Strahler & Strahler, Physical Geography.
Samenvatting gemaakt door: Luuk Stevens
Pagina 28-32: Aardbeweging rond de zon
De aarde draait in een baan rond de zon, maar draait tegelijkertijd ook om zijn eigen as. In 365 en 1/4e dagen heeft de aarde één omwenteling gemaakt rond de zon. Vandaar dat er om de 4 jaren een schrikkeljaar is, en dat er dat jaar één extra dag wordt opgenomen.
De afstand tussen de aarde en de zon blijft vrijwel altijd gelijk omdat de aarde in een vrijwel perfecte cirkel rond de zon draait. De aarde draait, net als vrijwel alle andere hemellichamen, "tegenkloksgewijs". Linksom dus, als je op de noordpool staat en naar beneden kijkt.
De seizoenen die wij op aarde hebben zijn het resultaat van een lichte helling van de as van de aarde, en de stand ten opzichte van de zon. De as van de aarde heeft een helling van 66 ˝ graden tov het vlak dat door het midden van de aarde is getrokken.De richting van de as verandert niet tijdens de omwentelingen van de aarde en wijst altijd naar de Poolster.
Solstice and equinox
Je hebt een winter(december)- en zomer(juni)solstice. Doordat de as van de aarde een lichte helling maakt, en de aarde rond de zon draait, heb je dus perioden waarbij de noordpool (het eindpunt van de as op het noordelijk halfrond) soms juist dicht naar de zon wijst (zomersolstice) of van de zon af wijst(wintersolstice). Bestudering van figuur 1.15 (pag 29) is heel belangrijk want dat zegt meer dan tientallen regels met woorden.
Tussen de twee maximale toestanden van solstice, zijn er nog 2 andere toestanden, namelijk de equinox-toestanden die precies tussen beide solstices in liggen. Hier maakt de as van de aarde een rechte hoek met de richting van de zon, en zijn de noord en zuidpool niet van, of naar de zon toe gedraaid. Dit zijn de herfst-equinox en de lente-equinox.
Deze vier toestanden geven de overgangen weer van de 4 seizoenen die wij op aarde kennen.
Equinox-omstandigheden: de aarde is precies opgedeeld in twee helften: een verlichte helft en een donkere helft. Dit is de ‘circle of illumination’. Het ‘subsolar point’ (daar waar de zonnestralen loodrecht op de aarde vallen) komt precies overeen met de evenaar. Als je wilt weten met welke hoek zonnestralen op de aarde vallen waar jij staat, is dat makkelijk uit te rekenen. Sta je op 40 graden N. , dan vallen de zonnestralen onder een hoek van 90-40= 50 graden op het oppervlak. Simpel rekensommetje dus.
De lengte van dag en nacht zijn tijdens de equinox overal gelijk op aarde.
Solstice-omstandigheden: de circle of illumination verdeelt de aarde niet in gelijke helften want de aarde staat onder een helling van of naar de zon toegedraaid. Als je op 40 graden N staat dan zijn in de zomer de dagen (15 uur) langer dan de nachten (9 uur). Zie figuur 1.17 (pag 31). Dit is dus anders dan bij de equinox omstandigheden waar dagen en nachten overal ter aarde gelijk waren! Je hebt tijdens de solstice ook gebieden (bij de noord en zuidpool) die 24 uur per dag nacht of dag hebben. Dat ligt aan het jaargetijde. Het subsolar point ligt in maximale toestand 23 ˝ graden N of 23 ˝ graden Z. Dit komt weer door die helling. De zonnestralen valleen dus niet loodrecht op de evenaar maar op de ‘tropic of cancer’ of ‘tropic of capricorn’. De toestanden in de winter zijn allemaal precies tegenovergesteld aan de toestanden in de zomer.
De 2 solstices en 2 equinoxen geven maar 4 omstandigheden per jaar aan. Tussen deze omstandigheden in ‘reist’ het subsolar point naar het noorden en zuiden, altijd tussen 23 ˝ graden N. en 23 ˝ graden Z.