A Cross National Study of Tenure Patterns, Housing Costs and Taxation and Subssidy Patterns (ACNSTPHCTPS)

Oftewel een vergelijkend onderzoek tussen verschillende landen waar wordt gekeken hou overheidsbeleid de huizenmarkt beďnvloedt.

 

In vrijemarkteconomieën en gemixte economieën wordt de huizenkeuze door de huishoudens zelf gemaakt, verondersteld wordt dat beleid van overheden hier flink wat invloed op heeft. Naast de overheid zijn er natuurlijk ook vele andere externe factoren. Dit onderzoek is aangepakt door een aantal West-Europeese landen + Canada de VS en Japan te bekijken op de huizenmarkt via 2 types (A; starters, en B; doorstromers). Vervolgens komt een lang saai open-deur-verhaal. Uiteindelijk blijkt 1 zinvolle opmerking NIET in de conclusie terug te komen: De dunbevolkte landen hebben veel meer koopwoningen omdat boeren over het algemeen veel vaker in een eigen huis wonen.

Dan volgt nu de vertaling van de conclusie (Oh joy):

Conclusies:

-         De patronen verschillen flink in de onderzochte landen

-         Er is weinig bewijs te vinden voor wetmatigheden, sommige relaties zijn waarschijnlijk maar kloppen niet in alle landen, waarschijnlijk komt dit door een veelvoud aan exogene factoren die ook overal verschillen.

-         Subsidie en belasting kunnen de huizenmarkt beďnvloeden.

-         Op middelbare leeftijd heeft in alle landen een overgrote meerderheid een eigen woning

-         Huizenbezit fiscaal bevoordelen zorgt voor relatief minder en duurdere huurwoningen

-         Subsidie voor de sociale huursector verkleind de private huursector

-         Dit laatste wordt echt tegengesproken door het feit dat individuele huursubsidie geen relatie heeft met de grootte van de private huursector

 

Households and Housing

In dit artikel wordt veel aan de hand van figuren besproken, deze figuren zijn onmogelijk samen te vatten, als ik naar een figuur verwijs moet je dus gewoon maar even daarnaar kijken.

 

2. Housing and the Life Course

De levenscyclus zegt erg veel over de huizenmarkt, verhuizingen zijn vaak gekoppeld aan veranderingen in levenscyclus.

 

Hierover zijn 2 verschillende benaderingen:

1.      Hedonic Model (Housing prises)

Hier wordt de huizenmarkt gezien als een competetief proces waar iedereen het maximaal haarbare uit een budget probeert te halen. Een woning kan bescheven worden volgens verschillende karakterestieken, als je een woning koopt koop je alle aspecten van een woning.

Centraal in dit model staat wat individuen bereid zijn te betalen voor een bepaalde woning.

2.      Sociaal/politiek/ideologisch model (deze naam is fictief, in de tekst wordt geen naam gegeven)

Hier is de huizenmarkt een onderdeel van de klassenstrijd, sociale, politieke en ideologische processen liggen ten grondslag aan de huizenmarkt. Deze tekst richt zich op het tweede model alhoewel de klassenstrijd buiten beschouwing wordt gelaten.

 

Huisvesting is een primaire behoefte van mensen. De term “matching” wordt vaak gebruikt voor de strijd over grootschalige sociale huisvesting. In de eerste plaats is een huis een schuilplaats, het is echter ook het op een na belangrijkste consumptiegoed. Voor studies is het belangrijk te weten wie wat consumeerd.

Hier zijn een aantal aspecten van belang

-         Door lange levensduur van huizen wordt de huizenmarkt voornamelijk gevormd door al bestaande huizen

-         Locatie van huizen (vooral ten opzicht van andere voorzieningen) is erg bepalend in de waarde van een huis (de nieuwe zeer ruime en populaire huizen in “historiserende stijl” in Brandevoort in Helmond kosten ondeveer de helft van de krappe arbeiderswoningen in Utrecht-oost.

-         Omdat de vrije markt bij huizen imperfect is is de overheid in de huizenmarkt gaan ingrijpen, vooral in West-Europese landen vlak na WOII, huisvesting is mede hierdoor een politiek proces wat sterk beďnvloed wordt door overheidsbeleid en politieke filosofieën.

-         Huizen zijn ook een economische investering

-         Huisvesting alleen is voor mensen niet voldoende, er zijn ook voorzieningen om het huis heen nodig

 

Levenscyclus

-         zie ten eerste wat hierover in de inleiding van dit artikel in deze samenvatting is gezegd –

Door meerdere wetenschappers is de woningcarričre van mensen in enkele fasen ingedeeld, wat de exacte groepen en grenzen hiervan zijn zijn wetenschappers het er nog niet over eens.

Figuur 2.1 en 2.2 laten zien wat de globale indelingen zijn. Jonge huishouden zijn vaker uit balans met hun huisvestingssituatie en zullen eerder verhuizen. Een andere conclusie in het kader van de open-deur week is dat het percentage grote gezinnen erg snel daalt. Naast huisvesting is het leven van mensen ook in te delen in werk/carričre-cyclus en houshoudensstructuurcyclus (fig 2.5) deze 3 cycli schijnen in de praktijk erg overeen te komen.

 Onderzoek naar levenscycli zijn vaak erg individueel gericht. Naast levenscyclus conceptualisatie is er ook nog levenscyclus paradigma, dit concentreert zich meer op de overgangsmomenten in de plaats van de fasen zelf.

 

Context en vergelijking

Huisvesting wordt beďnvloedt door huishoudenstype, leeftijd, huishoudensgrootte en inkomen. Verder zijn er nog veel exogene factoren dit beďnvloeden. Bijvoorbeeld parallelle carričres en keuzes en mogelijkheden op macroniveau (fig 2.6).

-         De huizenvoorraad verandert constant

-         Grotere economische processen over tijd en ruimte beďnvloeden de woningmarkt  

-         Het niveau van overheidsingrijpen heeft invloed

Er zijn 2 sociopolitieke inrichting hiervan:

-         Het vrije marktmechanisme waar de VS zoveel mogelijk naartoe probeert te werken

-         Het uiterst gecontroleerd systeem waar Nederland waar bijna de helft van de huizen sociale huur is.

 

3.      Residential Mobility and the Consumtion of Housing Space

Mobiliteit van burgers is samen met nieuwbouw de belangrijkste motor achter verandering in de woningmarkt. Over het algemeen blijft er een mismatch tussen vraag en aanbod, de huizenmarkt is z’n zuiverste vorm is imperfect. Bovendien kan sowieso niet aan alle eisen voldaan worden. Er is een duidelijk verschil in verhuisgedrag tussen verschillende landen.

Er bestaan twee soorten verhuizingen (fig 3.1.):

Partial displacement: Je verhuisd wel maar blijft wel gebruik maken van veel van dezelfde voorzieningen

Total Displacement; Helemaal opnieuw beginnen in een nieuw gebied

 

Factoren die Migratie en mobiliteit beďnvloeden

Als eerste dus de in het vorige stuk vertelde overgang tussen verschillende perioden binnen de levenscyclus, verder:

-         Tussen 20 en 35 wordt het meeste verhuisd (fig 3.2), dit komt omdat is die levensperiode   

veel veranderingen plaatsvinden die mobiliteit veroorzaken.

-     Mensen die een woning huren verhuizen ook sneller. Huurders zijn minder aan hun woning gebonden maar ook vaker alleenstaand

-         Hoe groter een huis is hoe minder verhuisd wordt. Ook wordt een huis over het algemeen

(behalve bij van een koop naar een huurhuis, wat voornamelijk wordt veroorzaakt door een grote groep ouderen, deze groei is juist weer ’t grootst bij van huur naar koop) bij elke verhuizing steeds groter.

- Opleidingsniveau en inkomen speelt ook een rol. Waarschijnlijk omdat hoger opgeleiden lange tijd langzaam steeds meer verdienen en daar hun leefsituatie aan aan willen passen. In Nederland blijkt dat ook te gelden voor 2-verdieners die ook vaker verhuizen.

-         Tenslotte geldt hoe langer mensen ergens wonen hoe minder snel ze weer verhuizen.

Er is alleen veel discussie in hoeverre dit effect onafhankelijk betekenis heeft.

Voor Europa en de VS  is concluderend verhuizen sterk gekoppeld aan de verandering van “single” naar gezin wat weer verwant is met leeftijd, opleiding en huidige huisvestingssituatie.

 

Mobiliteitsmodellen

Naast het groter worden per verhuizing worden huizen natuurlijk ook per leeftijdsklasse gemiddeld steeds groter. Er zijn echter hierbinnen wel grote verschillen. Woningdruk is weergegeven in fig 3.9 en  laat een duidelijke U-vorm zien. Lage en hoge druk (stress) leidt tot mobiliteit

 

Cycli en Carričre

De voorgaande figuren geven een erg homogeen en rechtlijnig beeld wat in de werkelijkheid niet bestaat. De werkelijkheid is veel gecompliceerder en lijkt meer op fig 3.11. Classificatie is noodzakelijk maar bevat nooit alle dynamiek.

Elke verhuizing brengt mensen over het algemeen dicht bij hun ideale woning (fig 3.12),  mede hierdoor verhuizen grote families vaker en zijn minder populaire huizen vaker huurhuizen. Huishoudens kiezen uit verschillende sterk hiërarchisch ingestelde markten (van slecht aangeschreven huurhuizen tot enorme villa’s van koophuizen) hun favoriet. Hiermee speelt de fysieke ruimte een belangrijke rol in het mobliteitsproces 

 

Triggers

Een trigger is iets wat de dynamiek (in dit geval de verhuizing) veroorzaakt. Zo is bijvoorbeeld bewezen dat tweeverdieners die het kinderen krijgen uitstellen pas later overschakelen naar een koophuis.

Er zijn 4 belangrijke triggers:

Onafhankelijkheid: De drang naar onafhankelijkheid is voor veel jongeren de reden om te verhuizen. Het aantal 20-ers wat bij hun ouders woont is in het westen erg laag

Houshouden vormen: Vooral in Europa is er een groot gat ontstaan tussen de uit huis ga fase en het trouwen. Deze stap zorgt vaak weer voor een nieuwe verhuizing. Het belang van het huwelijk als trigger neemt sterk af

Opleiding: het op kamers gaan voor de studie is in Nederland ongeveer 1/3e deel van het ouderlijk huis verlaten.

Geboorte kind: dit zorgt via de behoefte aan meer ruimte vaak ook voor een verhuizing

 

Timing

Uit onderzoek is bewezen dat de meeste verhuizingen plaatsvinden in een periode zeer kort na de trigger. Tussen de het gezin vormen en een huis kopen zit meestal niet meer dan 3 jaar. De stap naar een huis kopen gaat meestal vlak vooraf aan het kinderen krijgen, enige causaliteit is hier waarschijnlijk.

Er zijn een aantal factoren die een verhuizing kunnen vertragen.

Economische recessies verlagen de neiging tot verhuizen

In het verlengde hiervan zorgt een hoge hypotheek vanzelfsprekend het kopen van een huis vertragen.

Vooral in de randstad heeft een tekort op de huizenmarkt via wachtlijsten ook een vertragende werking op verhuizingsgedrag

 

Short – Urban order

13. Residential mobility in the city

 

Er bestaan twee modellen over verhuizingen

1.      Kosten en verdiensten worden zorgvuldig tegenover elkaar afgewogen

2.      Vanuit het standpunt van ’t keuzenmaken van de huishoudens

Deze indeling lijkt sterk op de al eerder genoemde tweedeling

 

In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van een onderzoek naar verhuizingen in Bristol

Vanwege meestere redenen is dit onderzoek niet volledig significant

-         Vanwege geld- en tijdgebrek is de sociale sector niet in het onderzoek betrokken

-         Er worden maar 4 gebieden, in 1 stad op 1 moment echt onderzocht

-         Kleinschalige uitkomsten worden betrokken op grootschalige conclusies

-         In de enquetes zijn door de aanpak grote gezinnen oververtegenwoordigd en recente verhuizers niet vertegenwoordigd

 

Vanuit oudere gegevens is de stad ingedeeld 8 acht verschillende gebieden (gebied 8, waar de sociale huur dominant was is niet verder onderzocht). De 7 overige groepen bleken erg homogeen te zijn. Binnen een paar gebieden zijn enquętes gehouden over de reden van verhuizing.

Uit de uitkomsten hiervan zijn 4 conclusies te trekken:

-         De belangrijkste verhuisreden is verbonden met een verandering in de positie in de levenscyclus

-         Er is een specifieke minderheid die moest verhuizen omdat ze geen andere keuze hadden.

-         De gemiddelde leeftijd van verhuizers is jonger dan de gemiddelde leeftijd van de totale bevolking

-         Verhuizingen vinden voornamelijk plaats binnen de eigen buurt of in ieder geval binnen een buurt van dezelfde socio-economische klassen

 

Voor een woning bezitten moeten grotere barričres genomen worden dan voor huren

De dominante vorm van verhuizen is van huur naar koop, bouwcorporaties en de overheid bevorderen dit financieel

 

In dit bevorderen zitten wel 2 voorwaarden:

-         de lange afbetaalperiode van de hypotheek bevoordeelt jongere gezinnen wat de in de praktijk resulteert in een duidelijke leeftijdsbias

-         De hoogte van de gemiddelde hypotheek veroordeeld lagere inkomensklassen tot een beperkte keuze aan goedkope woningen

Beleid van de overheid heeft ervoor gezorgd dat armen in de binnenstad konden wonen terwijl beleid van de corporaties wonen in de suburbs voor rijkeren bevorderd heeft. Beide versterkten hiermee de ruimtelijke segregatie

 

 Tot slot zijn er drie groepen van huurders te ontdekken:

-         mensen zonder grote binding met hun huis

-         mensen die een huis gaan kopen maar vanwege vertraging in een huis vinden tijdelijke acconmondatie nodig hebben

-         mensen zonder middelen om een huis te kopen die daardoor gedwongen zijn een huis te huren

Omwenteling in de Huursector ophanden

 

Zoals de woningwet van 1901 zorgde voor het ontstaan van de woningbouwstichtingen zorgde de nota-Heerma van 1989 voor een herstructurering hiervan. Woningbouwstichtingen werden zelfstandiger en moesten zelfstandig gaan handelen. Over het algemeen ging dit goed, zo goed zelfs dat woning bouwstichtingen ook buiten hun eigenlijke taakwoningen, sociale woningen, woningen voor de vrije markt ging produceren. Hoe en of dit gecontroleerd moet worden is vrij vaag. Ook staat ter discussie of woningbouwstichtingen wel woningen voor de vrije markt moeten bouwen, het geld wat ze hiermee verdienen kunnen ze goed benutten maar het brengt wel een risico met zich mee. Het rapport van commissie-Cohen (1997) vind deze dubbelzinnige taak onaanvaardbaar. Voor de toekomst zijn 4 scenario’s denkbaar:

Corporatie als hybride organisatie: Hier wordt de huidige situatie doorgezet. De twee activiteiten dienen wel duidelijk te worden onderscheiden, alleen op de sociale activiteiten moet publiek toezicht zijn. Fiscale bevooroordeling van woningbouwstichtingen is hier taboe. Woningbouwstichtingen zelf zijn vanzelfsprekend voor dit model.

Corporatie als taakorganisatie: Hier worden de marktactiviteiten afgestoten en beperken de woningbouwstichtingen zich tot sociale woningbouw. De woningbouwstichtingen dienen hierbij flink in te krimpen, een gedeelte van de opbrengsten hierbij zal door de staat worden opgeëist.

Corporatie als marktorganisatie: Hier gaan alle woningbouwstichtingen volledig over naar een gewone marktpartij zonder publiek toezicht. Er zou dan geen sociale huur meer overblijven in Nederland. Het volkshuisvestingsbeleid zou haar sociale karakter kunnen behouden door de inzet van een robuuste huursubsidiëring die de betaalbaarheid van kwalitatief goede woningen veilig stelt.

Het cafetariasysteem: Hier mogen woningbouwcorporaties zelf kiezen voor een van de bovenstaande modellen. Het kan hier ook gaan om een gecoördineerde keuze waarbij er in elke regio ten minste een of twee taakorganisaties met een bepaalde omvang overblijven.

 

Mismatch op de markt voor nieuwbouwkoopwoningen   

 

Uit een onderzoek is gebleken dat ondanks de consumenten zich weinig zorgen maken om de enorme prijsstijgingen binnen de huizenmarkt. Het overgrote deel heeft namelijk zelf onroerend goed wat enorm in waarde is gestegen, mensen met een eigen huis zijn dan ook bereid veel meer in een nieuw huis te investeren dan kopers  De beschikbaarheid van koopwoningen wordt als een groter probleem ervaren.

            Huurwoningen worden volgens dat zelfde onderzoek steeds minder populair. Er is vooral interesse voor duurdere vrijstaande woningen, het liefste met zoveel omgelijk keuzemogelijkheid. Consumenten zijn  ook bereid hier flink voor te betalen.

            Dit contrasteert sterk met wat er in de werkelijkheid gebouwd wordt. Blijkbaar wordt veel meer gestapeld en sociaal gebouwd dan waar behoefte aan is. Prijzen van vrijstaande en 2onder1kap-woningen stijgen hierdoor veel sneller dan die van rijtjeswoningen.

            Een verklaring hiervoor kan zijn dat de verdeling van typen woningen in prijsklassen door de enorme inflatie op de huizenmarkt de laatste jaren flink veranderd is.

 

Het woonmilieu van ouderen

 

Met de groei van het aantal ouderen is ook de heterogeniteit van deze bevolkingsgroep toegenomen. Ouderen worden steeds mobieler, zijn vaker niet getrouwd geweest, zijn vaker van niet Nederlandse afkomst, blijven langer vitaal maar zijn ook langer afhankelijk van ziekenzorg. Doordat de overheid hier een stapje terug doet moeten ouderen steeds langer onafhankelijk blijven wonen. Hiermee neemt de betekenis van de woonbuurt voor ouderen toe.

Alhoewel de perifere gebieden eruit springen is er in Nederland niet echt sprake van ouderenconcentraties. Binnen de randstad zijn ouderen vooral vertegenwoordigd in de grote steden en de luxe, oude sub-urbane gebieden. Pensioenmigratie naar Drenthe neemt steeds meer toe. Door het vertrek van ouderen uit sommige grote steden veranderen deze steden snel in jongerensteden.

            Ouderen hebben een sterke behoefte aan buurtnetwerken. Ouderen concentreren in kleine gebieden blijkt hier niet te werken. Ouderen hebben vooral behoefte aan stabiele, traditionele gebieden waar het grootstedelijk leven niet in is doorgedrongen. Hierbinnen zijn vooral de gebieden met een community-karakter populair. Binnen de grootstedelijke buurten is het voor ouderen steeds moeilijk om mensen te vinden op wie ze beroep kunnen doen.

            Onderzoeken die dit concludeerde zijn voorbij gegaan aan het heterogene karakter van hedendaagse ouderen. Dit heeft meerdere redenen. Ten eerste speelt het belang van buurtnetwerken vooral voor minder daadkrachtige ouderen. Welgestelde ouderen zijn mobiel genoeg om zich minder om hun leefomgeving en zorgmogelijkheden druk te hoeven maken. De positie van allochtone ouderen is ook duidelijk anders. Dit zijn vaker mannen en ze wonen vaker in woningen in grote steden waar ze zelf niet tevreden over zijn. Ook tussen allochtone ouderen onderling zijn veel verschillen. Hierna is te weinig onderzoek gedaan om er uitspraken over te kunnen doen.

Hosted by www.Geocities.ws

1