12.3 Het experiment als onderzoeksontwerp (de logica hierachter althans)
Het nut van het klassieke experiment is het onderzoeken van causale relaties. Het experiment moet dus zo ingericht worden dat alle andere verklaringen van een verandering dan degene genoemd in de hypothese worden uitgeschakeld. Er zijn dus 2 situaties nodig; een experimentele groep en een controle groep. De elementen uit de experimentele groepen worden aan de onafhankelijke variabele blootgesteld; de elementen uit de controlegroep niet.
Als beide groepen bij aanvang van
het onderzoek in alle opzichten aan elkaar gelijk waren, dan kunnen alle uiteindelijke verschillen
aan de onafhankelijke variabele toegeschreven worden.
Het grote probleem is dat alleen de
externe variabele het verschil mag vormen. Deze moet goed onder controle
gehouden worden. Ede methoden hiervoor heren niet meer bij het logicagedeelte.
Het experimenteel ontwerp heeft zijn
goede naam vooral te danken aan het feit dat in dit design de meeste factoren
die de interne geldigheid bedrijgen zijn uitgeschakeld.
Nadelen aan het
experimenteel onderzoek:
-
Het doet vaak
nogal kunstmatig aan
-
Voorkeur voor
bepaalde groepen in experimenten (in de psychologie (hier ga ik weer, ik kom
echt niet van dit woord af, dit kan geen toeval meer zijn!) wordt bijvoorbeeld
wel erg vaak gebruikt gemaakt van enkel studenten (in veel opzichten een
signifikant verschillende groep van de gehele bevolking) als test-objecten).
-
Practische/ethische/politieke
aard (bijvoorbeeld dierproeven)
Ezperimenten zijn
vooral goed voor theoretische vraagstukken die niet in een al te groot aantal
variabelen vertaald kunnen worden, experimenten waarin een groot aantal
variabelen worden toegepast zijn nog steeds niet mogelijk.
Er zijn vele
verschillende varianten van experimenten die eveneens niet bij de interne
logica horen.
Voor al deze
experimenten is echter van cruciaal belang:
1.
De onderzoeker
heeft volledige controle over de tijdsvolgorde van de variabelen
2.
De toewijzing
van de onderzoekselementen aan de onderscheiden experimentele condities gebeurd
at random
om te mogen spreken van een echt experiment.
3.
De
experimentele variabele wordt bewust gemanipuleerd
Voorts geldt nog dat er controle is over de
volledige onderzoekssituatie in het experiment.
De data ordening is de tussenfase tussen de data-verzameling en de
data-analyse
Twee onderdelen zijn hier van belang:
-
Opstellen van categorieen
-
Toewijzen van onderzoekseenheden aan deze categorieen
De 4 classificatieprincipes:
Hoofdcriteria
1.
Zorg ervoor dat de datareeks uitputtend is
2. Zie er op toe dat de
categorieen elkaar wederzijds uitsluiten
Meer inhoudelijke criteria
3.
Kies een eenduidig indelingsgezichtspunt
4.
Omschrijf de categorieen zodanis dat zij vanuit het gekozen
gezichtspunt een zinnig onderscheid aanbrengen in de waarden van de
variabelen
1.
Om aan deze regel te voldoen zullen er altijd
restcategorieen moeten zijn. Te veel elementen in categorie “overig” betekent
over het algemeen een fout; het kan echter ook zijn dat de dit informatieverlies
is van informatie die zowiezo irrelevant is. Vaak de waarde “onbekend” hoeft
niet te betekenen dat de classificatie slecht is maar maakt de gegevens wel
minder geldig.
2.
Bij deze regel is het van belang dat niet 2 vragen tegelijk
gesteld worden. Ook de klassegrenzen moeten niet overlappen. Tenslotte moeten
classificaties ook eenduidig zijn.
3.
Hier geldt nogmaals: niet 2 vragen tegelijk en een
classificatie per afzonderlijk gezichtspunt
4.
Dit speelt vooral bij stellingen; hoeveel
antwoordcategorieen moeten hier worden gemaakt? Over het algemeen geldt hier
zodra het er zoveel worden dat respondenten geen zinnig onderscheidt meer
kunnen maken tuseen de verschillende categorieen zijn het er te veel.
Voor de indeling van elementen in categorieen geldt:
-
interne homogeniteit
-
externe isolering
er zijn 3 manieren van classificatie
1.
1 indicator + 1 operationele definitie = 1 variabele
2.
1 indicator + meerdere operationele definities = meerdere
variabelen
3.
meerdere indicatoren + meerdere operationele definities = 1
variabele
Een zo systematisch mogelijke aanpak werkt het beste bij coderen,
werken met aparte kaarten werkte vroeger het beste. Tegenwoordig is met
computers erg snel steeds meer mogelijk.
Uitspraken over bestaandec teksten zijn goed te doen bij groeperingen
in trefwoorden in een datamatrix
1.
Bij het opstellen van een datamatrix is het primaire doel
hierover uitspraken te kunnen doen
2.
Het coderen hier is echter vooral gericht op het indikken
van het materiaal
Er zal steeds een het juiste midden gevonden moeten worden tussen
reducite van de werkelijkheid en de bestaande complexiteit.
Coderen = toekennen van symbolen aan variabelen en hun categorieen
Het codeboek is het overzicht van hoe deze waarden zijn toegekend
Het is
1.
een handleiding voor codeurs
2.
de sleutel tot onderzoeksgegevens
-
constitentie tussen en binnen variabelen is essentieel
-
elk onderzoekselement moet een uniek nummer krijgen
-
het aanbrengen van zoveel mogelijk systhematiek verkleint
de kans op fouten maar kan deze natuurlijk nooit uitbannen.
Een veelvoud aan controle blijft nodig om het percentage fouten te
verminderen
De datainvoer resulteerd in de datamatrix,
Op blz 294 staat een mooi overzicht van wat hier allemaal inmoet
Stappen van
verwerking
-
invoeren
-
labels geven
aan variabelen
-
aanduiden van
ontbrekende gegevens (bijvoorbeeld een 9 voor “weet niet”)
verwerkingsprogramma’s
zijn allemaal anders,
wil je iets met een
ander programma gaan bekijken dat zullen de gegevens geconverteerd moten
worden. Als programma’s zelf deze service niet leveren dan zal gewerkt moeten
worden via een ruw gegevensbestand. Ook kan het nodig zijn om tijdens het
onderzoek databestanden samen te voegen dit kan op 2 manieren:
1.
dezelfde
waarnemingen voor nieuwe onderzoeksgegevens; als meerdere personen gelijk
invoeren zal met meerdere copieen van de bestanden gewerkt moeten worden. De
bestanden moeten daarna weer aan elkaar worden geplakt.
2.
nieuwe
waarmeningen voor dezelfde bestanden: bijvoorbeeld voor een onderzoek met
meerdere meetpunten. Rijen blijven gelijk, er worden kolommen toegevoegd.
Vaak kan het nuttig
zijn om achteraf variabelen samen te voegen of te hercoderen. Datareductie is
vaak hard nodig, zie hiervoor het practicum van vrijdag, in het boek staat niet
meer hierover dan wat bij ’t practicum langs is gekomen.