B1VAK - Physical Geography - Alan Strahler en Arthur Strahler (door Rian Sleegers)
De korst en zijn componenten
De dunne buitenste laag van de aarde is de korst. Deze is 8-40 km. Dik en bevat de continenten en de oceaanbodem. De belangrijkste component is zuurstof (47%) gevolgd door silicium (28%). Aluminium en ijzer spelen een belangrijke rol. Deze metalen zijn belangrijk voor onze industriële samenleving. Verder zitten er ook nog een aantal radioactieve elementen in en andere metalen die belangrijk zijn voor de planten en de dieren.
Mineraal = een natuurlijk voorkomende anorganisch stof met een kenmerkende chemische samenstelling en een karakteristieke atomische structuur (meestal kristalrooster)
Gesteenten = verzameling van mineralen in een vaste staat
Mineralen zijn dus gecombineerd in gesteenten.
De gesteenten van de korst zijn in te delen in drie hoofdgroepen:
Deze drie soorten gesteenten staan in verbinding met elkaar en vormen de basis van de gesteentecyclus (blz. 256 fig. 10.3).
Deze ontstaan als magma van die in de aarde in of op de korst komt en afkoelt. De meeste stollingsgesteenten bestaan uit silicaatmineralen (Si en O). Er zijn twee groepen stollingsgesteenten:
-Feldspaten (Si, O, Ca, Na, K)
Deze zijn licht van kleur en hebben een laag soortelijk gewicht
- Olivijn
(Si, O, Fe, Mg)
Deze zijn donker van kleur en hebben een hoger soortelijk gewicht dan de felsische
Groep.
Geen enkel stollingsgesteente bestaat uit alle silicaatmineralen. Meestal bevat een stuk gesteente en aantal van die mineralen.
Magma dat onder het aardoppervlakte stolt, heet dieptegesteenten. Als magma door het aardoppervlakte gaat (dan heet het magma) en boven het aardoppervlakte afkoelt, dan heet het oppervlakte gesteenten.
Alhoewel beide gesteenten van hetzelfde materiaal afkomstig zijn, zien ze er toch anders uit. Diepte gesteenten koelt langzamer af en heeft daardoor een grotere kristal en een grove structuur. Oppervlakte gesteente koelt veel sneller af en heeft daardoor een kleinere kristal en dus een fijne structuur.
Als er tijdens het afkoelen nog gassen in de lava zitten, krijgt het gesteenten een bobbelige structuur (scoria). Als lava afkoelt kan het ook een glimmend, natuurlijk vulkaanglas worden (blz. 259 fig. 10.8).
Er zijn vier soorten diepte gesteenten:
- kwarts en feldspaten
- feldspar en donkee silicaten
- donkere silicaten, feldspar en olivijn
- olivijn en donkere silicaten
Hoe zwaarder gesteenten is, hoe dieper het in de aarde zit.
Van 3 van de 4 diepte gesteenten bestaat er ook een oppervlakte variant:
Een enorm groot stuk diepte gesteente heet een pluton. Vooral graniet hoopt zich op in een pluton die dan ‘batholiet’ heet (batholith blz. 260 fig. 10.9). Er zijn nog twee vormen van plutonen; ‘sill’ waar magma tussen twee gesteentelagen stroomt en ‘dike’ dat de verticale variant van de ‘sill’ is. Hier wordt door de druk van magma het gesteente opengespleten.
Omdat de omstandigheden voor stollingsgesteente veranderen als ze boven of net onder het aardoppervlak komen, blijven de gesteente niet langer dezelfde gedaante houden. Het meeste gesteente ondergaat een langzame chemische verandering dat de structuur verzwakt; de minerale verandering.
Zuurstof dat in de grond en water zit, kan ervoor zorgen dat mineralen oxideren. In dit geval betekent het dat er zuurstof bij de silicaatmineraal word toegevoegd door middel van een chemische reactie. Een andere chemische verandering ontstaat als er water gecombineerd wordt met een silicaatmineraal. Dit heet hydrolyse. Een van de producten van de chemische verandering is de klei mineraal, maar ook koolzuur dat sommige mineralen zelfs kan oplossen.
Het stollingsgesteente is de grootste leverancier van materiaal. Sedimentaire gesteenten bevatten grote fysische en chemische verschillen. Als er stollingsgesteenten en metamorfe gesteenten is afgebroken, wordt dit sediment door lucht, water of ijs naar een lager gelegen deel getransporteerd waar het sediment kan sedimenteren. Overigens hebben wind en ijs niet perse een langer gelegen deel nodig.
Na een lange tijd ondergaat het sediment een fysische en chemische verandering en wordt het weer stollings- of metamorfe gesteenten.
Er zijn drie soorten sedimenten:
Deze laatste twee groepen worden ook wel aangeduid als niet klasistische sedimenten.
Het sediment hoopt zich in horizontale zones op die ook wel strata of geologische lagen worden genoemd.
Klasistisch sedimentair gesteenten
Deze bestaan dus uit materiaal van de drie gesteenten groepen. Silicaat mineralen zijn de belangrijkste, maar ook klei mineralen komen er in voor. De grootte en de zwaarte van de deeltjes bepalen hoe ver de deeltjes getransporteerd worden. Met het gewicht en de grote hangt ook het sedimenteren samen. De grootste en zwaarste deeltjes worden dus minder ver getransporteerd en ze bezinken ook eerder dan de kleinere en lichte deeltjes. Hierdoor worden de deeltjes gesorteerd.
Als het sediment zich ophoopt, worden de onderste strata onder druk gezet. De druk perst het sediment samen en het water er uit. Tezamen met een hoge temperatuur kan er sedimentair gesteenten ontstaan. De belangrijkste variaties van klasistisch gesteente kun je onderscheiden door de grootte van de deeltjes:
heten kleisteen.
Sedimentaire gesteenten met modder als basis zijn zo gelaagd dat ze makkelijk breken in smalle laagjes en platen. Het gesteenten is dan splijtbaar en heet dan zachte leisteen.
Chemisch veranderd sedimentair gesteenten
Onder gunstige omstandigheden worden mineralen samenstellingen afgezet uit zeewater en verzilte inlandse meren in woestijn klimaten. Een van de meest voorkomende is de kalksteen die in de laatste eeuwen veel in oude zeestraten is afgezet (bijv. in Normandië). Samen met dolomiet horen deze tot de koolstofgesteenten. Verder behoren tot deze groep ook chert (silicaat) en evaporieten (verdampingsgesteenten).
Dit is het organisch sedimentair gesteenten. Dit zijn de fossiele brandstoffen (o.a. veen, kolen, petroleum en natuurlijk gas. (blz. 264-265 kun je een keer doorlezen).
Als stollingsgesteenten of sedimentair gesteenten onder hoge druk en temperatuur staat, veranderen ze in metamorfisch gesteenten. Door het smeltingsproces ontstaan er verschillende mineralen variaties:
· Leisteen: zachte leisteen blootgesteld aan hitte en druk die splijt in harde platte platen
· Schist: zachte leisteen blootgesteld aan nog hogere druk en hitte met een ruw en onregelmatig oppervlak. Dit is de meest geavanceerde vorm van metamorfisch gesteente
· Kwartsiet: zandsteen dat is samengevoegd door silicaatcement in een hard gesteente van kwarts.
· Marmer: kalksteen blootgesteld aan druk en hitte en hierdoor een grotere en uniformere kristal krijgt
· Gmeiss: gesteente dat het resultaat is van blootstelling van klasistisch sediment of stollingsgesteente aan hitte en druk.
Er is in de gesteentecyclus sprake van twee milieus.Een aan de oppervlakte waar lage druk en lage temperatuur voorkomt en eentje in de diepte waar hoge druk en hoge temperatuur is. Het principe van de gesteentecyclus is als volgt: als gesteenten van het ene milieu richting het andere gaan, veranderen de omstandigheden zodanig dat de gesteenten getransformeerd worden naar een ander gesteente.
Deze gesteentecyclus is al actief vanaf het moment dat onze planeet vast en intern stabiel werd. Geen van de gesteenten die we nu nog terug vinden op aarde bestaat dus uit het ‘originele’ (allereerste) gesteente van de korst.
In de gesteentecyclus spelen een hoop elementen mee zoals zonne-energie en radioactieve hitte.Een gedetailleerde beschrijving hiervan is te vinden in FoS 10.2 op blz. 268 (lezen aanbevolen). Hieruit blijkt dat ook zwaartekracht en de oceanische en atmosferische circulatie (de rotatie van de aarde en het getij) een rol spelen.