D r o o g m a k e r i j e n l a n d s c h a p (blz. 80-91)

 

Droogmakerijen kunnen worden ingedeeld in drie groepen

1.        drooggemaakte natuurlijke meren

2.        drooggemaakte verveningsplassen

3.        drooggemaakte zeearmen (vb.: Wieringermeer en Noordoostpolder)

 

Meeste droogmakerijen in Friesland, grootste oppervlakte droogmakerijen in Noord- en Zuid-Holland.

 

§         Ontwikkeling van de droogmaking

 

16e/17e eeuw → eerste droogmakingsprocessen betroffen kleine ondiepe meren. In de 17e eeuw zien we twee veranderingen: 1) financiering en uitvoering van de droogmakerijen gebeurde nu door welgestelde kooplui-ondernemers. 2) door samenwerking kooplui (in compagnies) kon meer risicovol kapitaal worden vergaard → maakte droogmaking van grotere meren mogelijk. De gevolgen van droogmakerijen in 17e eeuw waren angst voor vermindering van boezemcapaciteit en er bestond gevaar dat de stukken land tussen de meren door wind en golfslag weggeslagen zouden worden.

Noord-Holland was in 16e/17e eeuw centrum van vernieuwing op punt van droogmakerijen.

 

18e eeuw → meeste droogmakingen vonden plaats in Zuid-Holland. Bij droogmaking verveningsplassen deed zich probleem voor: middeleeuwse lineaire nederzettingen zouden door droogmaking hoger komen te liggen en zonder bijzondere maatregelen gaan inklinken. Vandaar dat rond veel nederzettingen een ringvaart werd gegraven.

 

19e/20e eeuw → na 1800 hebben we vooral te maken met droogmaken van verveningsplassen, vóór 1650 vooral meren. Na 1800 komen er ook droogmakerijen voor in Utrecht, Groningen en Overijssel.

 

§         Techniek en inrichting

 

Er waren verschillende redenen om tot droogmaking te komen: niet alleen prestige-object maar ook werden droogmakerijen beschouwd als goede belegging. Interesse in droogmakerijen vooral te maken met graanprijzen: hoge graanprijzen leiden tot investeringen in droogmakerijen. Maar ook het behouden van productieve landen, uit veiligheids- en fiscale redenen, was een reden om tot (verplichte)droogmaking over te gaan. Het was dus van te voren door overheden of waterschappen opgelegd. Pas aan het eind van de 18e eeuw ging de overheid zich met droogmakerijen bemoeien (denk aan Haarlemmermeerpolder en IJsselmeerpolders).

 

Introductie van de getrapte molenbemaling was van groot belang voor droogleggingen van meren. Twee soorten molens, waarbij de tweede een verbetering was van de eerste: schepradmolens en vijzelmolens. De 19e eeuw kenmerkt zich door aantal ingrijpende technische vernieuwingen (bijv. vervanging windkracht door stoom). Daarna kwamen de gasmotor, de dieselmotor en de elektromotor. Maar dit betekende ook “technische achteruitgang”, door:

-          de nieuwste technieken, zoals stoommachines, waren nog niet betrouwbaar en werkten nog niet goed.

-          turf en steenkool waren aanvankelijk duur, wind was gratis

-          lokale omstandigheden

 

Na droogmaking vond inklinking plaats door fysische rijping en zetting → leidde tot het ontstaan van de zegswijze: de eerste boer dood, de tweede hongersnood, de derde zijn brood. Droogmakerijen waren aantrekkelijk om er een buitenverblijf op te bouwen (mode in 17e eeuw).

 

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1