B3VAK De Pater & Van der Wusten, Hoofstuk 8: Regionale geografie

door Colijn Wakkee

 

Vidal

Grondlegger van de regionale geografie is Paul Vidal de la Blache uit Frankrijk. Naar aanleiding van het verlies in de Frans-Duitse oorlog in 1870 besloot Frankrijk meer praktische vakken toe te laten tot universiteiten. Zo werd Vidal in Nancy hoogleraar geografie, wat tot de Tweede Wereldoorlog vrijwel gelijk stond aan geschiedenis. Volgens Vidal het de taak van de geografie om van regio’s een beeld te geven over de natuurlijke en menselijke verschijnselen daarbinnen. Het regionale karakter (personnalité geographique) ontstond door een dialoog tussen mens en natuur (possibilisme). Vidal gaat uit van het individu (ideografische discipline), maar zijn vrijheid wordt beperkt omdat de groep (het genre de vie) bepaalt welke door de natuur aangereikte keuzen gemaakt wordt. De meeste werken van Vidal en zijn volgelingen waren empirische, op veldwerk en archiefwerk berustende portretten (monografieën) van regio’s, maar Jean Brunhes schreef in 1910 een boek waarin hij onderscheid aanbracht tussen fysische en sociale geografie.

 

Modernisering

Na Vidals dood in 1918 bleef zijn visie op de Franse universiteiten domineren. Het verval werd ingezet door schaalvergroting, verstedelijking en afnemende afhankelijkheid van het fysisch milieu. In de jaren ’60 stierf Vidals geografie een zachte dood.

 

Hettner

Terwijl het Vidal ging om verbeeldingskracht (synthese) bij de beschrijving van regio’s, werkte men in Duitsland meer systematisch. Alfred Hettner maakte een vast compositiemodel voor het beschrijven van regio’s (Länderkundliches Schema). Hans Spethmann ging daar tegen in door niet de nadruk te leggen op het fysisch milieu, maar op zaken als politiek en economie. Thorbecke verdedigde Hettner, waardoor een ruzie ontstond en de onafhankelijkheid van de wetenschapper in twijfel werd getrokken. Karl Mannheim liet zien hoe sterk wetenschappers verbonden waren met maatschappelijke ideologieën en groepsbelangen (voorbeeld: Duitse Geopolitik).

Hettner onderscheidde drie typen van empirische wetenschappen:

1.      Systematische wetenschappen: bestuderen één categorie van verschijnselen

2.      Chronoligische wetenschappen: bestuderen vele categorieën binnen een periode

3.      Chorologische wetenschappen: bestuderen vele categorieën vanuit ruimtelijk perspectief

Hettners geografie wordt Landerkunde of chorologie genoemd. Kernbegrip is ruimtelijke differentiatie: het voorkomen van, en de samenhangen tussen verschijnselen verschillen van regio tot regio.

Het Länderkundliches Schema behandelt eerst het natuurlijk milieu, vervolgens bestaansmiddelen en tenslotte de bevolking en haar volksaard. Hettneriaanse studies waren niet zo inspirerend omdat het te sterk fysisch-geografisch van aard was en de moderne tijd (zie Vidal) het systeem inhaalde. Wel zijn idee dat de identiteit van de geografie in de ruimtelijke zienswijze ligt wordt nog steeds gewaardeerd.

 

Hartshorne

In Groot-Brittannië is de universitaire geografie laat begonnen. Men beperkte zich tot praktisch onderzoek. In de VS in de jaren ’30 werd Hartshorne bekend. Hij baseerde zijn ideeën op Hettner, maar stelde de mens centraal in plaats van het fysisch milieu. In de jaren ’50 verloor de geografie Hartshorne steeds meer terrein.

 

Nederland

In Nederland richtte Utrecht zich op de Franse en Amsterdam zich op de Duitse regionale geografie. In 1921 waren fysische en sociale geografie voor het eerst zelfstandige studierichtingen. De schoolstrijd tussen deze twee universiteiten is begonnen met C. Kan: hoogleraar die breed georiënteerd was en geografie wilde splitsen in een fysisch en een sociaal deel. Dit gebeurde in 1907.

In Utrecht waren Niermeyer en Van Vuuren actief: beiden kozen voor Franse geografie op ecologische basis, maar met een economische dimensie (het ging groepen om streven naar welvaart). Na de Tweede Wereldoorlog kwam De Vooys, die sociale geografie meer een wetenschap van mensen dan van plaatsen vond en onderzoek richtte op het platteland en kleine steden. In Amsterdam: zie hoofdstuk 5.

Zowel Amsterdam als Utrecht waren concreet en praktisch in gesteld en hadden een zekere minachting voor theorievorming. Convergentie in opvattingen werd versterkt door groei van de stafbezetting en nieuwe universitaire opleidingen. In Nijmegen kwam Cools (geschiedenis Nederlandse geografie, cultuurlandschapsgeografie), in Groningen Keuning (volgens Utrecht-model) en in Rotterdam Blink (Nederlandse economische geografie). Aan de VU in Amsterdam kwam eveneens een nieuwe geografie-opleiding.

Desondanks blijft Utrecht meer economisch- en Amsterdam meer cultureel- en politiek-geografisch georiënteerd.

Hosted by www.Geocities.ws

1