Hoofdstuk 6: Water
6.1 Inleiding
Hydrografie = De beschrijving van het netwerk van rivieren, meren en kanalen. Deze term wordt ook gebruikt voor de kartering van waterdiepten en dergelijke.
Hydrologie houdt zich bezig met het gedrag van water op de continenten.
Oceanografie en oceanologie houden zich bezig met het onderzoek van
zeeën en oceanen.
Hydrogeologie/geohydrologie houdt zich bezig met de ligging, afmeting,
chemische samenstelling, het ontstaan en het gedrag van het diepere grondwater.
6.2 Waterhuishouding
De term waterstaat heeft betrekking op de toestand van het water ten opzichte van het land, of de zorg van de overheid voor de bescherming tegen het water (vroeger lag hier het accent) en voor het bruikbaar houden van water (tegenwoordig ligt hier het accent). Onderdeel van deze zorg is de waterhuishouding (= het omgaan met water).
Voor de hydrologische kringloop zie figuur 6.1.
Tegenwoordig speelt in de waterhuishouding ook het verschaffen van
gunstige omstandigheden voor bepaalde ecosystemen een rol.
Integraal waterbeheer = samenhangende aanpak van oppervlakte- en
grondwaterbeheer enerzijds en kwantiteits- en kwaliteitsbeheer anderzijds.
6.3 Waterbalans van
Nederland
In een waterbalans worden de hoeveelheden inkomend en afgevoerd water vergeleken. Nederland heeft een overschot. Een deel hiervan voedt de grondwaterreservoirs, de rest wordt afgevoerd naar zee. De grote rivieren hebben zomers lage waterstanden, terwijl juist dan de verdamping groter is dan de neerslag.
6.4 De grote rivieren
De Rijn bestaat voor een groter deel uit smeltwater dan de Maas. Hierdoor is de Rijn regelmatiger over het jaar verdeeld. (Ook het Bodenmeer heeft een regulerende werking.) Er is veel menselijke invloed op de loop van deze rivieren geweest. Vooral stuwen hebben een grote invloed.
De Industrie zorgt voor een groot deel van de opgeloste stoffen in de
rivieren. De mate van verontreiniging kan uitgedrukt worden door het aantal mg
Cl- per liter. Ook de chloridebelasting wordt vaak gebruikt om de
verontreiniging aan te geven. Dit is de hoeveelheid zout die per seconde een
bepaalde doorsnede passeert. Een hoge chloridebelasting kan meehelpen aan de
verzilting van bodem- en grondwater.
Naast chemische vervuiling is er ook thermische vervuiling. Door het
lozen van opgewarmd koelwater is de temperatuur van de rivieren enkele graden
hoger geworden. Hierdoor vriezen ze minder makkelijk dicht in de winter, maar
is ook het zuurstofgehalte van het water lager, waardoor het zelfreinigend
vermogen (= het afbreken van organische stoffen tot CO2 en andere oplosbare stoffen door aërobe
bacteriën) van het water afneemt. De snelheid van dit proces is afhankelijk van
de temperatuur.
Eutrofiëring ontstaat als er meer organische stoffen het water inkomen
dan er bij het heersende O2-gehalte kan worden afgebroken. Hierdoor
ontstaat een O2 tekort, waardoor onder andere de vissen kunnen
stikken. De omzetting van organisch materiaal worden nu omgezet door anaërobe
bacteriën die geen O2 produceren maar rottingsgassen. Door de
aanwezigheid van veel voedingsstoffen groeien waterplanten snel. Normaal zou
dit het proces omkeren omdat deze planten onder invloed van zonlicht CO2
omzetten in O2. Als er echter veel algen en wieren zijn gegroeid,
blokkeren deze het zonlicht en gaat dit proces niet door.
6.7 Infiltratie
Afvoercoëfficiënt = de hoeveelheid water die via beken en rivieren
wegstroomt / de hoeveelheid neerslag. Deze hangt vooral af van de intensiteit
en duur van de neerslag, de doorlatendheid van de grond en de begroeiing.
Infiltratie is groot in de pleistocene heuvelgebieden en in de
kustduinen. Dit water komt elders voor een deel weer aan de dag als kwelwater.
6.8 Bodemwater
(zie figuur 6.4)
Hangwater = bodemwater, dat zich dicht bij de oppervlakte bevindt en dat in feite op weg is naar omlaag. Hangwater is door adhesie met de wanden van (kleine) poriën verbonden en blijft daardoor lange tijd in de bodem.
Capillair water = water dat zich vlak boven de grondwaterspiegel
bevindt in de poriën van gesteenten. Door de adhesie van het water met de vaste
deeltjes verplaatst het water zich tegen de zwaartekracht in. In het onderste
deel van de capillaire zone zijn de poriën geheel met water gevuld (=
vol-capilaire zone). Het deel van de grond waar de poriën deels met water,
deels met lucht zijn gevuld is de onverzadigde zone. Hoe fijner de poriën, hoe
groter de opstijging.
Grond- of freatisch water = Het grondwaterniveau kan worden vastgesteld
in een boorgat, waarin geen capillaire stijging kan optreden. Ook meren vormen
in hydrologische zin een deel van de grondwaterspiegel. Het deel van de grond
waarin de poriën geheel verzadigd zijn met water is de verzadigde zone.
De luchtdruk bij de grondwaterspiegel is 1 atmosfeer. In de hydrologie
gebruikt men echter de waterdruk te n opzichte van de atmosfeer (= relatieve
waterdruk). Deze is bij de grondwaterspiegel 0 Pa (=N/m2). Onder het
grondwaterniveau is sprake van een positieve waterdruk, erboven van een
negatieve waterdruk. (= Vochtspanning)
Stijghoogte = de hoogte tot waar het water stijgt in een buis met een
kort inlaatfilter (= piëzometer). Bij zo’n buis kan alleen water van 1 bepaalde
diepte de buis binnendringen. Water stroomt ondergronds van hoge stijghoogte
naar lage. Wanneer de stijghoogte boven het grondoppervlak uitkomt is er sprake
van artesisch grondwater.
pF = De logaritme van de vochtspanning.
Veldcapaciteit van de grond = de hoeveelheid water die zich na het
uitzakken van het water nog in de poriën bevindt. Deze is afhankelijk van de
grondwaterstand en treedt meestal op tussen 1,7 en 2,3 pF.
Verwelkingspunt = Het punt op de schaal van vochtspanning waarbij de
planten niet meer in staat zijn om water uit de grond te zuigen en hierdoor
verwelken.
In een door sloten omgeven terrein neemt het grondwaterniveau in
perioden met een neerslagoverschot van nature een bolle vorm aan. Het
grondwater vloeit dan langzaam richting de sloten af. (Figuur 6.6) In
droge perioden gaat de grondwaterspiegel hol staan. De kromming is sterker
naarmate de grond slechter doorlatend (kleiiger) is. De stroming van het water
in de ondergrond verloopt zeer traag.
6.9 Samenstelling van het
grondwater
Zand zelf lost niet op in de gematigde klimaatszone.
In gebieden waar het grondwater in aanraking komt met kalksteen
(Zuid-Limburg) of met kalkhoudende sedimenten, bevat het vrij veel CaCO3 en
Ca(HCO3)2.
Hard water = kalkrijk water. Als hieraan CO2 wordt
onttrokken slaat het kalk neer. Dit levert in ketels en machines de zogenaamde
kalksteen op. In de natuur slaat de kalk aan de oppervlakte neer in de vorm van
travertijn, in grotten als druipsteen.
In veen kan de zuurgraad door de aanwezigheid van humuszuren oplopen
tot een pH=4, in katteklei komt zelfs een nog hogere zuurgraad voor.
Op sommige plaatsen bevat het grondwater zeer veel ijzer. IJzer komt
voor in vele pleistocene afzettingen. Zodra het water met lucht in aanraking
komt, slaat het ijzer neer, waardoor ijzer-oerbanken kunnen ontstaan. (Figuur
6.8) Dit gebeurd bijvoorbeeld in vele beekdalen en langs de Peelrandbreuk.
(Figuur 6.9) In het rivierengebied is het voorkomen van veel geoxideerd
ijzer een indicatie voor het optreden van kwel.
In een groot deel van Nederland bevindt zich zout of brak water in de
ondergrond. Ten dele is dit fossiel zeewater, dat na transgressie in de afzettingen
is achtergebleven. Voor een ander deel is het grondwater zout geworden door de
zoutsteenafzettingen uit het Perm en het Trias.
Ook verontreiniging beïnvloedt de samenstelling van het grondwater.
Door bijvoorbeeld teveel mest kan NO3- uitspoelen naar
het grondwater, dat daardoor wordt verrijkt met voedingsstoffen. (= vermesting)
Dit grondwater kan opkwellen in voedselarme gebieden, wat leidt tot
eutrofiëring van het milieu, en daardoor tot verandering van de vegetatie. Door
de sterke verzuring van lucht en bodem is ook het grondwater verzuurd. Hierdoor
kunnen zware metalen en aluminium makkelijker uitspoelen.
6.10 Meren
Vele meren waren oorspronkelijk aanwezig in het veengebied. Plassen zijn ontstaan door het afgraven van veen.
Wielen/waaien = ronde of iets langgerekte riviertjes, die zijn ontstaan
door dijkdoorbraken.
Ook zijn er meren die hun ontstaan te danken hebben aan de winning van
klei, zand en/of grind.
In diepe meren wordt het oppervlaktewater ’s zomers sterk verwarmd,
zodat het blijft drijven op het koudere water. ’s Nachts koelt het
oppervlaktewater enigszins af, waardoor het iets naar beneden zakt. Op deze
manier kan zich een zone vormen waarbinnen de temperatuur en het
zuurstofgehalte weinig variëren. (= Epilimnion) Daaronder ligt een zone waar de
temperatuur soms enkele graden lager is. (Hypolimnion) In deze zone kan
zuurstofarmoede ontstaan, omdat er geen aanvoer van O2 van bovenaf
optreedt, terwijl de bacteriële omzetting van organische stof wel doorgaat. De
overgangszone, waarin de temperatuur snel afneemt wordt de spronglaag (of
mesolimnion) genoemd. In het najaar wordt door afkoeling van de bovenste
waterlagen het temperatuurverschil tussen het epilimniom en het hypolimnion
opgeheven en verdwijnt dus de spronglaag. Hierdoor kan er weer uitwisseling van
water in verticale richting optreden.
Op enkele plaatsen in Nederland bevinden zich meertjes, die hun
ontstaan te danken hebben aan een ondoorlatende klei- of leemlaag of een
oerbank in de ondergrond. Soms verlanden deze meertjes langzaam door
veenvorming.
6.11 Kwel en bronwater
Afgesloten grondwater ontstaat als water van hoger gelegen gebieden naar lager gelegen gebieden stroomt en daar aan de bovenkant wordt begrensd door een slecht- of niet-doorlatende laag. Het water komt dan onder druk te staan.
Artesisch water is het water dat naar boven komt als er de slecht
doorlatende laag wordt doorboord. Dit verschijnsel doet zich ook voor in het
rivierengebied. Bij hoge rivierstanden bestaat er een stijghoogteverschil
tussen het buitendijkse en het binnendijkse gebied. De opwaartse druk van het
water in het binnendijkse gebied kan zo groot worden dat de grond openbarst en
er wellen ontstaan.
6.12 Afwatering
Met betrekking op de afwatering kunnen 3
situaties onderscheiden worden: (figuur 6.15)
6.13 Polders en
droogmakerijen
Polders = gebieden waar de waterstanden door de mens worden gereguleerd. De meeste polders zijn omgeven door dijken.
Aanwassen = op natuurlijke wijze opgeslibte stukken land grenzend aan
de zee of aan rivieren. Vaak kunnen polders bij eb op natuurlijk wijze
afwateren. Overtollig polderwater wordt vaak opgeslagen in boezems. (Figuur
6.17) Dit kunnen zowel meren en kanalen zijn.
Boezemgebied = Het land dat op dezelfde boezem loost.
In het zuiden zijn getijdenverschillen groter dan langs de Hollandse
kust, omdat door het smalle Nauw van Calais het opgestuwde water onvoldoende
kan wegstromen. Langs de Nederlandse kust treedt het springtij op 2 dagen na
volle maan en nieuwe maan; doodtij 2 dagen na 1e en laatste kwartier.
De vorm van de continenten zorgt ervoor dat de hoogste vloedstanden niet overal
tegelijk bereikt worden. In de estuaria lopen de vloedstanden hoger op dan
langs de gesloten kust. Ook wind heeft veel invloed op de waterstand. De
getijdenbeweging resulteert in een noordoostelijke reststroom langs de
Nederlandse kust.
Rivierwater kan zout zeewater terugdringen, daarom moet er niet teveel
water aan worden onttrokken. In gebieden die aan zee grenzen heeft het water
dat door kwel onder de dijken doorsijpelt vaak een hoog zoutgehalte. De
sterkste verzilting is in de zandige gebieden van Zeeland. De verzilting is
onder andere toegenomen door een verbeterde ontwatering en diepere bemaling
waardoor de stijghoogte van het water aan de oppervlakte vermindert en de kwel
toeneemt. Ook de sterke drinkwateronttrekking in de duinen, waardoor de
zoetwaterzak kleiner wordt en de zoute kwel onder de duinen door toeneemt en
het aanleggen van nieuwe, diepe polders zijn enkele oorzaken. Om verzilting
tegen te gaan moet het water in de polders regelmatig worden ververst.
6.16 Waterstaat en
waterbeheer
Er zijn 3 niveaus voor het waterstaatbestuur in Nederland: het Rijk, de provincies en de waterschappen.
Het waterbeheer kan zich uitstrekken over de oppervlaktewateren en het
grondwater. Soms wordt nog onderscheid gemaakt in kwantitatief, kwalitatief en
scheepvaartwegbeheer.
6.17 Drinkwatervoorziening
Circa 70% van het drinkwater in Nederland is afkomstig van grondwater.
Zoet water = water waarvan het chloridegehalte lager is dan 150 mg/l.
In Oost-Nederland bevindt het grondwater zich in relatief grofzandige,
overwegend fluviatiele afzettingen van Rijn en Maas. In centraal Nederland is
er een dikke aquifer. Deze ligt op weinig doorlatende gronden als fijnzandige en
kleiige mariene afzettingen.
In de pleistocene heuvelgebieden in Midden-Nederland zakt het
neerslagwater direct in de goed doorlatende zandige ondergrond weg, waardoor
onder deze heuvels een groot waterreservoir is ontstaan. Aan de randen van de
heuvelgebieden kan het water aan de dag komen. Dit kan ook op plaatsen met een
ondoorlatende laag in de ondergrond. De bronnen die hierdoor ontstaan aan de
rand van de Veluwe heten sprengen. De grondwateronttrekkingen voor drinkwater
en industrieel gebruik zijn geconcentreerd op de zandgronden en in de duinen.
In West-Nederland is slecht een dunnen laag zoet water aanwezig op zout
water. Hier is de drinkwatervoorziening afhankelijk van oppervlaktewater, dat
voor het grootste gedeelte afkomstig is uit de Rijn.
Het zoute grondwater is achtergebleven na de transgressies in het
Eemien en het Holoceen.