Landschapsvormen zijn de kenmerken van het
oppervlak van land, bijvoorbeeld een rotswand, strand, ravijn of een berg. Ze
vallen uiteen in twee basisgroepen:
Ø initial landforms ® zijn gemaakt uit
vulkanische en tektonische activiteiten (lava stromen, omhoog gelifte berg
blokken a.g.v. vormveranderingen in de korst – zie figuur 12.1);
Ø sequential landforms
® initial landvorms
worden opgevolgd door sequential landforms (zie figuur 12.1b) en zijn gevormd
door Denudatie.
Denudatie kan worden verdeeld in 2
soorten krachten die op de aarde werken: krachten die van binnen uit op de
aarde werken (denk aan vulkanische en tektonische processen) en krachten die
van buitenaf op de aarde werken (denk aan water, wind en ijs). Morfologie
is de wetenschappelijke studie die de landschapsvormende processen onderzoekt.
VULKANISCHE
ACTIVITEIT
Een vulkaan is een kegelvormige
landschapsvorm die gebouwd is door de emissie van lava en het bevat gassen van
een spleet in de oppervlakte van de aarde (zie figuur 12.2). Uitgespoten
stukken uit een vulkaan worden tephra genoemd. Er zijn
verschillende soorten vulkanen:
Ø Stratovulkanen: bestaat uit felsisch lava
(hoge graad van kleverigheid) ® dat houdt in dat
deze vulkanen een steile helling hebben (materiaal uit vulkaan is immer niet
vloeibaar en kan dus ook niet lange afstanden afleggen). Bovendien bergt
felsisch lava grote hoeveelheden gas, wat tot explosieve erupties leidt.
(voorbeeld: Mount St. Helens, VS). Meeste van de stratovulkanen liggen in de
“circum-Pacific belt”. Calderas: is wat er overblijft een
vulkaanuitbarsting zo krachtig dat het de totale deel van de vulkaan vernietigd
(voorbeeld: Crater Lake, VS).
Ø Schildvulkanen: in tegenstelling tot
felsisch lava (kleverig, dik en veel gas) is mafisch lava (basalt) dun, niet
kleverig en bergt het niet zoveel gas. Erupties zijn bij deze vulkanen niet zo
explosief en gaan heel traag. Deze vulkanen komen voor op de bodem van oceanen
(denk aan de Mid-Atlantische rug,). IJsland en Hawaï hebben ook van deze
vulkanen. Vulkanen op Hawaï worden gekarakteriseerd door niet zo steile
hellingen met brede top (zie figuur 12.6). Het lava van de vulkanen is heel
vloeibaar en vindt zijn weg veelal door kloven (spleten) in de vulkaan. Bij
schildvulkanen zijn de volgende termen belangrijk:
Mantle plume: geïsoleerde
kolommen van gesmolten materiaal die heel traag omhoog komen in de asthenosfeer
(is een zachte laag tussen de lithosfeer en de mantel – zie hoofdstuk 11).
Hot spots: de plaats waar
magma omhoog komt (na de lithosfeer heet het lava).
Flood basalts: opeenstapeling van
basalt onder een continentale lithosferische plaat , die zijn uitweg vindt door
spleten.
Cinder cones: kleine vulkaan die
ontstaat door basalt magma dat onder hoge druk wordt uitgespoten uit een nauwe
spleet, daarbij tephra producerend (zie Crater Lake figuur 12.5).
FOCUS ON SYSTEMS 12.1 · THE LIFE CYCLE OF VOLCANO
Een voorbeeld van een niet-organische levenscyclus (zo’n cyclus herhaalt zich niet steeds, maar is een continue proces dat bestaat uit een aantal stages van begin tot eind) is een vulkaan. De levenscyclus van een basaltische schildvulkaan is interessant vanwege zijn enorme groei. Een voorbeeld van zo’n schildvulkaan zijn de vulkanen in Hawaï. De bron van magma is een hot spot. De levenscyclus van zo’n vulkaan (afgebeeld op pagina 314) bestaat uit een aantal fasen (zie voor die fasen de figuur op pagina 315):
Ø Fase 1: het magma komt uit de hot spot omhoog en vormt op de oceaanbodem een lage, uit basaltisch lava bestaande, dome
Ø Fase 2 en 3: als de dome op hoogte is, dan ontstaat een caldera.
Ø Fase 4: post-caldera fase: grote kegelvormen binnen het caldera vormen zich.
Ø Fase 5: de rustfase ® erosie (door golven) zorgt ervoor de berg lager wordt en afvlakt.
Ø Fase 6: atol fase: als erosie processen “compleet” zijn. Een atol is een ronde, gesloten koraalrif met een lagoon (NL: lagune) waarin zich geen eiland bevindt.
Ø Fase 7: alleen guyot (een onderwater liggend overblijfsel van een vulkanisch eiland) blijft over.
Als een vulkaan wegtrekt van een mantle
plume, dan ondergaat de vulkaan de fasen 5-7 van de levenscyclus ® gevolg: een lange lijn van
allemaal gezonken eilanden en guyots (zie de figuur op pagina 315
en figuur 11.8).
Hete
bronnen en Geisers: waar heet gesteente dichtbij het oppervlakte ligt, kan het grondwater
opwarmen tot hoge temperaturen (hete bronnen). Als het opgewarmde water met
intervals en uit een smalle spleet komt, spreekt men van geisers.
Er zijn twee vormen van tektonische
activiteit: compressional en extensial (zie hoofdstuk 11).
Ø Compressional (Fold belts): Als er continentale
botsing plaatsvindt, wordt het stratum a.h.w. opgevouwen: het gaat plooien. Zo
ontstaan anticlines en synclines (zie figuur 12.12).
Voorbeeld hoervan is het Jura Gebergte in Frankrijk en Zwitserland.
Ø Extensial (Faults): Een breuk in het broze
gesteente van het aardoppervlak doet zich voor, wanneer gesteenten opeens door
ongelijkheid gaan verplaatsen. Breuken kunnen aardbevingen veroorzaken. Ze
kunnen kilometers lang zijn en ook vele kilometers diep zijn.
Er zijn verschillende soorten breuken:
Ø Normale breuk: de aardkorst komt aan één
kant omhoog en aan één kant omlaag. Zo ontstaat een fault scarp (een steile,
rechte rotswand). Normale breuken zijn geen geïsoleerde verschijnselen. Ze
komen vaak voor als een set van parallelle breuken. Dit uit zich in Graben
(een stuk oppervlak dat naar beneden is geschoven) en Horsten
(een blok dat juist naar boven is geschoven, resulterend in een plateau
of een berg. In gescheurde zones van de continenten worden block mountains gevormd.
Er zijn twee vormen: tilted block en lifted block. (zie de
figuren 12.15a, 12.17 en 12.18).
Ø Transcurrent fault (strike-slip fault): waar twee platen
langs elkaar heen bewegen. De bewegingen zijn voornamelijk horizontaal en er
ontstaat slechts een hele smalle breuk (voorbeeld: San Andreus Fault). (zie de
figuur 12.15c)
Ø Reverse fault: bij een reverse fault
schuift de ene plaat over de andere. Ook bij een reverse fault ontstaat een
steile, rechte rotswand, alleen bestaat deze nu uit allerlei lagen (voorbeeld:
The San Fernando en The Northridge). (zie figuur 12.15b).
Ø Overthrust fault: bij deze breuk is alleen
maar sprake van horizontale bewegingen. Zie voor meer info hoofdstuk 11 en
figuur 11.15.
Een aardbeving is een vorm van energie van
golven die worden doorgegeven door de oppervlakte laag van de aarde. Die golven
die verbreiden zich van een zeker punt, de focus. Meeste aardbevingen worden
geproduceerd door bewegingen van platen. Voorbeeld:
San Fransisco 1906 (transcurrent fault). Aardbevingen kunnen ook ontstaan door
vulkanische activiteit, wanneer magma toe- of afneemt in de magmakamer.
Seismologische activiteit (de herhaalde
voorkoming van aardbevingen) komt vooral voor waar oceanische platen subductie
(zie p. 286) ondergaan (zie figuur 12.22). Tsunami (ook wel seismic sea wave) is
een aardbeving die gecentreerd waar subductie plaatsvindt.
Breuk Focus Tephra
Denudatie Caldera Mantle
plume
Landschapsvorm Hot Spot Flood basalts
Morfologie Cinder cones Atol
Normale breuk Guyot Anticlines
Plooiing
(folding) Horsten Tilted
block
Schildvulkaan Lifted
block Reverse
fault
Stratovulkaan Overthrust
fault Vulkaan
Synclines Fault scarp Graben