Ruimtelijke interactiemodellen II: Winkelplanning
Steffan
vd Berg, 9650164
In het kader van het plan ‘winkelend Utrecht in 2008’ wil de provincie inzicht krijgen in koopstromen binnen Utrecht tussen 1998 en 2008. Hierbij wordt gekeken naar veranderingen in de bevolkingsomvang en naar veranderingen in VVO. Het jaar 1998 wordt als ijkpunt genomen voor de prognoses voor het jaar 2008. Daarom zal eerst de situatie in 1998 bestudeerd worden om vervolgend de huidige lijn door te kunnen trekken naar 2008. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de veranderingen in bevolkingsomvang en veranderingen in VVO, zodat duidelijk is welk aspect het meest van invloed is op de situatie.
Verder wordt gekeken naar de
verschillen per gemeente. Welke gemeenten profiteren van de veranderingen en
welke juist niet?
Naast het afstemmen van vraag en
aanbod naar winkelvoorzieningen is een andere doelstelling van de overheid om
de bereikbaarheid te vergroten en de mobiliteit zo veel mogelijk te beperken.
Een zo laag mogelijke afstand tussen woon- en winkelplek is dus gewenst. Dit
kan worden bekeken aan de hand van de zogenaamde MTL. Hier wordt later
uitgebreid op teruggekomen.
Ruimtelijke interactiemodellen worden gebuikt om interactie tussen gebieden te analyseren en te kunnen voorspellen. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan woon-werkverkeer en consumentenverplaatsingen voor bepaalde winkels.
Ruimtelijke
interactiemodellen zijn gebaseerd op het zwaartekrachtmodel van Reilly (1925).
De relatie tussen wonen en werken in bepaalde regio’s wordt bepaald door een
aantal factoren. Deze factoren zijn terug te vinden in de op het
zwaartekrachtmodel gebaseerde formule.
Deze factoren zijn de
afstanden tussen de (kerngebieden van de) regio’s en de attractie van de
verschillende regio’s. Verder is er een correctie nodig om het aantal
verplaatsingen niet te laten afwijken van de werkelijkheid. Het moet namelijk
als een gesloten systeem beschouwd worden, wat wil zeggen dat verplaatsingen
van of naar regio’s buiten het onderzoeksgebied buiten beschouwing worden
gelaten.
Ook de afstand tussen de
gebieden kan niet zomaar in de op het zwaartekrachtmodel gebaseerde formule
verwerkt worden. De invloed van afstand is namelijk altijd een formule. Dit kan
zowel een machtsfunctie als een negatief exponentiele functie zijn. Hierbij
zijn van belang de afstandsfrictie (bčta) en de Mean Trip Lenght.
In dit verslag gaan we interactie stromen analyseren met behulp van Flowmap. Dit programma is speciaal ontwikkeld voor het visualiseren, analyseren en modelleren van interacties. De interactiestromen die hier geanalyseerd worden zijn de koopstromen voor de provincie Utrecht.
Allereerst zijn er berekeningen gemaakt met FlowMap. Hierbij is eerst gekeken naar de situatie in 1998 en zijn de koopstromen uit dit jaar berekend. Daarna is gekeken naar de situatie in 2008 en de vermoedelijke koopstromen in dat jaar.
Om een duidelijk onderscheid te kunnen maken tussen de veranderingen door bevolkingsgroei en de veranderingen als gevolg van VVO toe- of afname is er verder gekeken naar de vermoedelijke koopstromen in 2008 bij een gelijkblijvende bevolking en die bij een gelijkblijvende VVO.
Om de berekeningen uit te voeren, moet eerst worden vastgesteld welke methode gebruikt moet worden. We hebben hier te maken met een enkelvoudig beperkt model, namelijk een origin constrained model. Dit wil zeggen dat de bewoners van een bepaalde gemeente bekend zijn, maar dat niet bekend is waar zij, in dit geval, gaan winkelen (de destinations).
Een ander gegeven dat nodig is voor de berekeningen is de afstandsfrictie. Dit is echter niet direct een berekening, maar een schatting met behulp van de MTL (gemiddelde afstand tussen de woon- en winkelkernen). Met de geschatte bčta (afstandsfrictie) is namelijk de daarbij behorende MTL te berekenen. Bij een minimaal verschil met de werkelijke MTL in 1998 is dus de bčta bekend. Hiermee is ook de vermoedelijke Mean Trip Lenght voor 2008 uit te rekenen.
Verwachtingen
De gegevens voor 1998 zijn bekend en hiermee kan een prognose gemaakt worden voor het jaar 2008 zowel voor wat betreft bevolkingsontwikkelingen als voor ontwikkelingen in de verkoop-vloer-oppervlakte. De algemene trend is dat de bevolking is de meeste gemeenten toeneemt. Over het algemeen geldt de regel hoe stedelijker, hoe meer groei, ofwel hoe minder afname van de bevolking. Ditzelfde zou kunnen gelden voor de verkoop-vloer-oppervlakte. De laatste ontwikkelingen wijzen echter op een zekere mate van suburbanisatie van voorzieningen. Hoewel dit jarenlang is tegengehouden door de overheid, vestigen zich steeds meer bedrijven en daarmee ook winkels in gemeenten rondom de grote steden in plaats van in de centra van deze steden. Denk hierbij aan woon- en autoboulevards en de toenemende vraag naar hypermarkten. Voorspellingen voor 2008 voor wat betreft winkelvoorzieningen zijn dus erg onbetrouwbaar. Toch zijn er voorspellingen gedaan en met deze vermoedelijke VVO’s zijn berekeningen gemaakt. Dus naast Utrecht en Amersfoort zullen ook gemeenten als Nieuwegein, Houten, Maarssen en Vleuten/de Meern kunnen profiteren van de toekomstige ontwikkelingen. De vraag is alleen of ook de derde belangrijke factor, naast bevolkings-ontwikkelingen en VVO, positief zal uitvallen voor deze plaatsen. Hiermee wordt de attractiviteit van een gemeente voor, in dit geval, het winkelend publiek bedoelt. Attractiviteitsveranderingen zijn te berekenen met behulp van FlowMap. Hiervoor worden zowel de bevolkingsontwikkelingen, als de VVO, als de MTL, als de afstandfrictie gebruikt.
Waarschijnlijk wordt dus bij een groeiende VVO een gemeente aantrekkelijker als winkelgebied. Verder zal bij een sterkere concentratie van de bevolking de MTL afnemen. Dit zal hoogst waarschijnlijk het geval zijn door de verwachte sterke groei in de stedelijke gebieden.
Analyse
Kijkend naar de uitkomsten van de diverse berekeningen kunnen we de volgende dingen constateren. Allereerst heeft de vermoedelijke verandering in VVO meer invloed op de MTL dan de vermoedelijke bevolkingsontwikkelingen. Dit is merkwaardig, omdat juist een sterke bevolkingsgroei in het stedelijk gebied kan zorgen voor een lagere MTL.
Tabel 1: Mean Trip Length voor de verschillende mogelijke situaties.
|
Bevolking |
VVO |
Bčta |
MTL |
Verschil 1998 |
|
1998 |
1998 |
0.0273886 |
60.4 |
0.00 |
|
2008 |
2008 |
0.0273886 |
59.80 |
-0.60 |
|
1998 |
2008 |
0.0273886 |
58.98 |
-1.42 |
|
2008 |
1998 |
0.0273886 |
61.78 |
1.38 |
Als we per gemeente naar de
bevolkingsontwikkelingen kijken zien we dat de meeste kleine gemeenten
nauwelijks veranderen voor wat betreft inwoneraantal. Er zijn echter een aantal
grotere gemeenten die de aandacht trekken. Vooral Amersfoort groeit sterk, net
als Vleuten/de Meern, Houten, IJsselstein en Veenendaal. Verder groeien de wat
grotere gemeenten matig. Zeer opvallende is de vrij sterke afname van de bevolking
in Utrecht. Dit is onverwacht vanwege de hernieuwde belangstelling voor de stad
en de bouw van Leidsche Rijn die volop aan de gang is. Enige groei had dus
verwacht mogen worden. Blijkbaar is de natuurlijke groei van de stad, zodanig
negatief dat het deze ontwikkelingen te niet zal doen. Verder is het misschien
nuttig op te merken dat het een voorspelling is en dus niet waar hoeft te
zijn.

Figuur 1:
Voorspelde bevolkingsontwikkeling voor 2008
Naast bevolkingsontwikkelingen
wordt ook gekeken naar de veranderingen in de VVO van de verschillende
gemeenten in de provincie Utrecht. Attractiviteit wordt namelijk naast
nabijheid, MTL, ook in sterke mate bepaald door mogelijkheden en dus door de
VVO. De verwachting was een voorspelde toename van VVO in plattelandsgemeenten
rond de steden en in de steden zelf. Kijkend naar figuur 2 zien we dat onze
voorspellingen redelijk overeenkomen met de prognose.

Figuur 2: Voorspelde veranderingen in VVO voor 2008
Amersfoort en Utrecht verwachten een toename van de VVO, maar dit geldt ook voor gemeenten als De Bilt, Bunnik, Houten, Maarssen, Veenedaal, Vleuten/de Meern, Zeist, Woudenberg en vooral Nieuwegein. In een vorige paragraaf was al voorspeld dat de VVO voor de meeste van deze gemeenten zou groeien.
Opvallend is dat dit niet overeenkomt met de groeigemeenten. Een toename van de VVO heeft dus niet alleen te maken met een toename van de bevolking en kan dus, zoals al eerder voorspelt, ook gericht zijn op bezoekers van buitenaf.
Tot nu toe is gekeken naar bevolkingsontwikkelingen, veranderingen in VVO en attractiviteit en hun samenhang met de afstanden tussen woon- en winkelgebieden. Met al deze gegevens kunnen de stroomgegevens worden berekend. In dit geval zijn dat de koopstromen binnen Utrechtse provincie. Deze koopstromen geven aan hoeveel mensen uit de provincie gebruik maken van de winkelvoorzieningen in een bepaalde gemeente.
Opvallend is de grote van de koopstromen naar de stad
Utrecht. Dit is voor een deel de danken aan het hoge inwoneraantal, maar ook
voor een groot deel aan de reikwijdte van de winkels in deze stad. Ditzelfde
geldt, in mindere mate, voor Amersfoort met haar regionale verzorgingsgebied.
In figuur 3 is verder duidelijk zichtbaar dat de koopstromen naar de stad Utrecht in deze prognose zullen afnemen. Waarschijnlijk ligt de oorzaak hiervoor in de afnemende koopstromen binnen de stad zelf door de dalende bevolking. Utrecht is hier dus een zogenaamde verliezer. De winnaars zijn gemeenten als Vleuten/de Meern, Nieuwegein, Maarssen en Amersfoort. Een kleine stad en de gemeenten grenzend aan de grote stad.
Figuur 3:

Mogelijke verklaringen hiervoor zijn de goede bereikbaarheid van deze plaatsen en de mede daardoor verhoogde attractiviteit.Mogelijkheden voor het uitbreiden van de VVO zijn er doordat het draagvlak toeneemt na een sterke bevolkingstoename in de suburbane gebieden.
Conclusie &
Aanbevelingen
Uit de berekeningen is gebleken dat met name de gemeenten grenzend aan de stad Utrecht voordeel halen uit de voorspelde toekomstige ontwikkelingen. Dit is te verklaren door de zogenaamde suburbanisatie van winkelvoorzieningen, wat onder andere het gevolg is van veranderende woonvoorkeuren.
Wel is de doelstelling om mobiliteit te beperken gehaald. De gemiddelde afstand die een bewoner aflegt voor winkelvoorzieningen, MTL, is afgenomen. Toch vinden wij suburbanisatie van winkelvoorzieningen geen goede ontwikkeling. Wij zijn namelijk van mening dat het stadscentrum haar functie als cluster van winkelvoorzieningen moet behouden. Dit geldt zowel voor Utrecht als voor Amersfoort. Dagelijkse winkelvoorzieningen moeten echter wel zo dicht mogelijk bij de consument, dus in suburbane centra, gevestigd worden.
Mogelijkheden om dit doel te bereiken zijn het beperken van de uitbreidingsmogelijkheden van winkelvoorzieningen in de suburbane gebieden, zoals hypermarkten, en het stimuleren van een goede bereikbaarheid van het stadscentrum, zodat de attractiviteit hiervan verhoogd wordt.