Het Nederlandse landschap, een historisch-geografische benadering

Hoofdstuk: agrarisch veenlandschap

Vorming van het landschap

Veen

Onder invloed van de stijgende zeespiegel verslechterde in de loop van het Holoceen de afwatering en begon op veel plaatsen veenvorming. Er ontstond in West-Nederland een groot, aaneengesloten veengebied dat zich eertijds uitstrekte van Vlaanderen tot Texel. Grote delen zijn later door de zee weer verdwenen.

De lagere delen waren het meest geschikt voor menselijk gebruik. In de hogere delen van de veengebieden was de plantengroei geheel afhankelijk van voedselarm regenwater. Deze hoogvenen waren daarom het meest geschikt voor turfwinning.

Eerste bewoning

Vanwege het waterrijke en weinig vruchtbare karakter behoren de veengebieden tot de jongst bewoonde delen van Europa. In Nederland begon de bewoning pas in de Romeinse tijd. Veehouderij was toen de voornaamste bestaansbron aangevuld met akkerbouw. De venen rond Texel en Wieringen (nu verdwenen) werden al in de Karolingische tijd agrarisch gebruikt. Het ontwateren van de venen heeft echter grote gevolgen gehad. Door het verlagen van de waterstand daalde ook het maaiveld. Reactie daarop was een nog lagere waterstand creeëren, waardoor de daling nog verder ging. Uiteindelijk is een groot deel van het agrarisch veenlandschap in de loop der eeuwen minstens 2 meter gedaald, hetgeen op veel plaatsen een aanhoudende wateroverlast veroorzaakte.

Landverlies

Door het dalen van de veengebieden werden ze makkelijker overstroomd bij zware stormvloeden. Grote delen veenlandschap zijn zo in de Middeleeuwen verdwenen of , na ontginnig, als zeekleipolders doorgegaan.

Noord-Nederland

In de loop van de 10e eeuw begon de ontginning van de veengronden in het Lage Midden van Friesland en omstreeks 950 die van het Woldgebied ten Oosten van de latere stad Groningen.

Vóór de ruilverkaveling werd het agrarisch veenlandschap hier gekenmerkt door een lineaire bebouwing en een lange, doorgaande strokenverkaveling. In de 13e eeuw kwam hier een einde aan.

West-Nederland

Omstreeks het jaar 1000 waren de kolonisten al in de buurt van Amsterdam binnengedrongen. Het verkavelingspatroon daar bestaat uit sterk gebogen percelen en abrupte afsnijding van het verkavelingspatroon. Dit wijst op ontbreken van samenwerking tussen kolonisten.

In het Hollands-Utrechtse veengebied hebben de graven van Holland en de Bisschoppen van Utrecht de leiding over de ontginning gehad. Door de ontsluiting van het veen nam namelijk het aantal inwoners toe, evenals de belastinginkomsten en weerbare manschappen in het geval van oorlog.

Het bestandsdeel –cope in een plaatsnaam wijst nog op veenontginning met een regelmatig verkavelingspatroon in een gebied dat onder landsheerlijke leiding ontsloten is, met name in Holland en Utrecht.

Van circa 950 tot circa 1300 vond de Grote Ontginning plaats: op grote schaal werden nieuwe nederzettingen gesticht. De kolonisten kwamen uit het Duingebied en oudere veenontginningen. In deze periode werden ook in Europa overal op grote schaal bossen ontgonnen, venen ontwaterd en kleigebieden bedijkt om de groeiende bevolking van voedsel te kunnen voorzien.

Latere ontwikkelingen

Veranderingen in het grondgebruik

Vanaf de 13e eeuw kwamen er meer intensieve vormen van grondgebruik. De gebieden met goede bodems en een gunstige ligging t.o.v. de markt ontwikkelden een gespecialiseerde akkerbouw. De minder gunstige gebieden moesten zich toeleggen op andere producten, extensiveren of naar andere plaatsen vertrekken.

Na 1300 was de turfwinning de voornaamste moter achter het scheiden en ontwateren van de nog niet ontgonnen delen van het veen, evenals aanhoudende wateroverlast. Manieren om te ontwateren waren het afdammen van waterlopen bij hun monding en de aanleg van afwateringskanalen die door streekwaterschapswerken beheerd en onderhouden werden.

Rond de dammen was werkgelegenheid in de overslag van goederen. Hier ontstonden dan ook snelgroeiende nederzettingen die na verloop van tijd vaak stadsrechten verwierven: damsteden.

Specialisatie

Vanaf de 15e eeuw kwam er specialisatie in de bereiding van boter en kaas op de boerderijen. Hierdoor kwam er ook een andere indeling van de boerderij volgens het hallenhuistype (in Midden- en West-Nederland. In Noord-Holland ontstond de stolpboerderij.

In de sterk op de zeevaart gerichte kustprovincies was ook de hennepteelt van groot belang. Door de sterke mestbehoefte was de teelt aan de veeteelt verbonden. Vanaf de 15e eeuw tevens jacht opbrengsten vergroot door aanleg van eendenkooien.

Met de komst van de windmolens in de eerste helft van de 15e eeuw kreeg de maaivelddaling een nieuwe impuls. Men was genoodzaakt de dijken te verzwaren, maar desondanks zijn er nog velen doorbraken geweest.

Heroriëntatie

Na de gouden Eeuw verslechterde de concurrentiepositie van het Nederlandse zuivelbedrijf, verarmde de plattelandsbevolking en verminderde de zorg voor land en vee ook de veepest zorgde voor grote schade. Na het midden van de 18e eeuw was er echter weer gelegenheid op herstel. In de loop van de 19e eeuw besloten veel polderbesturen over te schakelen op stoombemaling. Het land kon zo intensiever worden gebruikt en de productiviteit vergroot. De intensieve veehouderij bleef in eerste instantie beperkt tot de stukken grond dicht bij de boerdeij. Verder naar achter was hooiland. Hier was vaak ook een rijke flora en fauna te vinden. Met de komst van de kunstmest verdwenen deze stukken.

In de 20e eeuw werd nog verder geïntensiveerd en werden alle percelen even intensief bemest en bewerkt. Het beleid na de 2e Wereld Oorlog was ook gericht op een sterke groei van de arbeidsproductiviteit in de landbouw. Belangrijk instrument hierbij was ruilverkaveling. In de jaren ’60 en ’70 werden de plannen voor landinrichting steeds ingrijpender waarbij geheel nieuwe landschappen werden gecreëerd. Reactie hierop was de landinrichtingswet die bijv. ook recreatief gebruik van het landelijk gebied tot doel heeft.

Voorbeeld 1 Frieslands Lage Midden

De Boorne werd na de Romeinse tijd verdiept en verbreed. Langs de Boorne reikt de kleitong tot voorbij Oldeboorn. De oudste bewoning dateert uit de 8e eeuw. In de 10e eeuw werd een begin gemaakt met de ontginning van het veen. Aan de verkaveling (kleinschalig en regelmatig) te zien hebben kleine groepen kolonisten min of meer gelijktijdig een begin gemaakt met de ontginning en de ontwatering van het veen.

In de 13e eeuw verslechterde de afwatering door het geleidelijk dichtslibben van de Middelzee. Het gevaar van water zorgde ervoor dat de akkerbouw in de meer oostelijk gelegen hoge venen werd voortgezet en dat in de laag gelegen gebieden turf werd gewonnen. Door het ontbreken van een sterk centraal gezag heeft een effectieve aanpak van de wateroverlast in Frieslands Lage Midden lang op zich heeft laten wachten. Met de invoering van molenbemaling in de 17e eeuw werd de situatie steeds erger. Als reactie hierop werden in 1913 twee stoomgemalen gebouwd.

Voorbeeld 2 Kamerik en Kockengen

Dit is een deel van het grootste aaneengesloten complex van cope-ontginningen in ons land. In het grootste deel van het gebied liggen de bewoningsassen langs de ontsluitingswegen. Kamerik heeft echter een afwijkend nederzettingspatroon. Op enige afstand ligt aan weerszijden van de Kamerikse Wetering een strook met boerderijen midden in het land. Door insteekwegen is elk van deze boerderijen afzonderlijk met de doorgaande wegen langs de Kamerikse Wetering verbonden.

Waar langdurig en systematisch slootbruggen over het land is gereden, is de veengrond afgedekt door een zogeheten toemaakdek. Turfwinning vond op kleine schaal voor plaatselijk gebruik. Aan het aantal afwateringskanalen te zien was de wateroverlast erg groot.

 

 

 

Hosted by www.Geocities.ws

1