Hoofdstuk 1-Inleiding
Cultuurlandschap = land dat in sterke mate beïnvloed is door de mens.
4 betekenissen van landschap:
Landschap = een deel van het aardoppervlak, dat functioneert als een geheel, en dat het resultaat is van een dynamisch evenwicht tussen de geofactoren.
Het landschap is het resultaat van een ontwikkelingsgang (een genetische successiereeks) en het heeft zijn uiterlijke verschijning in het landschapsbeeld (= datgene wat men ziet aan patronen, vormen, ruimten en proporties; de fysiognomie). Landschap is in deze zin opgevat als een schaalloos begrip, een ruimtelijke eenheid, gekenmerkt door:
Lithosfeer = gesteente, reliëf en bodem
Atmosfeer = klimaat en lucht. Deze kan verder opgedeeld worden in troposfeer, stratosfeer, mesosfeer, thermosfeer en exosfeer.
Hydrosfeer = water
Biosfeer = Het leven op aarde
Conditionele factoren = vaste gegevens waaraan op korte tijdschalen maar weinig verandert (zoals bodem en klimaat).
Ecosysteem/landschapssysteem = het samenhangende geheel van biotisch en abiotisch milieu.
Landschapsecologie/geo-ecologie = het terrein waarop de fysische geografie en de biologie samenwerken bij de bestudering van het landschap.
De fysische geografie heeft een geocentrische benaderingswijze van landschapsecologie. Dit wil zeggen dat de geosfeer (de abiotische landschapscomponenten) centraal staat.
De biologie heeft een biocentrische benaderingswijze van landschapsecologie. Hierbij staat de biosfeer (de onderlinge betrekkingen tussen levensgemeenschappen) centraal. Ter onderscheiding wordt hiervoor ook wel de term landschapsoecologie gebruikt.
Er bestaat ook een antropocentrische benadering. Daarbij is in feite sprake van een toepassing van de kennis van het natuurlijk milieu ten behoeve van praktische vraagstukken (toegepaste landschapsecologie).
Externe dynamiek = als een verandering teweeg wordt gebracht door beïnvloeding van buitenaf.
Interne dynamiek = als een verandering teweeg wordt gebracht door beïnvloeding van binnenuit.
Een aanpassing kan leiden tot een toenemende complexiteit (progressieve ontwikkeling) en tot een afnemende complexiteit (regressieve ontwikkeling).
Er zijn 4 soorten landschappen:
Indeling van Nederland in fysisch-geografische regio’s
Er zijn 2 mogelijkheden om tot een landschappenindeling te komen:
Welke factoren zijn voor de indeling van Nederland in fysisch-geografische regio’s het belangrijkst?
Het klimaat in Nederland is min of meer uniform. De vegetatie is grotendeels door de mens bepaald en vertoont alleen in grote lijnen nog een relatie met de andere factoren. De fauna speelt alleen op grotere kaartschaal een rol. Deze factoren hebben dus geen of weinig betekenis voor de indeling. Factoren die wel belangrijk zijn, zijn reliëf, gesteente, bodem, water en de mens. De fysische geografie van Nederland concentreert zich in eerste instantie op de factoren reliëf en gesteente.