Jones, H3, and Mortality: International Variations
Traditionele minder ontwikkelde samenlevingen: hoge geb/sterfte cijfers. Ontwikkelde landen: lage cijfers. Bevolkingsgroei in overgangsperiode want de sterftecijfers dalen eerder dan de geboortecijfers.
Sterftematen
Voor het bestuderen van variaties in sterfte zijn er maten nodig met als tijdsinterval een jaar om seizoensvarianties uit te sluiten.
Ruw sterftecijfer
Aantal doden/bevolkingsomvang (halverwege jaar) * 1000. ruw (crude) omdat geen onderscheid is gemaakt in bevolkingsgroepen, geslacht en leeftijd. Vb. Costa Rica heeft lager sterftecijfer dan Nederland door jongere bevolkingsstructuur.
Leeftijds- en geslachtsspecifieke sterftecijfers
Aantal sterftes gedurende een jaar van personen met een bepaalde leeftijd en geslacht per 1000 personen met die leeftijd en geslacht. Algemeen: mannen hoger sterftecijfer in alle leeftijden en minimale sterfte in de 5-14 groep. Door specifieke cijfers veel gegevens, maar moeilijk op te nemen daarom is er standaardisatie.
Gestandaardiseerd sterftecijfer
Bepaalde bevolking(sgroep) met bepaalde leeftijd/geslacht vergelijken met een standaard bevolking (qua opbouw). Zie formule pag. 25. Door standaardisatie wordt de leeftijdsopbouw van een gebied of land uitgesloten.
Levensverwachting bij geboorte
Gemiddeld aantal jaren dat een groep personen, geboren in hetzelfde jaar, te leven heeft, ervan uitgaande dat de leeftijdsspecifieke sterftecijfers van dat jaar gehandhaafd blijven. Berekening levensverwachting bij geboorte zie pag. 26 onderaan.
Kindersterftecijfer
Aantal sterftes van kinderen in hun eerste levensjaar per 1000 levendgeborenen. Indicator voor gezondheidszorg en algemene levensstandaard.
Kwaliteit van de gegevens
De gegevens zijn vaak niet al te betrouwbaar. Vooral in minder ontwikkelde landen. Soms zijn delen van een land niet geregistreerd of geschat door middel van een steekproef. Vaak worden kinderen die sterven in de eerste week niet gemeld.
Sterfte en ontwikkeling
Verwachte relatie tussen welvaart en sterfte gaat niet altijd op. In de 19e eeuw vielen de meeste doden door ziektes in de welvarendste gebieden (steden).
Aggregate data analysis
Relatie tussen sterfte en welvaartscijfers is logaritmisch, die tussen scholing en sterfte lineair. (zie figuur 3.1)
Spatial patterns
Bij de levensverwachting bij geboorte is een patroon te zien waarbij de Westerse wereld aan het ene (positieve) uiteinde staat en de gebieden in Tropisch Afrika en Zuid - Azië aan het andere (negatieve) uiteinde.
Doodsoorzaak en ontwikkeling
Problemen met cijfers, vaak geen vaststelling doodsoorzaak en verschillende indelingen door landen maken het vergelijken moeilijk. Uit figuur 3.3 blijkt dat infecties en parasitaire ziektes de belangrijkste doodsoorzaak zijn in landen met een lage levensverwachting, zoals landen in Tropisch Afrika. Dit komt ook door de ligging in warme, vochtige gebieden. Groep 2 en 3, Kanker en hartziektes, zijn de belangrijkste doodsoorzaak in de ontwikkelde landen, ook gevolg van de leeftijdsstructuur (klein deel), hoewel 2 en 3 lijken niet echt afhankelijk van welvaart. Bij "violence" horen ook auto-ongelukken.
Geslacht en ontwikkeling
Vrouwen in alle leeftijdgroepen kennen lagere sterftecijfers, verschil het grootst in ontwikkelde landen (6-7 jaar) tegen 2-4 jaar in minder ontwikkelde landen. Verschil in sterfte man - vrouw heeft biologische basis Verschil tussen landen ligt in verwaarlozing meisjes in minder ontwikkelde landen. In ontwikkelde landen zijn er twee periodes met een extra hoge sterfte onder mannen tov vrouwen. In de leeftijdsgroep boven de 50 (hogere gevoeligheid voor kanker en hartziektes) en in de groep 15-30.
Aparte behandeling landengroepen mbt sterfte
Noordwest-Europa
Verschil van mening over oorzaak bevolkingstoename in NW-Europa vanaf midden 17e eeuw: stijging geboortecijfers door meer mogelijkheden om te trouwen of daling sterfte. Gevolg echter: sterke stijging bevolking.
Data
Bovenstaand probleem wordt veroorzaakt door een gebrek aan gegevens. Register wordt pas in 19e eeuw algemeen. Door reconstructies kunnen wel schattingen worden gemaakt. Veel gegevens afkomstig van parochieregisters, maar: verschillend van kwaliteit en lang niet altijd goed bewaard gebleven: registratie van doop, huwelijk en begrafenis. Probleem: sterfte tussen geboorte en doop, periodes van ontkerkelijking.
Pretransitie patroon
Lange en korte termijn fluctuaties. Lange termijn: waarschijnlijk afhankelijk vh klimaat: 17e eeuw>koude eeuw> verminderde oogsten> hoge sterftes en lage geboortes. Korte termijn: ziektes, oorlog. Geen grote invloed van bijvoorbeeld graanprijzen (tekort aan voedsel) op sterfte. Oorzaak fluctuatie vooral epidemieën en oorlog.
Temporal pattern of decline
Figuur 3.7 voorbeeld uit Noorwegen: drie pieken in sterfte, jaren na piek sterke daling van sterfte: In sterftepiek sterven vooral zwakkeren.
Verbeterde voeding
De aanzet tot bevolkingsgroei is volgens velen een toename van de voedselvoorziening. Met name de ontdekking"van de aardappel (veel calorieën per hectare) was van belang. Tussen 1700 en 1850 nauwelijks stijging voedselproductie per hoofd, landen aangewezen op eigen voedselproductie. Na deze tijd ook voedselimport vanuit Amerika. Meer, betere voeding > minder sterfte door ziektes, maar nauwelijks directe sterfte door gebrek aan voedsel.
Toename fabrieksproductie
Door IR werden veel producten gemeengoed die de kans op ziektes deed afnemen (zeep, katoenen kleding)
Medische vooruitgang
Tot de jaren 50 werd algemeen aangenomen dat de medische vooruitgang in de 18e eeuw het meest heft bijgedragen aan de sterftedaling in die eeuw. Later is dit bijgesteld, veel mensen werden juist zieker in een ziekenhuis (verzamelplaats van ziektekiemen). Het enige wat iets heeft bijgedragen aan de sterftedaling is de vaccinatie tegen pokken (gevonden in 1798) hoewel deze pas halverwege de 19e eeuw gemeengoed werd.
Algemene gezondheidsverbetering
Vervuild drinkwater was de grootste overbrenger van ziektes, de komst van waterzuiveringsinstallaties en riolering in de 19e eeuw had dan ook een sterftedaling tot gevolg. De verbetering van de behuizing had een daling van tbc gevallen tot gevolg.
Veranderend intern karakter van infectieziektes
Verminderde vatbaarheid of minder agressieve virussen brengen ook een daling van de sterftecijfers met zich mee. Dit is echter moeilijk te bewijzen. Vooral de kindersterfte (0-5 jaar) nam af door het verminderen/verdwijnen van epidemieën, door het ontbreken van natuurlijke weerstand waren zij het meest kwetsbaar hiervoor.
Noord Amerika
Lange tijd (tot 1933) geen officiële statistieken bijgehouden. Uit locale statistieken blijkt dat N-Amerika een met Europa vergelijkbare levensverwachting had.
Zuid en Oost Europa Sovjetunie en Japan
Na een achterstand in de eerste helft van de 20e eeuw zijn deze landen ion de jaren 50 op hetzelfde sterfteniveau als de VS en W-Europa gekomen. Japan heft in de jaren 80 zelfs het laagste sterfteniveau ter wereld. In Oost-Europa en de voormalige Sovjetunie is vanaf halverwege de jaren zestig weer een daling vd levensverwachting te zien. Mogelijke oorzaken zijn inefficiënte gezondheidszorg, slecht en weinig voedsel, enorme vervuiling en alcoholmisbruik. Ook WO2 speelt een rol (USSR): veel gezonde mannen (20 miljoen) zijn toen gestorven, de ongezonde bleven over en sterven nu jong. Stijgende kindersterftes door verschuiving geboortes naar central Azië waar altijd al hoger kindersterfte was.
Minder ontwikkelde landen
In het begin van deze eeuw was de levensverwachting in Afrika, Azië en Latijns Amerika 25-28 jaar. In 1985 was dit gemiddeld 63 jaar. Voor onderscheid tussen deze werelddelen en het verband met het BNP zie tabel 3.10 p49.
Geprogrammeerde ziektebeheersing
Door ontwikkelingen tijdens WO2 is de grootste daling van de sterfte in de jaren 50 en begin jaren 60 gekomen. In ontwikkelingslanden snelle daling sterftecijfer door beschikking over vaccinaties. Veel te danken aan World Health Organisation (WHO).
Afname sterfteafname
Tegen de verwachting is de sterfteafname afgenomen, medicatie en vaccinatie programma’s hebben hun maximumresultaat bereikt. Door de hoge kindersterfte komen veel derde wereldlanden niet op het levensverwachtingniveau van de ontwikkelde landen.
Ondervoeding en armoede
Hoewel de wereld als geheel een stijging van de voedselproductie per hoofd kent, neemt die in grote delen van Afrika juist af. Toename voedselproductie door groene revolutie en meer irrigatie. Groene revolutie komt vooral ten goede aan elite. Vaak te duur en lastig voor "gewone" boer.
Slecht water en watertekorten
Belangrijkste oorzaak kindersterfte in derde wereld zijn ziektes die kiem vatten in water zoals cholera en diarree.
Voordeel van de stad
Medische faciliteiten in de derde wereld bevinden zich vooral in de steden.
Voldoening en resistentie
Er is niet alleen vooruitgang, het aantal gevallen van bijvoorbeeld malaria is in een aantal landen toegenomen. Door verminderde uitgaven en hogere kosten vaccinatie en resistentie van soorten malariamuggen tegen bestrijdingsmiddelen.
West not always the best
Westerse multinationals willen verdienen aan "gezondheid"derde wereld met als gevolg dat niet altijd de beste oplossing wordt gekozen.Vb: bekend dat borstvoeding beste is, toch promotie flesvoeding met toename ziektes door onzuiver water als gevolg.
Plattelandsontwikkeling en primaire gezondheidszorg
WHO in derde wereld vooral gericht op stad, terwijl juist ontwikkeling vh platteland gesteund moet worden. Nu vooral locale programma’s op gemeenschappen gericht.
Sociale ontwikkeling
Een hogere gemiddelde opleiding, betere positie vd vrouw hebben een positieve invloed op de (kinder)sterfte. Verschillen in BNP tussen 3e wereld landen doen er niet zo heel veel toe.
Verbeterde medische interventie programma’s
UNICEF heft actieprogramma opgesteld, zie p57 onderaan. Toekomstige sterftedaling is vooral afhankelijk van sociale veranderingen in derde wereldlanden zoals verbeterde toegang tot land, werkgelegenheid, scholing, voedsel en primaire gezondheidszorg.
Aids
Infectieziekte, komt vooral in Oost en centraal Afrika meer dan gemiddeld voor. Verspreiding in de toekomst afhankelijk van toekomstig menselijk gedrag en eventuele medische ontwikkeling.