Het Nederlandse landschap: een historisch-geografische benadering  door Rian Sleegers

 

Zandlandschap

De Nederlandse zandgebieden tonen een grote variatie. Naast relatief hoge en droge gebieden komen grote oppervlakte lage gebieden voor. De zandgronden zijn geleidelijk aan in cultuur gebracht, vooral de hogere delen zijn van nature goed begaan en bewerkbaar. De inrichting was hier ook relatief eenvoudig te veranderen, zandwegen en perceelscheidingen konden makkelijk worden verplaats. Deze hogere delen zijn in principe overal bewoonbaar, dus moet ook rekening worden gehouden met een grote dynamiek van nederzettingen. De meeste lage gebieden waren tot kort voor tijd erg nat en moeilijk in cultuur te brengen.

Overigens niet te sterk generaliseren want er bestaan grote verschillen tussen de zandgebieden.

 

*Het oude landschap van de zandgebieden

Zandgebieden liggen over het algemeen hoog genoeg om niet te worden overstroomd. Toch hebben ze in het verleden met wateroverlast te maken gehad. Vooral tussen stuwwallen en dekzandruggen natte gebieden. Op hoge, droge stukken was akkerbouw mogelijk, echter wel met bemesting om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden. Hierdoor ontstonden gemengde bedrijven.

Tot midden 19e eeuwgrote delen van het dorpsterritoria in beslag genomen door bossen en heidevelden. Bossen leverde hout en werden beweid door varkens en runderen. De natte heidevelden werden als tweederang weiland gebruikt terwijl op de wat drogere velden vee graasden. De heide werd ook gebruikt (gemengd met mest) om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden. Dit leidde tot humushoudende bovengronden, die ‘oude bouwlandgronden’(oude term) of ‘enkeergronden’(nieuwe term als humuslaag meer dan 50 cm. dik is) heten.

Naarmate de bevolkingsdruk toenam, doelmatiger en zuiniger omgaan met dierlijke meststoffen. Hierdoor ontstond de ‘potstal’. Dit is een dieper uitgegraven gedeelte waarin het vee verbleef, de mest werd hierin opgepot. Regelmatig werden hierin plaggen gegooid zodat het vermengd werd met de mest. Uiteindelijk werd de inhoud uitgekuierd en over het land verspreid. Deze techniek werd pas in de 18e en 19e eeuw geperfectioneerd.

De dikte van de humuslaag in de bovengrond afhankelijk van een aantal factoren:

1.duur plaggenbemesting, 2. bodemgebruik, 3.ligging van de akkers t.o.v. boerderij, 4.verschillen natuurlijke vruchtbaarheid, 5.aard materiaal waarmee mest werd vermengd.

Ook per regio verschillen in dikte. Dunste dekken in Drente, dikste in Zuid-Nederland. In midden en Oost-Nederland een tussenpositie. De dikte per regio hangt waarschijnlijk samen met bevolkingsdichtheid (in zuiden hogere bevolkingsdichtheid) en het tijdstip wanneer plaggenlandbouw begonnen is (in het zuiden eerder).

Essentieel onderdeel van de dorpen en gehuchten, de open ruimte binnen de bebouwde kom: Brinken. Hier werd het vee `s avonds bijeengebracht en vanuit de brink liepen veedriften naar de weidegronden.

 

*Historische ontwikkelingen

            Prehistorie

Ontstaan 1e boerennederzetting in Neolithicum belangrijk voor begin cultuurlandschap. Hierdoor 1e grote open plekke in bossen. Bij verlaten van de nederzetting kon het bos zich herstellen.

Bewoningscontinuïteit op zand à menselijke bewoning binnen een bepaald territorium. Dit komt door uitputting van de grond, veranderende hydrologische omstandigheden en wijziging in agrarische bedrijfsvoering. Uit prehistorie weinig zichtbare sporen van agrarische activiteiten overgebleven. Echter wel ‘Celtic fields’ of raatakkers, die hier en daar in heidevelden waargenomen worden. Dit zijn vierkante, met walletjes omgeven, percelen. Werden als akkerland gebruikt en daarna braak perioden om te herstellen. De oudste van ± 800 v. Chr.

 

            Vroegere Middeleeuwen

Zandgebieden spaarzaam bevolkt. Echter wel regionale verschillen i.v.m. bodemvruchtbaarheid. Ook variatie in vorm en omvang van nederzettingen. Zowel individuele boerderijen als geconcentreerde grotere nederzettingen. Boerderijen stonden meestal op ‘huiskampen’ of ‘woerden’(Noord en Oost-Nederland) waarop ook akkerbouw werd bedreven. De grotere nederzettingen 7-20 boerderijen en 30-100 inwoners. Veestapel: runderen, varkens, schapen en geiten. Landbouwsysteem: ‘Waldviehbauerntum’: vee dat graasde op bosweiden. Het akkerareaal was beperkt, vooral op de woerden. Ligging van de nederzetting op het zand loopt uiteen, als er maar water aanwezig was voor mens en dier. Vaak op de hogere delen i het landschap vanwege de ligging t.o.v de hulpbronnen.

 

            Volle en late Middeleeuwen

Rond jaar 1000 omslag agrarisch bedrijfssysteem, dat ook gevolgen had voor het landschap. Waldviehbauerntum maakte plaats voor een meer heide gericht systeem Heideviehbauerntum.

Dit kenmerkt zich door grote uitbreiding van het akkerareaal. Er ontstonden grote aaneengesloten bouwlandcomplexen: Essen. Dit vanwege de grote bevolkingsgroei, men kon nu meer verbouwen. Vergroting areaal cultuurland op verschillende manieren plaatsgevonden

Buiten de essen ook individuele kampontginningen. Het cultuurland werd verder uitgebreid door de ontginning van beekdalen, broekbossen omgezet in wei- en hooiland. De veestapel kom uitbreiden zodat er meer mest ontstond. Hierdoor kon men marktgerichte veeteelt bedrijven.

Bij Heideviehbauerntum  ging het sterk om de vergroting van de mesthoeveelheden. Het zette ook de woeste gronden onder druk doordat er meer heide nodig was om de mest te vermengen. Dit gaf aanleiding tot reglementering van het gebruik van heiden. Toezicht door buurschappen (Drente), Marken (Oosten) of Gemeynten (Brabant en Limburg). Tevens werden er maalschappen opgericht voor regulering van het gebruik van bossen. Dit leidde tot afbakening van de invloed van de boeren, maar ook de rechten van de boeren werden omschreven en vastgesteld. De Gemeynten waren naar verhouding minder streng.

Met de uitbreiding van het akkerareaal ook nieuwe ontwikkelingen bij nederzettingen. De groei van boerenbevolking werd opgevangen in filiaalnederzettingen in de buurt van de bestaande gehuchten. Ook breidden bestaande nederzettingen uit.

 

            Nieuwe en nieuwste tijd

Rond 1500 grote regionale verschillen in bevolkingsomvang. Zuidelijke zandgronden ± 27 personen per km2; centrale en oostelijke zandgronden ± 10 personen per km2 en Drents plateau was nog dunner bevolkt.

Dit verschil blijkt ook uit de economische ontwikkeling van de agrarische sector. Deze is namelijk afhankelijk van de nabijheid van stedelijke centraà mate van intensivering agrarische sector (vooral akkerbouw). De toename van de akkerbouw in de loop van de 17e en 18e eeuw heeft de extensieve veeteelt naar de achtergrond verdrongen. Intensievere gebruik van de essen belangrijke landschappelijke gevolgenàboeren steeds meer heide ontginnenàheide verschralen. Runderen en schapen bleven belangrijk voor de mest productie. De toenemende druk op de grond leidde tot verdere ontginningen, wat voor spanningen in de samenleving zorgden.

Echte grootschalige heideontginningen vonden in de 19e eeuw plaats, vooral door verdeling van de gemeenschappelijke heidevelden. Nieuwe meststoffen en maatschappelijke, economische ontwikkelingen gaven weer nieuwe impulsen. Veel ontginningen grootschalig door initiatieven van grootgrondbezitters die stukken heidegrond kochten, ook gemeenten speelden een rol door o.a. grondverkoop. In 1961 ontginningen formeel beëindigd omdat de overgebleven heidevelden natuurgebied werden.

In 19e eeuw van gemengd bedrijf naar veehouderij. Veel bouwlanden nu grasland, maïs overheersende gewas geworden. Veel cultuurtechnische werken (o.a. ruilverkaveling, beeknormalisering) om agrarische vernieuwingen te ondersteunen.

 

*Het landschap van de jonge zandontginningen

Jonge ontginningen leidden tot de vorming van nieuw landschap. Kenmerkend hiervoor is de schaakbordachtige structuur. Dit ging gepaard met  ingrijpende cultuurtechnische maatregelen

5 typen jonge ontginningen:

  1. Keuterontginningà kleinschalig landschap met veel perceelrand begroeiing aan randen ouder cultuurland, leidde tot stichten van boerderijen.
  2. Boerenuitbreidingsontginningàkleinschalig, aan rand oudere cultuurlandschappen doordat gemeente heidegronden verkocht voor ontginning door lokale boeren
  3. Landgoedontginningàuit opdracht van industriële en kapitaalkrachtige lieden. Grootschalig in het hart van voormalige heidevelden.
  4. Gemeentelijke/staatsheidebebossingàin jaren 30 als werkverschaffing. Grove den in grote percelen.
  5. Planmatige boerenontginningàgestuurd door overheidsinstellingen. Kans gezinsbedrijven te stichten, weinig perceelbegroeiing

 

*Het Drents Plateau

kenmerkend is de keileem uit de voorlaatste ijstijd. Waar keileem verweerd is, kwam zand naar boven, tijdens laatste ijstijd keileemplateau door dekzand overstoven. Keileem van nature vruchtbaarder, toch zandgebieden eerder bewoond doordat op keileem moeilijk begaanbare loofbossen groeiden. Ook was de bodem daar moeilijk bewerkbaar. Op het zand dus (langs de beken) eerste primitieve landbouw. Nederzettingen en akkers ‘zwierven’ door het gebied (brandcultuur), hierdoor werden de zandgebieden uitgeput en zo werden de randen van het keileemplateau in gebruik genomen (Celtic fields). In de vroege middeleeuwen ook nederzettingen op het plateau, het loofbos werd toen verwijderd. Deze nederzettingen gaven aanleiding tot de essen.

In de 9e eeuw langzaam aan bewoning op dezelfde plek, wel op plaatsen waar het keileem dieper onder het dekzand lag, zodat de watertoevoer niet stagneerde. 1e heidevelden ontstonden door uitputting van zandgronden. De aanwezigheid van beken was belangrijk, het bepaalde mede de omvang van de nederzetting. De uitbreiding van een Drents dorp bleef niet beperkt tot een vergroting, ook dochternederzettingen op essen. Essen tussen 17e en 19e eeuw weinig uitgebreid. Dit komt doordat in de 17e eeuw boeren gingen specialiseren op akkerbouw. Door de (plaggen)bemesting groter opbrengsten mogelijk waardoor boeren hun nevenactiviteiten afstoottenàspecialisme. In 19e eeuw verdween dit systeem weer, toen boeren zich weer sterker gingen richten op de veehouderij.

 

 

 

*De centrale en oostelijke zandgronden

Grote geologische/bodemkundige en historisch-geografische verscheidenheid. Meest opvallend zijn de stuwwallen die in verschillende fasen tijdens het Saalien door gletsjers zijn opgestuwdàUtrechtse Heuvelrug, Veluwe, Oost-Salland en Twente. Hiertussen bevinden zich laagte (o.a. Gelderse Vallei) die in Weichselien met dekzand zijn opgevuld. Plaatselijk komen hier ook keileemlaagjes voor, zelfs bovenop een stuwwal. Een aantal nederzettingen zijn verplaats van hoog op een stuwwal naar een lagere plaats. Dit komt waarschijnlijk doordat de stuwwallen verdroogden door ontginning van de omliggende venen. Toch is er op lagere plaatsen ook al lange tijd bewoning; aan de rand van de Veluwe. De essen zijn dan ook hier te vinden en tegen de stuwwalhellingen. Ze zijn pas na de Middeleeuwen tot de huidige omvang gegroeid. Op de Veluwe in Middeleeuwen winning van ijzer en in de 16e eeuw ‘industrie’. In de laagten heersten individuele kampontginnigen op de dekzandruggen. De dekzand gebieden worden doorsneden door beken, die in hoge mate door de mens beïnvloed zijn (beken voor het ontwateren van de broekbossen).

 

*De zuidelijke zandgronden

Opgebouwd uit ruggen (voor of tijdens Saalien gevormd) die vrijwel geheel bedekt zijn door dekzand (uit Weichselien). Tussen de ruggen, natte gebieden die aanvankelijk minder geschikt waren voor bewoning en waarin veel stroompjes in noordelijke richting afwaterden. Waar waterafvoer gehinderd werd, ontstond veen. Nederzettingen hebben in het Brabantse zandlandschap altijd op hogere ruggen gelegen, al hebben in detail wel verschuivingen plaatsgevonden.

Vanaf midden 13e eeuw ingrijpende veranderingen in het landschap plaats gevonden. Toename broodgraan door groeiende bevolking leidde toe uitbreiding van bouwland en tot het aanboren van nieuw hulpbronnen. Vanaf  ± 1000 n. Chr. Ook benutting beekdalen en natte broekgebiedenàweiland voor meer veeàgroter akkerareaal. Nu ook verplaatsing boerderijen naar lagere gebieden (lint bebouwing langs de beken). Door plaggenbemesting verdere uitbreiding akkerareaal. Deze uitbreiding leidde tot hoge gebruiksdruk op gemeenschappelijke weidegebiedàoprichting Gemeynten. Gemeynten oorspronkelijk in handen van landheren (bv. Hertog van Brabant). De heren verkochten de gebruiksrechten aan buurschapbewoners. Deze stelden (tot 16e eeuw) herders aan die met de gezamenlijke kudden in de Gemeynten rondtrokken (heerdgangen). Grote bevolkingsdichtheden in de Late middeleeuwen vormden dorpen, met markten en niet-agrarische bezigheden, vooral textiel. De landbouw werd intensiever, vanaf de 16e eeuw complexe landbouwkundige innovaties: Vlaamse Bouwà meerjarige vruchtwisseling met verbouw van voedergewassen en handelsgewassen. Grote betekenis mestproductie voor akkerbouw. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

Hosted by www.Geocities.ws

1