Hoofdstuk 8 – Low-Latitude Climates
De Cijfers tussen haakjes stellen de klimaten voor zoals ze in
hoofdstuk 7 geïntroduceerd zijn.
De Köppen-benamingen vermeld ik niet, omdat deze geen tentamenstof
zijn.
Fig. 5.12 en 5.13 kunnen handig zijn voor beter begrip van dit
hoofdstuk.
Ook Tab. 8.1 kan handig zijn.
Low-Latitude Climates
De klimaten van de lage breedtegraden liggen voor het grootste deel tussen de steenboks- en de kreeftskeerkringen. Ze bevatten de equatoriale zone, het grootste gedeelte van de tropische zone en een deel van de subtropische zone. Ze bevatten het equatoriale lagedrukgebied van de ITC, de band van de tropische easterlies (de noordoost- en zuidoostpassaten) en grote delen van de oceanische band van subtropisch hogedrukgebied.
The Wet Equatorial Climate (1)
Dit is het klimaat rond de ITC. Het wordt gedomineerd door warme, vochtige equatoriale en tropische oceanische winden. Er valt vaak meer dan 250 cm regen in een jaar. De gemiddelde temperatuur is voor elke maand ongeveer 27°C. Dit klimaat komt ongeveer voor tussen de breedtegraden 10° noord en 10° zuid.
The Monsoon and Trade-Wind Coastal
Climate (2)
Door het bewegen van de ITC is er in dit klimaat meer verschil in neerslag tussen de seizoenen. In het seizoen met weinig zon ligt de ITC boven het andere halfrond. Hierdoor domineert het subtropische hogedrukgebied en valt er minder regen. Door deze beweging is er ook meer variatie tussen de seizoenstemperaturen. Dit klimaat ligt vooral tussen de 5e en 25e breedtegraad, zowel noord als zuid.
Op de passaatwindkusten is er veel regen door de vochtige equatoriale en tropische oceanische winden. Vooral als deze luchtstromen naar boven worden geleid door bergen ontstaat hevige neerslag. Als de ITC nabij is kunnen ook easterly waves (zie hoofdstuk 5) de regen nog eens versterken. Aangezien passaatwinden uit het oosten komen zijn het de oostkusten die dit effect ondergaan.
Ook in Azië is een soortgelijk effect waarneembaar. Hier brengt echter de zomermoeson de vochtige tropische oceanische lucht aan land. Aangezien deze wind hier juist uit het zuidwesten komt, zijn het hier de westkusten die dit klimaat hebben.
The Low-Latitude Rainforest
Environment
Door de aanhoudende warmte en het vele regenen van de klimaten (1) en (2) zijn in deze gebieden de regenwouden ontstaan. De hoge temperatuur en de vele regen zorgen ervoor dat het aanwezige gesteente tot op grote diepte snel verweerd. Hierdoor ontstaat een dikke bodemlaag. Deze bodem is vaak rood door de grote hoeveelheid ijzer die het bevat. De bodem op zich is niet heel vruchtbaar, maar door de snelle verrotting van plantdelen wordt de bodem toch vruchtbaar. Deze gebieden kenmerken zich door de vele stromen water en door de grote biodiversiteit.
Plant Products and Food Resources of
the Rainforests
Het regenwoud bidet veel economisch belangrijke producten als rubber, cocaïne en cacao. Ook biedt het veel zetmeelrijk voedsel als bananen. De kokosnoot is misschien wel de belangrijkste plant voor locale bewoners. Dit komt door zijn multifunctionele gebruik. Deze levert namelijk voedsel, olie en kan zelfs worden gebruikt als bouwsteen.
The Wet-Dry Tropical Climate (3)
In dit klimaat is er meer verschil in zowel temperatuur als regen tussen de seizoenen. Er is een heel droog seizoen met weinig zon. De ITC is dan ver weg, zodat er een droge tropische continentale luchtstroming het gebied inkomt. Ook is er een heel nat seizoen met veel zon. Hier is de ITC juist dichtbij waardoor vochtige equatoriale en tropische oceanische luchtstromen het gebied binnen komen. (Bij verandering van het ene seizoen in het andere slaat de wind om van zuidoost naar noordoost of andersom (ligt aan het halfrond waar het betreffende gebied op ligt). In Afrika en Amerika komt dit klimaat voor tussen 5e en 20e breedtegraad (zowel noord als zuid). In Azië komt dit klimaat voor tussen de 10e en 30e breedtegraad in het noorden.
The Savanna Environment
De aanwezige vegetatie is vaak regengroene vegetatie (planten die in bloei schieten als het regenseizoen begint). Er zijn 2 omgevingstypen:
- Het savanne bosland: Dit is een zeer dunbegroeid bos met veel gras.
- ‘Thorntree-tall-grass savanna’: Dit gebied is droger. Er staan kleine doornbomen en wat grote heesters. Dit gebied is dichter begroeid.
In het droge seizoen vallen rivieren vaak droog. Hierdoor is irrigatie vaak noodzakelijk voor landbouw. De bodem is normaal gesproken erg onvruchtbaar, behalve op plekken waar winden of overstromingen (uit het natte seizoen) materiaal hebben afgezet.
Animal Life of the African Savanna
Over het algemeen kenmerken de savannes zich door de vele grazende dieren en enkele vleesetende dieren. In Afrika kenmerkt dit gebied zich door de daar aanwezige grote hebivoren (zoals giraffen).
Agricultural Resources of the
Savanna Environment
Er zijn 3 klimaten die zich kenmerken door intensieve rijstbouw. Dit zijn (2), (3) en (6). Rijst wordt in het natte seizoen verbouwd omdat het dan veel water nodig heeft. Het wordt vaak in het droge seizoen geoogst.
Food and Woodland Resources of the
African Savanna
Het Savannegebied is de overgang tussen het regenwoud en de woestijn.
In het vochtige gedeelte is er vaak bush-fallow farming. Dit heeft veel weg van de slash-and-burn tactieken uit het regenwoud. Bomen worden op een klein gebied omgehakt. Hierna worden ze opgestapeld en verbrand. Hierna worden bijvoorbeeld granen verbouwd.
In het drogere gedeelte met een korter regenseizoen worden bijvoorbeeld maïs, pindas’ en katoen verbouwd. De laatste 2 zijn vooral belangrijk als exportproduct. Ook is er in dit gebied veel ‘shifting cattle culture’ (het rondtrekken met vee). In het regenseizoen graast dit vee op semi-woestijngrond. In het droge seizoen graast het vee op de savanne graslandzone.
Eye on the Environment: Drought and
Land Degradation in the African Sahel
Drought = een periode van 2 of meer opeenvolgende jaren met weinig regen. Klimaat (3) heeft veel verschil in regenval tussen de jaren. Droughts komen hier vaak voor.
Sahel/Sahelian zone = De streek in Noord-Afrika waar klimaat (3) heerst en het aangrenzende halfdroge gebied van klimaat (4).
Desertification (oude term) = De permanente transformatie van landoppervlak door menselijk activiteiten tot woestijnachtig gebied, vooral door het vernietigen van grassen, heesters en bomen door grazend vee en door brandhoutverzameling. Desertification heet tegenwoordig landdegradatie. Na 1950 zijn de periodes van droughts of aanhoudende regen vele jaren langer dan voor 1950. Door een combinatie van langere droughts en een grotere bevolking is landdegradatie in de Sahel ontstaan.
Working it Out 8.1: Cycles of
Rainfall in the Low-Latitude
De variatie in regen wordt gemeten door: gemiddelde deviatie/gemiddelde neerslag.
De deviatie wordt berekend door: regenval op een bepaald moment – gemiddelde neerslag
The Dry Tropical Climate (4)
Dit klimaat bevind zich in het midden en aan het oosten van de subtropische hogedrukcellen. Hier zakt de lucht snel, wordt adiabatisch opgewarmd (hoofdstuk 4), waardoor regen verhinderd wordt. Doordat er geen wolken zijn kan de zon het landoppervlak intensief verhitten. Er is een groot verschil tijdens de temperaturen tijdens dag en nacht door:
- Er zijn geen wolken
- Er is een enorm droge lucht
De droogste gebieden zijn rond de keerkringen. Het klimaat bevindt zich ongeveer op de 15e en 25e breedtegraad (zowel noord als zuid). Naast woestijnen brengt dit klimaat ook enkele semi-aride gebieden voort. Dit worden ook wel de steppes genoemd. Deze hebben een kort regenseizoen. Er zijn grassen en grazende dieren aanwezig. Ook zijn er enkele stekelige bomen en heesters aanwezig.
Als dit klimaat zich op de westkust afspeelt, wordt de temperatuur door de koude stromingen en het koude omhoogkomende water koeler en zijn er minder extremen. Mist is dan veelvoorkomend.
The
Tropical Desert Environment
Er zijn geen of weinig waterstromen aanwezig. Af en toe veroorzaakt een plotselinge intensieve stortbui een flash flood. Dit is een locale stroom van korte duur die grote hoeveelheden zout, slib, zand, grind en stenen meeneemt. Vaak eindigen deze rivieren in grote bekkens, waar veel materiaal afgezet wordt.
In een woestijn is weinig vegetatie. De planten die er wel zijn hebben zich aangepast aan de omstandigheden. Er zijn 3 soorten aanpassingen:
- De planten kunnen enorm snel opkomen tijdens een regenbui.
- De planten kunnen heel goed water opslaan in hun weefsels.
- De planten hebben enorme lange wortels die het grondwater kunnen bereiken.
Soms ligt het grondwater iets hoger en kan het gebruikt worden voor agrarische activiteiten. Dan ontstaan oases
Highland Climates of Low Latitudes
Dit zijn klimaten die zich bevinden in
berggebieden en bij hoge plateaugebieden. De klimaten zijn koel tot koud en
veelal vochtig. Hoe hoger de plaats hoe kouder en natter het klimaat.
Temperatuur neemt namelijk af met hoogte (Hoofdstuk 3). Door stijging van lucht
ontstaat orografische neerslag (hoofdstuk 4). Deze klimaten worden door hun
kleine oppervlak vaak niet opgenomen bij klimaatindelingen. Het seizoensverloop
van een highland-klimaat heeft veel weg van het klimaat van het aangrenzende
lagere gebied (fig. 8.23). Vaak wordt op de highlands landbouw bedreven.