om zich daar te situeren, zijn
waarde heeft verloren. Het monetaire kapitaal daarentegen wordt als meer mobiel
beschouwd, alhoewel er obstakels kunnen optreden bij hun verplaatsing.
3. Management. De kracht van het management is: het combineren van verscheidene inputs
om zo het goed
succesvol te kunnen produceren en te verkopen.
Het aanpassingsvermogen van firma’s aan de veranderende omstandigheden bepaalt voor een groot deel de continuïteit van het bedrijf. Continuïteit ® het voort kunnen blijven bestaan van een bepaald bedrijf. Deze aanpassing leidt vaak tot vervanging bij allerlei activiteiten of processen zowel binnen als buiten het bedrijf:
- substitutie bij de inputs;
- substitutie bij kapitaal en arbeid;
- substitutie bij de transport;
- substitutie bij de zogenaamde “economies of scale”;
- substitutie bij de outputs.
]Daarnaast kan men zoeken naar flexibele productiesystemen en economies of scope.
Economies of scope ® wanneer een firma in totaal twee of meer verschillende gerelateerde producten goedkoper kan produceren dan wanneer de firma in zijn isolement zit, dan worden de interne besparingen economies of scope genoemd.
Gelokaliseerde economieën ® zijn kostenbesparingen die een bepaald soort firma op een bepaalde locatie maakt door de nabijheid van een een zelfde soort industrie, ten gevolge van de afhankelijkheid aan consumenten en toeleveranciers.
Geürbaniseerde economieën ® wijst naar alle firma’s die kostenbesparingen maken dankzij de grootschalige agglomeraties
Als een klassieke econoom gaat Weber uit van een perfect concurrerende markt, waarin grote aantallen producenten zijn ® volledige mededinging. De producenten kunnen, volgens Weber, de marktprijs van een bepaald goed niet beïnvloeden. Met vrije toegang tot de markt en een onbeperkte vraag worden de hoogste winsten op de plaatsen met de laagste kosten bereikt. Hij maakt een onderscheid tussen regionale en locale factoren.
Lokale
factoren ® agglomeratievoordelen
Hij ging bij zijn theorie uit van een aantal veronderstellingen:
1.
Zijn model wordt toegepast op een land, met een overeenkomstig klimaat,
technologisch en economisch systeem ® isotrope ruimte.
2.
Hij ging ervan uit dat een eindproduct op een bepaald moment naar de markt
vervoert zal worden.
3.
De grondstoffen zijn volgens Weber op bepaalde locaties gesitueerd.
4.
De factor arbeid is ongelijk verdeeld over de ruimte, maar het is
volgens Weberiaanse snit onbeperkt beschikbaar, op welke locatie dan ook.
5.
Transportkosten zijn een directe functie van het gewicht van het
vervoerde item en de vervoerde afstand.
Weber noemt grondstoffen geen onafhankelijke. Dit geeft des te meer aan hoe belangrijk grondstoffen in zijn theorie zijn.
Onderverdeling diverse soorten grondstoffen volgens Weberiaans concept:
1. Alomaanwezige materialen (ubiquiteiten): materialen die men overal kan aantreffen.
Bijv: zand en gravel.
2. Gelocaliseerde materialen: materialen die aan specifieke locaties gebonden zijn.
Bijv: petroleumvelden en vindplaatsen van bauxiet.
Weber maakt tevens een onderscheid tussen niet-gewicht verliezende materialen en gewicht verliezende materialen.
Webers locationele driehoek ® de industrie kiest de locatie met de minste kosten. Hierbij worden de
arbeids- en transportkosten in de beschouwing opgenomen. Daarbij erkent Weber
dat de agglomeratiefactor ook nog een afzonderlijke rol in dit proces hoort te
spelen. Daarnaast speelt ook het type grondstof (niet-gewichtsverliezend of
gewichtsverliezend) een belangrijke rol
bij “het vestigingsvraagstuk”.
Isotimen: een isotiem is een lijn die gelijke kostenpunten met elkaar verbindt. Deze kosten zijn de kosten die men moet maken om de grondstoffen die noodzakelijk zijn voor het product te kunnen vervoeren. Daarnaast vallen daar ook de transportkosten onder (voor het vervoeren van een productseenheid naar de markt).
Isodapanen: een isodapaan is een lijn die punten met gelijke transportkosten (per productseenheid) met elkaar verbind. Je kan deze kosten vinden door de isotimen op een bepaalde locatie bij elkaar op te tellen.
Kritische isodapanen: zijn lijnen waar de additionele totale transportkosten per eenheid product gelijk zijn aan de besparingen in arbeidskosten of productiekosten en dit bij vestiging op alternatieve locaties.