Turfwinningslandschap
Turf vormde in Nederland lange tijd de belangrijkstee energiebron. De
landschappelijke gevolgen werden steeds ingrijpender toen men niet langer op
kleine schaal voor eigen gebruik ging produceren, maar met name voor de
stedelijke markt. De turfwinning, ook wel vervening genoemd, werd dan
grootschaliger en meer systematisch opgezet. Er zijn 2 technieken van
turfwinning te onderscheiden: winning van turf boven de grondwaterspiegel,
droge vervening, en winning beneden de grondwaterspiegel, natte vervening. De landschappelijke
gevolgen zijn zeer verschillend. Natte vervening leidde tot plasvorming en dus
kwantitatief landverlies, tenzij de plassen later weer drooggelegd werden. Bij
droge vervening zijn 2 mogelijkheden. Ten eerste kon men al het veen afgraven en
de bodem geschikt maken voor agrarische activiteiten, het veenkoloniale
landschap. Ten tweede kon men stoppen met vervenen, omdat de grondwaterspiegel
niet verder te verlagen was, en de grond gebruiken als hooiland (kwalitatief
landverlies) og overgaan op natte vervening (kwantitatief landverlies).
Ontwikkeling
van de grootschalige vervening
Late
Middeleeuwen
Vervening von eerst plaats in gebieden dicht bij de afzetmarkten, de
steden. Vanaf de 13e eeuw in Zeeuwsch-Vlaanderen, West-Brabant, Friesland en Groningen.
Kloosters hadden vaak de leiding. In West-Nederland werd de
brandstofvoorziening plaatselijk verzorgd. Eerst via droge vervening, sinds de
16e eeuw en de komst van de baggerbeugel via natte vervening®plasvorming.
Nieuwe Tijd
In de loop van de 16e eeuw nam de vraag naar turf toe door enorme
stedengroei en vraag vanuit de industriële kant. Er was sprake van een sterke
schaalvergroting en een toenemend belang van de inzet van kapitaal. Turfheren
sloten zich aaneen tot een consortium, vennootschap of compagnie, waarin men
geld kon beleggen. Door de groeiende vraag ontstonden nieuwe
turfwinningsgebieden in de noordelijke provincies. Deze lagen ver verwijderd
van de afzetmarkt en misten de benodigde infrastructuur, maar voor deze hogere
kosten waren genoeg kapitaalkrachtige personen uit Hollandse steden te vinden
en het rendement kwam er zeker, door de hoge vraag.
Nieuwste Tijd
De stad Groningen speelde in de 19e eeuw een overheersende rol bij de
vervening. Zij fungeerde als algemene compagnie: zij zorgde voor de aanleg van
de hoofdvaarten en sluizen. De feitelijke turfwinning werd door
ondercompagnieën gedaan. Dus de veenkoloniën zagen er in hoofdstructuur gelijk
uit, maar tonen in detail grote variatie. In Groningen werd de belangrijkste
ontsluitingsas het Stadskanaal. In De Peel werd grootschalige, commerciële
afgraving in de 19e eeuw mogelijk door aanleg van meerdere kanalen.
De verveningen werden technisch steeds geavanceerde door de introductie van
oa smalspoorbanen en baggermachines.
Omzetting in
landbouwgrond
Nadat het veen was afgegraven kwam er meestal een schrale zandgrond bloot
te liggen, de dalgrond. Door deze te mengen met de bovenste laag van het veen,
de bolster (ongeschikt als brandstof), ontstond goede landbouwgrond. De bolster
werd daarom vaak apart gezet. Daarnaast was ook vermesting van de grond nodig,
wat tot gevolg had dat nog lange tijd vee werd gehouden, tot aan de komst van
kunstmest. Vrijwel overal werd de bolster bewaard, behalve in De Peel, waar het
verkocht werd als tuinaarde. Er werd niet gelet op toekomstige landbouwkundige
belangen.
Balans van de
turfwinning
Eeuwenlang heeft er in Nederland een ware “peat-rush” plaatsgevonden
(peat=turf), die in omvang zijn hoogtepunt bereikte in de 19e eeuw. Zowel bij
de commerciële droge vervening als bij de natte vervening valt er een
diffusieproces te constateren, via persoonlijke banden gebaseerd op eerdere
ervaringen en aangepast aan de nieuwe lokale omstandigheden. De
verveningscapaciteit liep vanaf 1900 terug door de opkomst van steenkool en
uitputting van de veenvoorraden.
Landschappelijk zijn de sporen van vervening nog op veel plaatsen
herkenbaar. Vooral bij de compagniesgewijze verveningen in de 3 noordelijke
provincies en De Peel. De afgraving leidde in deze hooggelegen gebieden (droge
vervening) niet tot catastrofale gevolgen. Alleen de waterstaat veranderde
(hoogstgelegen gebieden werden laagst gelegen). Gevolgen voor de natte
vervening zijn groter: landverlies in het zuidwesten en plassen (die vaak weer
werden drooggemaakt) in het westen van Nederland.