Samenvatting hoofdstuk 3 An Overcrowding World (P. Sarre & J. Blunden)
Stabilizing population growth: the European experience
Dit hoofdstuk behandelt drie sleutelvragen:
-Hoe stabiliseerde de Europese bevolkingsgroei?
-Welke impact heeft de Europese bevolking gehad op de rest van de wereld?
-Heeft de verandering van de Europese bevolking implicaties voor wat elders zal of zou moeten gebeuren?
P= (B–D) +/- M (P= bevolkingsverandering, B= geboorten, D= sterften, M= netto migratie)
Maten voor (natuurlijke) bevolkingsgroei:
-geboorte- en sterftecijfer
-totaal vruchtbaarheidscijfer (TFR)
-levensverwachting (bij geboorte)
Reading A (blz. 149-151)
‘isogrowth curve’: een curve die die punten verbindt, waarbij de combinatie van levensverwachting en TFR steeds hetzelfde groeicijfer vertoont. Interpretatie groeicijfer:
Groeicijfers India en Denemarken gelijk, maar verschillende verhouding levensverwachting en TFR (Ind: lage TFR, hoge lev.verw., Den: andersom). Ook kan de bevolkingsgroei bij hoge sterfte en geboorte (=‘high-pressure regime’) gelijk zijn aan een situatie van lage sterfte en geboorte (=‘low-pressure regime’: gunstiger voor economische groei).
How and why did Europe’s population grow?
Na de middeleeuwen resulteerden ontdekkingsreizen vanuit Europa en technologische ontwikkelingen in de landbouw in een grotere beschikbaarheid van voedsel. Gepaard met toenemende handel, groeiende steden, ontwikkeling van industrieën, vraag naar arbeid leidde dit tot een groei van de Europese bevolking.
In pre-industrieel Europa was sprake van matige geboorte- en sterftecijfers vergeleken met de rest van de wereld. Dit had te maken met het ‘European Marriage Pattern’ (EPM), waarbij op vrij late leeftijd werd gehuwd (want dan economisch onafhankelijk). Met de agrarische en industriële ontwikkelingen (eind 18e eeuw) groeide ook de bevolking in Europa, door het op vroege leeftijd huwen (dus niet door sterftedaling).
In pre-industrieel Europa werd de hoge sterfte veroorzaakt door lage levensverwachting en hoge zuigelingen- en kindersterfte (epidemieën). In de loop van de 19e eeuw begon de levensverwachting echter te stijgen, met name dankzij medische ontwikkelingen (inenting en vaccinatie) en betere hygiëne in de water- en sanitaire inrichting (van ±40 naar ±50 in 1900). Deze levensverwachting bleef toch nog vrij laag door een relatief hoge zuigelingensterfte. De daling hiervan werd pas in de 20e eeuw ingezet. Hierbij was overigens ook sprake van regionale differentiatie: zuigelingensterfte was in industriegebieden hoger dan in rurale gebieden. De relatie tussen sterfte en levensstandaarden is nu, door de globalisatie (verspreiding van kennis), minder sterk dan vroeger.
Reading B (blz. 151-154)
Ter bestrijding en preventie van de pest (de Zwarte Dood) werden in veel Europese steden ‘Local health boards’ aangesteld, die 2 functies hadden:
-het managen van maatregelen anticiperend op of tijdens epidemieën, zoals het instellen van ‘cordons sanitaires’ (vb: ‘Militärgrenze’, grens tussen Ottomaanse en Habsburgse Rijk) of quarantaine maatregelen (= het enkele weken/maanden vasthouden van mensen of goederen afkomstig uit gebieden waar de pestepidemie heerste of verdacht was te heersen).
-het laten opereren van een ‘intelligence service’, die ervoor moesten zorgen dat ze tijdig op de hoogte waren van aanwezige pestinfecties in de omgeving van de stad of in steden waarmee de stad handel voerde. Belangrijk hierbij: Mediterrane havensteden.
Reading C (blz. 154-155)
Farr constateert een verband tussen sterfte en bevolkingsdichtheid. Sterfte moet worden teruggedrongen door ‘environmental improvements’. Hij noemt schonere watervoorzieningen en sanitaire verbeteringen (goed rioleringssysteem). Ook onderzoekt Farr de invloed van klimaat en weer op de sterfte: koud weer, mist en rook leidden tot meer sterftegevallen.
De Europese bevolkingsgroei in de 18e en 19e eeuw (max. 1,5 %) was nog altijd laag in vergelijking met de huidige bevolkingsgroei in ontwikkelingslanden (Afrika: 2,9%). Dit was niet alleen het gevolg van de langzamer dalende sterftecijfers in Europa, maar ook door de emigratie uit Europa die samenhing met de kolonisatie. Deze migranten waren relatief jong en kenden hoge vruchtbaarheidscijfers en zorgden zodoende voor een behoorlijke groei van de Europese bevolking in ‘the New World’ (N.-Amerika, Australië, Nieuw Zeeland, Zuid-Afrika, gedeelte Z.-Amerika.).
The slow-down of European population growth
20e eeuw: daling zuigelingensterfte stimuleerde geboortedaling. Sterftedaling doorgezet door:
-verbeterde levensstandaarden, hogere lonen
-medische ontwikkelingen (antibiotica, etc.)
Oost-Europa, jaren ’60: verslechtering levensverwachting (vooral mannen) door milieuvervuiling, slechte kwaliteit voedsel en huisvesting, slechte arbeidsomstandigheden, alcoholisme, roken, inadequate gezondheidszorg.
Mediterraan Europa: hogere levensverwachting door andere levensstijl. Blijkt dus belangrijker te zijn dan kwaliteit gezondheidszorg en hoogte inkomen.
Daling vruchtbaarheidscijfers begon aan het eind van de 19e eeuw in heel Europa, afgezien van de sociaal-economische en ruimtelijke differentiatie. Deze daling is behalve door economische ontwikkeling en inkomensgroei ook te verklaren aan de hand van sociaal-culturele factoren, zoals positie van de vrouw (opkomende feminisme, hoger opleidingsniveau vrouwen). Met de industrialisatie kwamen ook de secularisatie, het individualisme en het materialisme op. Kinderen verloren hun economische waarde. De rol van anticonceptiva is secundair: voorbehoedsmiddelen worden alleen gebruikt als men ook echt minder kinderen wìl.
Reading D
Man en vrouw aan het woord over het ouderschap en family planning – onsamenvatbaar
In de jaren ’30 was het TFR dusdanig gedaald dat men in veel landen onder het vervangingsniveau zat. Bezorgdheden werden geuit m.b.t. negatieve economische en militair-strategische (te weinig soldaten) gevolgen. Resultaat: geboortestimulerende campagnes door de overheid, die weinig effect hadden. Na WO ІI steeg het TFR echter snel dankzij het toenemende aantal nieuwe huwelijken => de ‘babyboom’. Halverwege de jaren ’60 daalde het TFR weer tot het niveau van voor de oorlog. Dit moment wordt dan ook gezien als het einde van de laatste fase van de demografische transitie. Alleen in Zuid-Europa zette de daling pas later in (jaren ‘80/’90). Zuid-Europa heeft op het moment wel het laagste TFR van het hele continent.
De demografische transitietheorie stelt dat het TFR uiteindelijk zou stabiliseren rond het vervangingsniveau. Echter, het TFR in Europa is onder dit niveau gekomen. Deze fase in de bevolkingsontwikkeling noemt men ook wel de tweede demografische transitie.
In hoeverre is er sprake van een (negatief) verband tussen het TFR en het welvaartsniveau? In de jaren van economische voorspoed na WO II groeide het TFR. Maar toen was het huwelijk onlosmakelijk verbonden met het krijgen van kinderen, hetgeen nu veel minder is wegens de komst van nieuwe anticonceptiva (de pil, IUD). Het is een bewuste keuze geworden om kinderen te ‘nemen’. Het individuele doel van de vrouw is minstens zo belangrijk als het familiedoel, zodat steeds meer vrouwen behalve kinderen opvoeden ook werken. Maar de relatie tussen arbeidsparticipatie en het TFR is niet duidelijk aanwezig. Ook kinderopvangfaciliteiten en de hoogte van lonen van vrouwen spelen hierbij een rol. Tenslotte is ook gesuggereerd dat o.m. de Club van Rome (bevolking/milieu) heeft bijgedragen aan een daling van het TFR.
De daling van het TFR bracht een verandering van de leefstijl met zich mee: grotere diversiteit aan huishoudentypen (samenwonen, alleen wonen, etc.), meer echtscheidingen, meer buitenechtelijke kinderen, etc. Gaan samenwonenden op latere leeftijd trouwen of worden relaties steeds ‘verhandelbaarder’? Vooral in Noord- en West-Europa nemen echtscheidingen toe, deels door soepelere wetgeving op dat gebied dan in het zuiden, maar de hoofdoorzaak moet worden gezocht in een veranderende leefstijl en veranderde waarden: vrouwen hebben geen man meer nodig voor economische zekerheid. Voor gehuwde vrouwen die werken wordt de werkdruk groter, aangezien mannen niet duidelijk meer huishoudelijke taken van de vrouw overneemt.
The impact of Europe upon the world
De emigratie uit Europa (vanaf 16e eeuw) stimuleerde de economische ontwikkeling van zowel Europa als ‘the New World’. In veel regio’s in de wereld betekende de kolonisatie echter een demografische en culturele ramp voor de inheemse bevolking: deze nam drastisch af als gevolg van westerse infectieziektes, genocide en effecten van gedwongen arbeid. Vooral West-Afrika had te lijden onder de slavenhandel. De ontvolking werd niet alleen veroorzaakt door grootschalige slavenexporten, maar ook door politieke en sociale ontwrichting van de maatschappij.
In Azië was er vrijwel geen permanente Europese vestiging, maar werd vooral voordeel gehaald uit de exploitatie van natuurlijke hulpbronnen en uit de agrarische productie. In de 19e eeuw zag Europa de wereld als een groot te exploiteren stuk grond ter stimulering van de ontwikkeling in het eigen continent.
Reading E
In de 18e eeuw kregen de Britten de macht in Bangladesh. Mede door uitbuiting van de lucratieve Bengaalse textielindustrie, werd de Industriële Revolutie in Engeland gefinancierd.
Wat betreft handelsrelaties, voeren Europese landen vooral handel met ontwikkelde landen. Bovendien hebben ontwikkelingslanden ook te lijden onder het protectionistische handelsbeleid in Europa en het afzetten van overschotten in de Derde Wereld tegen dumpprijzen, waarmee lokale boeren niet kunnen concurreren.
De ontwikkelde landen hebben een disproportionele impact op de natuurlijke hulpbronnen (box 3.1, blz.136) en zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor de milieudegradatie (landdegradatie, CO2uitstoot, etc.). Voor de toekomst worden wereldwijd hogere inkomens verwacht hetgeen voor het milieu slecht zou kunnen uitpakken (toename consumptie). Aan de andere kant kunnen hogere inkomens ook een duurzamere aanpak tot gevolg hebben.
A no-growth population
De bevolkingsgroei in de ontwikkelde wereld is in tegenstelling tot die in de Derde Wereld zeer laag. Dit grote contrast is duidelijk te zien rond de Middellandse Zee, waarbij Zuid-Europa een niet-groeiende bevolking (laagst ter wereld) laat zien en Noord-Afrika en snel toenemende bevolking.
De bevolkingsopbouw in Europa toont een oude bevolking. Dit is een gevolg van dalende sterfte- en vruchtbaarheidscijfers. Halverwege deze eeuw zal 30% van de Europese bevolking ouder dan 65 jaar zijn. Deze 'ageing population' neemt enkele problemen met zich mee, zoals een arbeidstekort en een grotere behoefte aan sociale zorg. Een mogelijke oplossing hiervoor is immigratie van buiten Europa, zoals dat ook al eerder gebeurde na de WO II. In elk geval is de toekomst van Europa onzeker. De vraag is of Europa in de toekomst nog wel haar leidende positie weet vast te houden, nu het economische en demografische zwaartepunt in deze snel veranderende wereld naar Azië verschuift. Één ding dat zeker is, is dat het bevolkingsvraagstuk in Europa niet minder complex is dan elders in de wereld.
Neeldert van Laar