Strahler & Strahler, Hoofdstuk 11:

De Lithosfeer en de platentektoniek, blz 273-303

 

Platentektoniek: De theorie die de bewegingen en de veranderingen van de continenten door de tijd beschrijft, alsmede de processen die deze vormen en afbreken.

 

De krachten die aan de basis liggen van de platentektoniek worden aangedreven door energiebronnen in het binnenste van de aarde. Deze krachten zijn onafhankelijk van oppervlakteprocessen. Andersom zijn oppervlakteprocessen afhankelijk van de platentektoniek.

 

      De structuur van de aarde

De kern:    Straal: ±3500 km

            Temperatuur: 2800ºC-3100ºC

            Samenstelling: vooral ijzer, ook nikkel

            Fase: binnenste vast, buitenste vloeibaar

De mantel:  Dikte: ±2900 km

            Temperatuur: (van mantel naar korst) 2800ºC-1800ºC

Samenstelling: ultramafisch, stollingsgesteenten, olivijn, periodiet

            Fase: vast

De korst:   Dikte: ±8-40 km

Samenstelling: vooral stollingsgesteenten, maar ook metamorfe gesteenten en een relatief dunne laag afzettingsgesteente.

 

Continentale korst:

onderkant mafisch (hoge dichtheid)

bovenkant felsisch (lage dichtheid) graniet

veel metamorfe gesteenten

geen strikte scheiding: continuum

±35 km dik

 

Oceanische korst:

Bijna geheel mafisch (onderkant: gabbro, onderkant: basalt)

±7 km dik

 

      De lithosfeer

De lithosfeer:    omvat de korst en de koelere buitenlaag van de mantel. Is gebarsten en bestaat uit lithosferische platen die onafhankelijk van elkaar bewegen.

Dikte: 60-150 km.

De asthenosfeer:  is de taaie vloeibare laag tussen de vaste lithosfeer en de vaste mantelgesteenten die dieper liggen.

Temperatuur: 1400ºC, niet compleet vloeibaar door druk van de bovenliggende lagen.

Diepte: 300 km

 

      De geologische tijdsschaal

[TABEL 11.1, BLZ. 274]

Tijdperken:

1)    Precambriaan: ouder dan 570 miljoen jaar

2)    Paleozoïcum: opgedeeld in tijdperken

3)    Mesozoïcum: opgedeeld in tijdperken

4)    Cenozoïcum: opgedeeld in epochs

 

De mens bestaat sinds het late Plioceen

 

      Continenten en oceaanbekkens

29% van de aarde is land

71% van de aarde is oceaan

Er is ook (ondiepe) oceaan op continentale platen →

35% van de aarde is continentale plaat

65% van de aarde is oceanische plaat

 

[P278: Working it out 11.1: Radiometric Dating, niet samengevat]

 

      Reliëfkenmerken van continenten

Continentale platen:

-actieve gordels van bergschepping (“mountain-making”)

1) Vulkanisme

2) Tektonische activiteit

3) Combinatie 1 en 2 (hoofdstuk 12)

-passieve regio’s van oude, statische gesteenten

 

      Alpine ketens

Smalle zones

Locatie: langs continentale randen

Uiterlijke kenmerken: hoge, spitse bergen

Op wereldkaart: brede, gebogen lijnen. Elke sectie = “mountain arc

De getekende secties zijn onderverdeeld in 2 berggordels:

1)    de “circumpacific”-gordel

2)    de Euraziatische-Indonesische gordel

[FIGUUR 11.5, BLZ. 279]

 

      “Continental shields”

Het grootste deel van de aarde bestaat niet uit bergscheppende gebieden:

1) “continental shields”:

laaggelegen continentale oppervlakken, met daaronder stollingsgesteenten en metamorfe gesteenten in complexe patronen. [FIGUUR 11.6, BLZ. 280]

Onderscheid: -“exposed shields”: oude gesteenten aan de oppervlakte,              oorsprong vooral precambriaan.

Uiterlijke kenmerken: lage heuvels, lage plateaus, geërodeerd,     maar enkele uitzonderingen

-“covered shields”: bedekt door sediment, oorsprong vooral  Paleozoïcum, Cenozoïcum. Vroeger vaak bedekt door ondiepe zeeën.

2)    Oude gebergtebases:

Paleozoïsche en Mesozoïsche sedimentaire gesteenten, vervormd en in veel gevallen veranderd in metamorfe gesteenten.

Uiterlijke kenmerken: lange, smalle bergkammen. Meestal lager dan 1000 meter (hoofdstuk 16). Voorbeelden: Caledonisch gebergte (Scandinavië en Schotland en beetje in Oost-Canada, New England), 400 miljoen jaar oud; Appalachen, 250 miljoen jaar oud.

 

      Reliëfkenmerken van oceaanbekkens

Samenstelling: basalt (jong gesteente, meestal <60 miljoen jaar oud) + relatief dun laagje sediment.

 

      Midoceanische bergrug

Onderzeese heuvels die langzaam stijgen tot een geaccidenteerde centrale zone met in het midden een smalle askloof (“axial rift”), een soort trog. De oceanische plaat wordt daar ‘uit elkaar getrokken’.

[FIGUUR 11.5, BLZ. 279]

 

      De oceaanbodem

Diepte: ±5 km, grote vlakten (abyssale vlakten, bedekt met fijn sediment) en heuvelgordels. [FIGUUR 11.7, BLZ.281 en 282]

 

      De continentale grenszones (“continental margins”)

3e vormelement van een typische oceaanbodem: contact continentale platen en oceanische platen.

 

[FIGUUR 11.9, BLZ.284]

Naarmate de continentale plaat wordt genaderd stijgt de oceanische plaat: eerst geleidelijk (“continental rise”), daarna snel (“continental slope”). De top van deze helling (“continental shelf”) is een langzaam stijgende vlakte met een een lengte van 120-160 km. De diepte van het water is hier ±150 m aan de uiterste rand. Dit is een passieve continentale grenszone.

Langs deze grenszones hebben zich dikke lagen (continentaal) sediment gevormd. Oorsprong: Laat Mesozoïsch – Cenozoïsch.

Op de “continental shelf” is de sedimentlaag wigvormig (bij dwarsdoorsnee) met de punt richting continent. Aanvoer: rivieren, spreiding: stromingen.

Onder de “continental rise” en de abyssale vlakte ligt diepzeesediment, afgevoerd van de “continental slope”. Het gewicht hiervan drukt de oceanische korst ineen in de grenszone.

 

Rivierdelta’s vormen onderzeese kloven in de “continental shelf”. Waar de stromen uit de kloven komen zetten zij sediment af en vormen zo diepzeekegels (“deep-sea cones”). [FIGUUR 11.10, BLZ.284]

 

De grote oceaan heeft ook actieve continentale grenszones, gekenmerkt door bergketens of eilandketens met diepe oceanische troggen uit de kust. Troggen kunnen tot 11 km diep zijn, maar zijn meestal 7-10 km diep.

 

Platentektoniek

[FIGUUR 11.11, BLZ. 285]: Belangrijkste tektonische processen.

Onder oceanische korst: oceanische lithosfeer (±50 km dik)

Onder continentale korst: continentale lithosfeer (±150 km dik)

 

      Platenbeweging en interactie

Spreidingszones: uit elkaar drijven van platen, gat vult zich met magma (boven: basalt, onder: gabbro)

 

Convergentiezones: oceanische plaat ‘duikt’ (door hogere dichtheid en mindere dikte) onder een continentale plaat: subductie. De plaat ‘smelt’ in de asthenosfeer. De onderkant (hogere dichtheid) wordt weer mantelgesteente; de dunne bovenkant wordt magma en neigt tot stijgen. Aan het aardoppervlak manifesteert dit zich als vulkanisme.

 

Transformatiezones: Waar platen langs elkaar schuiven ontstaat een transformatiebreuklijn (“transformfault”), een verticale ‘scheur’ door de hele lithosfeer.

 

Accretion (groei door aanvulling) en consumption (krimp door smelting).

Accretion > consumption: expansie van de plaat

Accretion < consumption: krimp van de plaat

Accretion = consumption: gelijk blijvende grootte van de plaat

 

[FIGUUR 11.13, BLZ.286]: alle 3 in schema

 

      Het mondiale systeem van lithosferische platen

Er zijn 6 grote platen: [TABEL 11.2, BLZ. 289 & FIGUUR 11.14, BLZ. 287-289]

 

1) De grote Pacifische plaat:

Beslaat bijna de hele Grote oceaan en een ‘splinter’ continentale plaat (Califorië); bijna geheel oceanische lithosfeer; beweegrichting NW → subductie aan noord- en westgrens, spreiding aan zuid- en oostkant; Californië = transformatiezone.

 

2) De grote Amerikaanse plaat:

Beslaat de continentale lithosfeer van beide Amerika’s en de volledige oceanische lithosfeer van de Atlantische oceaan tot de midoceanische bergrug; westen: subductie, oosten: spreiding.

 

3) De Euraziatische plaat:

Vooral continentale lithosfeer + oceanische lithosfeer aan west- en noordkust.

 

4) De Afrikaanse plaat:

Centrale kern van continentale lithosfeer, bijna geheel omgeven door oceanische lithosfeer.

 

5) De Australisch-Indiase plaat:

Vooral oceanische lithosfeer met 2 continentale kernen: Australië en India. Recent onderzoek: Misschien zijn Australië en India aparte platen.

 

6) De Antarcticaanse plaat:

Ellipsvormig, bijna compleet omgeven door spreidingszones. Continentale kern, omgeven door oceanische lithosfeer.

 

Er zijn 9 kleinere platen:

 

1&2)  Nazca en Cocosplaten van de oostelijke Grote Oceaan: Spreidingszone    in westen, subductie in oosten

3)    Filippijnse plaat: Subductie aan oost- en westzijde

4&5)  Caroline en Bismark: Oostelijk van Filippijnen

6)    Arabische plaat: 2 Transformatiezones, drijfrichting: NO

7)    Caribische plaat: Transformatiezones

8)    Juan de Fuca: Zal verdwijnen onder de Amerikaanse plaat.

9)                Scotia: Zal verdwijnen door subductie onder Amerikaanse en Antarcticaanse plaat.

 

Schematisch weergegeven in [FIGUUR 11.15, BLZ. 292]

 

[P290/291: Focus on systems 11.2: The Wilson cycle and Supercontinents, niet samengevat.]

 

Subductietektoniek

 

Convergentiezones: intense tektonische en vulkanische activiteiten.

 

[FIGUUR 11.16, BLZ. 293]: Geologische processen bij subductie

 

De trogas (“trench axis”) is de plek waar de sedimenten van verschillende bronnen elkaar ontmoeten. Zee: klei en “ooze” (Eng: modder, slib, slijk); Continent: zand en “mud” (Eng: slijk, modder, leem). De sedimenten ‘glijden’ dieper en dieper in een wigvorm tot zij in een staat van “accretionary prism” verkeren, waarin metamorfose plaatsvindt. Dit brengt een expansie van de continentale plaat teweeg- de metamorfe gesteenten worden een deel van de continentale plaat. De “accretionary prism” heeft een lage dichtheid, dus buigt af naar boven en vormt zo een tektonische kam (“tectonic crest”). Soms vormt het een eilandketen (“tectonic arc”).

Tussen de tektonische kam en het vasteland bevindt zich een “forearc trough” die sediment vasthoudt. De bodem hiervan daalt langzaam door het gewicht. Soms is de zee erboven ondiep.

Door opwarming van de oceanische plaat ontstaat basaltische magma. Bij stijging zorgt dit voor een chemische reactie in de continentale plaat die andasiet magma opwekt: vulkanisme.

 

 

      “Orogeny”

Hoge bergketens worden omhooggestuwd door:

1)    compressie bij convergerende platen

2)    extensie bij spreidingszones

 

Proces bij compressie:

[FIGUUR 11.17, BLZ. 295]

Alpine gebergten bestaan normaliter uit hevig gedeformeerde lagen van mariene oorsprong. Compressie ‘buigt de lagen over zichzelf heen’ (Probeer eens met textiel) in golfachtige plooien (“folds”). Later buigen ze weer in (“recumbing”).

Tegelijkertijd ontstaat er tussen de ondergrondse lagen een breuklijn waardoor de bovenste lagen gesteente over de onderste heen kunnen schuiven (“overthrust faults”). Individuele lagen worden “overthrust sheets” genoemd; in Europa: “nappes”.

De gedeformeerde rotsformaties heten “orogen”. Het gehele proces: “orogeny”.

De “thrust sheets” gleden/glijden naar beneden in de richting van de beweging van de “sheet”. Dit proces heet “gravity gliding”. De (opwaartse) druk van het grondwater versoepelt dit proces.

 

      Orogensen botsingen

Continentale botsingen: er kan geen subductie plaatsvinden. Gevolg: “orogeny”. Het proces heet in dit geval “telescoping”. De platen ‘vergroeien’ en er vindt uiteindelijk geen tektonische activiteit meer plaats in de grenszones.

Hierbij worden 2 soorten “orogens” onderscheiden:

1)    “orogeny” door botsing van relatief klein, maar hoog stukje continentale korst tegen een grote massa van continentale lithosfeer.

2)    “orogeny” door botsing van 2 grote massa’s van continentale lithosfeer.

 

Voor type 1:

-Vulkanische eilanden

-Microcontinenten (zoals Honshu, de Filippijnen en Hispaniola)

      …omgeven door oceanische korst.

 

      “arc”-continent botsing

[FIGUUR 11.18, BLZ. 297]

Hierbij is de impact van het vulkanische eiland de oorzaak van de grote afstand die de “thrustsheet” aflegt op de continentale plaat. Décollement is de naam van dit “thrust”vlak, omdat het op de grens ligt van de nieuwe lagen en de oude kristallijne gesteenten eronder.  

Gesteenten van het vulkanische eiland worden metamorfe gesteenten.

Er ontstaat een nieuwe subductiezone aan de oostkant (op het plaatje) van het voormalige eiland.

Magma stijgt op in het metamorfe gesteente. Dit heeft twee gevolgen:

1)    Er ontstaat felsische magma: andasiet en rioliet lava.

2)    Het verdikt de “orogen” waardoor de verbinding met het continent sterker wordt.

 

De aangewassen “terranes” van west Noord-Amerika

[FIGUUR 11.19, BLZ.297]

Onderzoek van vaste gesteenten (“bedrock”) wijst uit dat veel gesteenten in de kuststrook afkomstig zijn van vroegere minicontinenten. Zodra de aanhechting had plaatsgevonden, werden de stukken land uiteengescheurd langs breuklijnen. Vandaar het versnipperde karakter.

 

      Continentale botsingen (type 2 “orogens”)

 

Cenozoïsch tijdperk. Langs een grote tektonische lijn aan de zuidelijke grens van de Euraziatische plaat [FIGUUR 11.20, BLZ. 298].

1)    Het Europees segment: Afrika – Eurazië

2)    Het Perzisch segment: Arabische plaat – Eurazië

3)    Himalayaans segment: India –Eurazië

 

[FIGUUR 11.21, BLZ. 299]: passieve zone en actieve zone. Oceaan verdwijnt, proces van “telescoping”, de centrale “thrusts” worden omhooggeduwd. De nieuwe gesteenten: continentale hechting (“continental suturs”).

De Oeral is zo’n continentale hechting uit het Paleozoïcum.

 

      Continentale breuk en nieuwe oceaanbekkens

Atlantische grenszones: passieve continentale grenszones, worden gevormd wanneer een continentale plaat scheurt.

 

[FIGUUR 11.22, BLZ. 299]: De korst wordt opgeheven en uit elkaar gerekt wanneer de lithosferische plaat omhoog kromt. Dit geschiedt langs breuklijnen. Een “rift valley” ontstaat. Deze vult zich met magma, die tot nieuwe korst wordt. Een smalle oceaan vormt zich. In de oceaan ontstaan ook transformatiebreuken, in welk verlengde transformatie ‘littekens’ (“transform scars”) lopen [FIGUUR 11.11, BLZ. 285].

 

Wat is de aanjager van tektoniek? ‘Radioactief verval van onstabiel isotopen in de korst en mantel.’ [P300: Focus on systems 11.3: the power source for plate movements, niet samengevat]

 

Continenten uit het verleden

Theorie van het suprecontinent:

1)    Alfred Wegener (1915) ontwierp ‘Pangea’ (ca. 300 miljoen jaar geleden)

2)    Vladimir Köppen kwam met het ‘bewijs’ van de spreiding van flora en fauna.

3)    Jaren ’60: seismologen tonen continentale beweging aan. Wegeners theorie wordt aangenomen, maar op basis van een ander mechanisme.

 

[FIGUUR 11.24. BLZ.302]: Stadia van spreiding en routes van de continenten.

Pangea: Laurazië (Noord)

        Gondwana (Zuid)      

 

 

 

---------------------------------------------------------------------------

Engelse begrippen zijn zoveel mogelijk vertaald. Omdat ik niet weet (a) of het de juiste (officiële) vertalingen zijn en (b) welke begrippen in het tentamen gebruikt worden staan de Engelse begrippen tussen aanhalingstekens (de dubbele komma’s).

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

November 2001

Michiel Lippus 0023957

Hosted by www.Geocities.ws

1