B3VAK – Het geografische huis, H12

 

De veelvormige ruimte: De nieuwe regionale geografie

 

De contextuele benadering: verschijnselen zijn gesitueerd in, verweven met een bepaalde context van tijd en ruimte en moeten vanuit die context begrepen worden. Deze benadering is karakteristiek voor de geografie en een voorbeeld vormt de chorologische geografie van Hettner en Hartshorne en was populair tot dat de ruimtelijke analyse opkwam.

 

Maar door het geringe succes van de ruimtelijke analyse, er werden geen wetten gevonden, kwam het inzicht terug dat voor werkelijk geografisch inzicht de regionale veelvormigheid bij de analyse betrokken moet worden. Regio’s zijn uniek dus geen algemeen geldende wetten.

De (nieuwe) erkenning van het belang van de lokale of regionale context voor het begrijpen van verschijnselen heeft geleid tot een opleving van de regionale geografie die paste bij een postmodernistische wereld. (de oude regionale geografie paste overigens juist niet bij de modernistische wereld)

 

Modernisme: Oorsprong tijdens de verlichting in de 18e eeuw, waarbij de verheerlijking van de Vooruitgang, Emancipatie en Rede kenmerkend zijn. Men geloofde in een rationeel handelende mens, voortgang was vooruitgang,  nieuw beter dan oud en de sociale werkelijkheid is net als de natuur geordend, door wetmatigheden gereguleerd. (ruimtelijke analyse) Ook de naoorlogse tijd staat nog in hoge mate in het teken van de principes van de verlichting.

De postmoderne wetenschap/filosofie moest hier van hebben. Zij legden de nadruk op het onoverzichtelijke, gefragmenteerde en het ontbreken van ordenende principes in de maatschappij. Er is niet een ideologie maar vele: vb-en zijn eco-denken en feminisme.

Zij benadrukken de diversiteit, en alle theorieën zijn plaats- en tijdgebonden.

Anders dan de logisch positivisten stellen zijn theorieën  in de postmoderne visie onderling gelijkwaardig, equivalent. Het postmodernisme heeft veel geografen geleerd gestuurd en gekleurd worden door de ideeën en de verwachtingen van de waarnemingen. We beschikken niet over harde feiten maar over gekleurde waarnemingen.

 

Ook in de moderne en de postmoderne samenlevingen verschillen sterk van elkaar. Tegenover de fordistische, in klassenopgedeelde verzorgingsstaat van het modernisme staat de flexibele, individualistisere gedecentraliseerde staat. In de postmoderne ruimte is meer verscheidenheid, regionalisatie en aandacht voor historie en lokale initiatieven. Daar past de nieuwe regionale geografie goed bij. Maar ook via niet postmodernistische wegen wordt de nieuwe regionale geografie versterkt. Zo laat het echtpaar Hoekveld dat de nieuwe regionale geografie beoefend kan worden met dezelfde wetenschappelijke normen als in de RA. Ook zijn er pogingen van sociale wetenschappers om tot een social theory te komen, waarin ruimte, tijd, individuen en maatschappij worden verbonden. Dit kan vanuit een structuuroptiek (waarbij maatschappelijke structuur individuen belemmeren) en een actoroptiek (individu is actief handelend persoon met eigen keuze mogelijkheden). Met name de laatste 20 jaar wordt getracht om tussen deze twee uitersten een brug te slaan. Zo ontwikkelde de socioloog Giddens een structuratietheorie, waarin allerlei geografische begrippen zijn opgenomen veelal ontleend aan Hägerstrands tijdgeografie zoals het ‘locale’ die hij nadrukkelijk in de context van grotere gehelen (bv. wereldeconomie) plaatst omdat de invloeden van buitenaf op een regio zoveel dwingender zijn geworden.

Sommige, vooral Marxistische geografen, gaan zelfs zover dat ze regio’s alleen willen begrijpen in termen van de positie die ze in een groter geheel innemen. Wallerstein geleedt het wereldsysteem in drie soorten regio’s: kern, semi-periferie, periferie. Daartussen bestaan redelijk stabiele machtsrelaties. Andere geografen gebruiken deze gedachtegang ook op lagere schaalniveaus (binnen een staat).

 

Weer een andere visie komt van de Britse geograaf Doreen Massey, (1984), die het economische wel en wee van een regio begrijpt als een permanente confrontatie tussen de regio met haar kenmerken en de voortdurende veranderingen in de kapitalistische productiewijze. Elke ronde van investeringen creëert veranderingen tussen regio’s, een regio’s die eerst in trek was kan bij de volgende ronde zomaar in ongenade vallen. Elke ronde laat zijn sporen achter, dit vormt later de regionale erfenis en die beïnvloed de kansen in toekomstige investeringsrondes weer. Massey werkte in de traditie van het verlicht Marxisme, en laat daarom de rol van actoren onderbelicht. De humanistische geografie staat daar kritisch tegenover, zij erkennen de betekenis van human agency: vaardige individuen. Zij wijzen op de sleutelindividuen die iedere regio of stad heeft. Deze kunnen in samenwerking met een groep lokale ondernemers en bestuurders die het welzijn van het gebied aan het hart gaat (groeicoalitie) een onverwachte tegenbeweging op gang brengen waarbij zij het gebied een betere toekomst geven. Voorbeelden op p. 248.

 

Tegenwoordig zoeken de meeste geografen naar een balans tussen enerzijds structurele en anderzijds actorbenaderingen. Zo stelt de Britse geograaf R. Johnston dat in elk land het kapitalisme zich op een eigen wijze manifesteert, afhankelijk van de geschiedenis, cultuur, het fysische milieu, enz. Blijkbaar speelt iets als regionale cultuur mee in de wijze waarop regio’s reageren op ontwikkelingen in het wereldsysteem. Gebieden worden gemaakt door mensen die handelen onder omstandigheden en reageren op ontwikkelingen die ze zelf niet hebben kunnen kiezen.

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1