Klimaat = Statistisch gezien dezelfde weersomstandigheden in een bepaalde tijdsperiode (meestal enkele decennia).
Om klimaat op wereldbasis te bekijken gebruiken we simpele metingen als temperatuur en neerslag en de hoeveelheid en variatie en een tijdsperiode. > deze factoren beïnvloeden de vegetatie (zo onderscheid klimaten te herkennen –Koppen-) > wat weer de manier van cultiveren beïnvloedt.
Twee factoren beïnvloeden de jaarlijkse cyclus van temperatuur:
De temperatuur heeft belangrijke effect op neerslag:
Warme lucht kan meer vocht vasthouden dan koude lucht (H4) > koude regio´s minder neerslag dan warme.
Bovenstaande in het achterhoofd houden bij het lezen van de rest van het hoofdstuk.
Time
cyclus of climate:
De twee meest (astronomische) cyclus zijn beschreven in H1. Dit zijn:
1 leidt tot dagelijkse temperatuur cyclus (zie a blz 171 + H3)
2 leidt tot een jaarlijkse cyclus van daglicht duur (zie b)
Temperature Regimes:
Temperature Regimes (zie F.7.1) = Onderscheidende jaarlijkse temperatuurcycli op grond van latitude en location.
Latitude zones: Equatorial, tropical, midlatitude, subarctic.
Ø Vergelijk bovenste (kust) en onderste (land) rijen met elkaar en merk op dat op het land grote verschillen in temperatuur zijn en dat de oceaan een matigende werking heeft op de temperatuur langs de kust.
Belangrijk is dat:
Dagelijkse max en min > gemiddelde dagelijkse temperatuur > opgeteld gemiddelde maandelijkse temperatuur > opgeteld de gemiddelde jaarlijkse temperatuur.
Working
it out 7.2 – averaging in time cycles:
Het gaat er hier om dat het klimaat gemeten wordt door een gemiddelde te nemen van decennia. Er wordt als het ware steeds een gemiddelde van een gemiddelde genomen.
Global precipitation:
Neerslag wordt grotendeels bepaald door lucht massa`s en hun bewegingen die op hun beurt door wereldwijde luchtcirculatiepatronen worden bepaald.
Aan de hand van F7.2 worden de algemene patronen besproken. Er worden 5 klassen van jaarlijkse neerslag onderscheiden:
Wet >
Humid > Subhumid > Semiarid > Arid.
Ø De Equatoriale zone: een wet-band, voor uitleg zie H6. De wetband strekt zich aan de oostkust uit naar het noorden en het zuiden. Dit komt door de invloed van de trade-winds, die warme, vochtige mT lucht massa`s en tropische cyclonen westwaarts het continent op bewegen.
Meer richting de polen zijn er vochtige gebieden tot in de mid-latitude zones. Dit komt door de subtropische high-pressure cells die mT lucht massa`s vanaf het oosten het land in bewegen, terwijl in de winter wave cyclones cyclonische neerslag vanaf het westen brengen.
Ø Het patroon van arid en semi-arid regions dat reikt van de tropical west coast tot de subtropical en midlatitude continent. In de tropische en subtropische latitudes wordt het droge patroon veroorzaakt door droge lucht in subtropical high-pressure cells.
De continentale interiors blijven droog omdat dit gebied te ver is voor de invloed van source regions van vochtige lucht massa`s + door de regenschaduw dat veroorzaakt wordt door de kust bergen en zo een barrière vormen.
Ø De twee wet-bands langs de west kust van de midlatitude en de subarctic zones. Deze worden gevormd door de oostwaardse beweging van vochtige mP lucht massa`s (wave cyclones) over het continent.
Ø In de arctic zone, de arctic desert, blijft de neerslag laag doordat de lucht temperatuur zo laag is waardoor maar kleine hoeveelheden vocht in de lucht vastgehouden kunnen worden.
Bovenstaande zijn voorbeelden voor het echte wereldlijke neerslag patroon > zie F7.5 > we kunnen hierin 7 wereldwijde neerslag regio`s onderscheiden: (zei tabel 7.1)
1.
Wet
equatorial belt (mE)
2.
Trade-wind
coasts
3.
Tropical
deserts
4.
Midlatitude
deserts en steppes
5.
Moist
subtropical regions
6.
Midlatitude
west coasts
7.
Arctic
and polar deserts
De variatie in maandelijkse neerslag in een jaar is een belangrijke factor voor het beschrijven van het klimaat. Er zijn drie soorten maandelijkse neerslag patronen:
Ø herkennen in F7.6!
Climate
classification:
De klimaatregels om de klassificatie van figuur 7.7 te begrijpen zijn in vorige hoofdstukken al besproken. (zie bijv. F6.1, en de frontal zones van H6)
Uit F7.7 volgen drie hoofdklimaten:
Ø In de arctic belt (Noord) ontmoeten continental polar air massa´s en arctic air massa´s elkaar langs de arctic front zone waardoor oostwaardse cyclones ontstaan.
Ø In het zuiden (antarctica) zijn geen source regions voor continental polar air, maar alleen een groot oceanic source region for maritime polar (mP) air massa´s. Het grote centrale land Antarctica vormt een bron van extreme koude en droge antarctic air massa´s (cAA) Deze twee air massa´s interacteren langs de antarctic front zone.
In totaal zijn er 13 klimaten (zie F7.9 van Strahler). Van groep 1 zijn er 4, van groep 6 en van groep 3 zijn er drie. Deze klimaten worden afzonderlijk uitgebeeld dmv een climograph (zie F7.8)
Overview of the climates Dit wordt in H8 en 9 verder uitgewerkt.
Zie ook tabel 7.2!
Groep 1
Low-latitude climates:
Groep 2
Midlatitude climates:
Groep 3
High-latitude climates
In een hc heeft Weiss gezegd dat het klimaatsysteem van Koppen te beschrijvend is grotendeels alleen gebaseerd is op neerslag en temperatuur (> vegetatiegrenzen > bioklimaatindeling > dmv verschillende letters). Deze indeling is niet dynamisch en kan niet gekoppeld worden aan de groei en het leven van flora en fauna. Ik neem aan dat we dit stuk dus verder niet hoeven te weten.
Uit table 7.2 volgt dat maar 2 van de 13 klimaat types wet-dry zijn. > zie F7.6.
Droge klimaten zijn die klimaten waar meer water verdampt dan dat er neerslag valt.
Vochtige klimaten zijn die klimaten waar genoeg neerslag valt om de bodem vochtig te houden gedurende het grootste deel van het jaar. Zie hiervoor verder de aantekeningen!
Er zijn 2 subtypes te onderscheiden in droge klimaten: