Het gebied waar Leidsche Rijn gaat komen omvat te veel waardevolle elementen om ze allemaal te kunnen behouden. Er zal dus een afweging gemaakt moeten worden. Sommige elementen moeten beslist buiten de nieuwbouw gelaten worden. Andere moeten geïntegreerd worden in de nieuwbouw. Sommige zullen verdwijnen en gecompenseerd moeten worden.
In dit gedeelte wordt bekeken hoe cultuurhistorische elementen van het Leidsche Rijngebied het best tot zijn recht kunnen komen binnen de nieuwbouw.
Vaak zijn verdwenen elementen (vooral in het bodemarchief) niet te compenseren.
Er kan wel compensatie plaatsvinden door andere elementen te restaureren of uit te vergroten.
Voorwaarden zijn wel dat het gaat om aantasting niet om compleet verdwijnen van een waarde en dat er een functionele of ruimtelijke samenhang ontstaat tussen de aangetaste waarde en het element waar compensatie plaatsvindt.
Restauratie kan ook schedelijk zijn voor een oude structuur als een nog oudere structuur die allang niet meer bestaat wordt getracht terug te brengen.
Er zijn twee opties:
- duurzaam beheren
- gebruiken als startpunt voor nieuwe ontwikkelingen
Een nieuw gebruik is mogelijk, voor zover de waarden in stand blijven
Over het algemeen betekent dit vooral iets niet doen
Duurzaam beheer echter wil niet zeggen dat elke ruimtelijke ontwikkeling uitgesloten is,
wel bij ontwikkeling die de aanwezige waarden aantast.
Vroeger is altijd gebruik gemaakt van pré-stedelijke infrastructuur bij stadsuitbreidingen. Deze infrastructuur was er al en het was goedkoper om deze te gebruiken. Hierdoor bestond er een ‘natuurlijk’ verband tussen de oude stad en de uitbreiding.
1e suggestie: Handhaaf zoveel mogelijk de bestaande infrastructuur zodat de ruimtelijke continuïteit intact blijft
Dit is geen eenvoudige zaak, grootschalige geslaagde voorbeelden zijn er amper
Vaak worden wel losse landschappelijke elementen bewaard, grotere structuren of de aanwezige cultuurhistorische kwaliteit over het hoofd gezien.
Ecologische kwaliteiten worden tegenwoordig veel sneller erkend.
Het gevaar bij alleen enkele elementen bewaren is dat doordat de context verandert de elementen volstrekt onherkenbaar worden.
2e suggestie: als van elementen gebruik gemaakt wordt, dan moet dit niet beperkt worden tot enkele losse elementen, maar dient gebruik gemaakt te worden van een samenhangend geheel.
Het Leidsche Rijngebied bestaat uit twee onderdelen (het veengebied en de stroomrug) die beiden een duidelijke eigen identiteit hebben. Een van de onderscheidende kenmerken tussen het veenlandschap en het stroomruglandschap is het verschil in openheid. Bij nieuwbouw kan dit onderscheid terugkomen.
De schaal van een element of object moet in overeenstemming zijn met een nieuwe inrichting. Leidsche Rijn is te grootschalig om door de oude Rijn gedragen te kunnen worden. Ontwikkelingen in relatie met de elementen die met de Oude Rijn samenhangen is wellicht mogelijk. Gezien de aard van de elementen zal zo’n ontwikkeling ‘low-profile’ moeten zijn.
De schaal van het landschap is van belang bij de bouwhoogten. De hoogteverschillen in het stroomruglandschap zijn wellicht te accentueren (op de rug hoog, op de flank laag).
Drie uitganspunten van de Vinex staan momenteel ter discussie, dit heeft er mede mee te maken dat de woningnood tegenwoordig in de grootste delen van Nederland geen echt probleem meer is. Naast de aantallen is er protest tegen het accent op het percentage sociale huur en de woningdichtheden.
Achteraf gezien is er de afgelopen tien jaar veel meer buiten VINEX-locaties gebouwd dan voorzien. De locaties zelf bleven echter achter in het tempo van ontwikkeling. Er is een grote kans dat onder druk van prognoses vooral buiten Amsterdam en utrecht minder woningen gebouwd moeten gaan worden.
Voor het bepalen van bedrijfsruimte is de Bedrijfslocatiemonitor een faciliterend instrument, ook kan de BLM helpen bij het onderwerp ‘ruimte voor bedrijvigheid’ in samenwerking tussen het bedrijfsleven en de overheid.
De BLM-aanpak bestaat uit 5 stappen:
1. Een verkenning van de nationaal economische ontwikkeling
2. Een vertaling van de nationaal economische ontwikkeling naar de regionale economische ontwikkeling
3. Bepaling van verdeling van verschillende locatietypen terreinen via verdeling van de werkgelegenheid
4. Vertaling van onderverdeelde regionale werkgelegenheid naar ruimtevraag
5. Confrontatie van de voorziene ruimtevraag met het geplande ruimteaanbod
De uiteindelijke uitkomst van het model zijn ruimte-tekorten of overschotten
(BLM stap 1)
Landelijk gezien zijn er verschillende economische toekomstscenario’s te verzinnen die allen resulteren in een verschillende ruimtevraag.
(BLM stap2)
De onderbouwing van het toekomstige regionale ruimtelijk effect kan verbeterd worden door:
1. een verdere desaggegratie van de bedrijfstakindeling
2. Het zoveel mogelijk vervangen van trendextrapolatie van ruimteeffecten door verklaarbare variabelen.
3. Terugkoppeling tussen regionale arbeidsvraag en regionaal arbeidsaanbod
(BLM stap 4)
Bij regionale ruimtevraag zijn centrale aandachtspunten:
1. Het versterken van de empirische basis van de dynamiek van locatietypen-voorkeuren
2. Ruimtegebruik per werknemer
(BLM stap 5)
Bij confrontatie van ruimte-vraag en aanbod speelt:
1. Het aanbrengen van causaliteit
2. Het versterken van de empirische basis van de onttrekkingen
Tenslotte zou meer inzicht verkregen kunnen worden in de mogelijke ruimtelijk economische gevolgen van ruimtelijke tekorten.
De BLM is een geschikte methode die echter nog flink verbeterd kan worden. De huidige aanpak is flexibel genoeg om de huidige voortschreidende inzichten in de tijd goed te kunnen inpassen.