Hoofdstuk 4: Reliëf
De meeste reliëfvormen in Nederland bestaan uit losse sedimenten.
4.2 De vormen aan het oppervlak
geomorfologie = de tak van fysische geografie die zich bezighoudt met het beschrijven en verklaren van de vormen van het aardoppervlak
Bij beschrijving van reliëfvormen onderscheidt men 4 groepen:
Nederland ligt op de rand van het dalende Noordzeebekken. Dit betekent dat er een groot verschil is in reliëfvormen tussen het gebied met opheffing in het zuidoosten, en het gebied met bodemdaling in het noordwesten.
Pleistocene en andere reliëfvormen
De door erosie ontstane vormen komen vooral voor in het opheffingsgebied. In Zuid-Limburg wordt dit gebied gekenmerkt door een kalksteenplateau met steile afbraakwanden (30-115 meter hoogteverschil). In het zuiden van Limburg komen restanten voor van een in de tertiair gevormde schiervlakte. Deze is tot stand gekomen onder (sub)tropische omstandigheden met een intensieve chemische verwering. Hierbij werd kalksteen sterk aangetast en bleef vuursteen over.
Dolines = gaten in het kalksteen door oplossing van kalksteen.
Zuidoost-Nederland wordt doorsneden door enkele ZO-NW lopende breuklijnen, waarlangs verticale bodembewegingen hebben plaatsgevonden. Hierdoor is een aantal horsten (verheffingen van de bodem) en slenken (bodeminzinkingen) gevormd. Verder overheerst in Zuid-Limburg een terrassenlandschap, waarin soms geulen van vlechtende en/of meanderende rivieren te herkennen zijn. Het terrassen landschap is het resultaat van de afwisseling van glacialen (met hoofdzakelijk accumulatie) en interglacialen (met hoofdzakelijk insnijding), in combinatie met de tektonische opheffing van het gebied. Terrassen bestaan uit zand en grind. Het terrassenlandschap wordt doorsneden door beekdalen en droge dalen. Aan de boveneinden van de droge dalen liggen brede, komvormige dellen (laagtes). Vaak hebben de dalen een asymmetrische vorm gekregen, onder periglaciale klimaatscondities, toen de ondergrond bevroren was. Löss is zeer gevoelig voor gelifluktie (het afglijden van de modderige ontdooide bovengrond over een bevroren ondergrond). Hierdoor was de lössbedekking van de terrassen belangrijk voor het ontstaan van de asymmetrische vormen. Er kunnen in periglaciale condities gemakkelijk ijslenzen gevormd worden (vooral in fijnkorrelige sedimenten), waardoor oververzadiging met water kan optreden als het water ontdooit. Door het verschil in zonnestraling droogden de oostelijke en noordelijk dalwanden eerder uit, waardoor minder gelifluktie optrad en de dalwanden steiler bleven. Nu kan het water in de ondergrond wegzakken en zijn er geen rivieren meer. In de Noordzeebekken overheerst accumulatie door de bodemdaling.
In Midden-Nederland komt het grootste reliëfverschil voor bij de stuwwallen (30-115 meter), die stammen ui het Saalien. De stuwdammen zijn jonger dan de sedimenten waaruit ze zijn opgebouwd. De vaak symmetrische, droge sneeuwsmeltwaterdalen die op de hellingen van stuwwallen voorkomen zijn jonger dan de stuwwallen. Deze dalen zijn ontstaan onder periglaciale condities, voornamelijk in het Weichselien. (Dit zijn wel erosievormen.)
In Oost-Nederland komen kleinere geïsoleerde stuwwalen voor en 2 glaciale tongbekkens. De hoogteverschillen in Oost-Nederland variëren sterk. De stuwwallen kunnen uit kwartsrijk zand bestaan, maar ook uit tertiair klei.
In Noord-Nederland liggen aan de randen van het keileemplateau lage, overreden stuwwallen, met hoogteverschillen tot maximaal 30 meter. Het keileemplateau bestaat uit een dun grondmorenepakket met een dekzandbedekking. De ruggen hebben vaak de gestroomlijnde vorm van drumlins (door het ijs overreden heuvels die bestaan uit onverharde sedimenten).
Dobben = kleine ronde vennen, die voor een deel zijn ontstaan tijdens het Weichselien als pingo-ruïne (overblijfselen van heuvels met een ijskern, die bestonden onder periglaciale condities). Ook geïsoleerde en gedeeltelijk geërodeerde keileembulten komen voor op verschillende plaatsen in Noord-Nederland.
Vooral in Midden-Nederland komen ook ijssmeltwaterdalen voor uit het Saalien, in de vorm van kameterras, dat waarschijnlijk gevormd is in een meer en enkele sandrs (spoelzandwaaiers).
Esker = een langgerekte uit sedimenten bestaande rug
Het grootste gedeelte van Noord-Brabant, de Gelderse Vallei, het oostelijk en het noordelijk zandgebied zijn gekenmerkt door het voorkomen van dekzandruggen en vlakten. Het dekzandreliëf dateert uit het Weichselien. (Het dal van de) Gelderse Vallei is in feite een glaciaal tongbekken, dat grotendeels is opgevuld met keileem, glaciofluviale afzetting, meerafzettingen en dekzand. Ook Oost-Nederland bestaat uit een afwisselend reliëf van dekzandruggen en dekzandvlakten, doorsneden door beken.
Langs de Maas en ten zuidwesten van Nijmegen komen rivierduinen voor die langs de vlechtende rivieren ui het Weichselien lagen.
Donken = rivierduinen waarvan alleen de toppen door de holocene bedekking heen steken.
Holocene reliëfvormen
Het binnendijkse land in het rivierengebied is gekenmerkt door meanderende rivieren, die stroomruggen en kommen hebben gevormd. De uiterwaarden liggen doorgaans hoger dan het binnendijkse land. Kenmerkend zijn de vele dijkdoorbraakkolken (wielen) langs hoge, kronkelige dijken. Het reliëf in de uiterwaarden is vaak kenmerkend voor kronkelwaarden en bestaat meestal uit sikkelvormige ruggen met daartussen laagten.
Strangen = oude geulen.
Nevengeulen = strangen waar nog rivierwater door stroomt.
De uiterwaarden langs de Waal zijn anders gevormd, namelijk als aanwaswaarden (fig. 4.4). Deze zijn gekenmerkt door een aantal parallelle geulen, die overbleven na de successievelijk aanwas van eilanden of zandbanken tegen de concave oever (de buitenbocht). Land aanwinning door de mens speelde bij het ontstaan van aanwaswaarden een belangrijke rol.
Een groot deel van West-Nederland wordt ingenomen door een veenvlakte. De diepe en vlakke droogmakerijen vallen hier op. Hier is veen weggegraven of weggebaggerd, waardoor plassen ontstonden, die sinds het begin van de 16e eeuw weer successievelijk zijn drooggelegd. Vaak zijn hier de vroegere getijdenkreken nog herkenbaar als geulen in het landschap. Naast de geulen liggen oeverwallen. Samen vormen ze relatief gelegen kreekruggen.
Bovenland = hooggelegen stroken land tussen de droogmakerijen in, waar het veen nog in onvergraven toestand voorkomt. Op plaatsen waar het veen niet volledig is weggegraven vindt men de petgaten.
Schorren = successievelijke aandijkingen van relatief hoog gelegen aanwassen. Deze zijn voor de kust van Zeeland aanwezig. Aan de zeezijde van de getijde-afzettingsvlakte liggen in Friesland en Groningen ‘kwelderwallen en bijbehorende vlakten’. In het midden van deze provincies is de ontwatering eeuwenlang een probleem geweest, doordat het kustgebied hoger ligt dan de getijdenvlakte in het binnenland. Op de kwelderwallen komen veel terpen voor. De afzettingen in de getijdenvlakte zijn de afgelopen 3000 jaar gevormd. Buitendijks komen in Frisland en Groningen kwelders voor, waar nog steeds opslibbing plaatsvindt.
De kustduinen (Jonge Duinen) zijn gevormd tussen 1000 en 1800 N.Chr. Landinwaarts van deze Duinen liggen de Oude Duinen. Deze zijn voor het grootste gedeelte afgegraven. Duinen verhinderen getijdenbekkens.
Door verstuivingen van reeds aanwezige afzettingen (voornamelijk dekzanden) zijn (meestal recent) landduinen ontstaan. Ze zijn ontstaan door menselijke invloed (bijvoorbeeld ontbossing). Op plaatsen waar vegetatie de akkers tegen stuifzanden moest beschermen ontstonden meters hoge randwallen. In de stuifzandduinen zijn vaak vennen gevormd. Deze zijn ontstaan als uitblazingslaagtes in het dekzand, of doordat het water op een ondoorlatende laag stagneerde.
Huidige processen
De mens heeft het landschap zodanig beïnvloed, dat op vele plaatsen de normale geomorfologische ontwikkeling (althans op de tijdschaal van een mensenleven) vrijwel tot stilstand is gekomen. Ook zijn de vormen zelf in hoge mate door de mens veranderd.
Welke geomorfologische processen zijn thans nog zichtbaar actief?
4.4 Toekomstige geomorfologische ontwikkeling
Dit is sterk afhankelijk van de geologische en klimatologische ontwikkeling (hoofdstuk 2 en 3). Over een eeuw zijn geen grote veranderingen te verwachten, door de invloed van de mens. Op een termijn van enkele eeuwen zal de zoutwaterwig in de rivieren verder landinwaarts dringen, waardoor de verzilting toeneemt.
(De veranderingen die al in hoofdstuk 3 genoemd zijn heb ik niet nog een keer genoemd.)