Samenvatting ‘Het Nederlands Landschap’

hoofdstuk 3 (vanaf blz 28) Zuidwestelijk Zeekleilandschap

inleiding

In Zuidwest-Nederland, dat zich uitstrekt van Zeeland tot voorbij de Biesbosch (in het oosten) en tot in het Westland (in het noorden), worden na de 2de wereldoorlog 2 landschapstypen gekenmerkt :

1.Oudland (ook wel ‘oudere zeekleipolders’ genoemd) - hogere kreekruggen en lagere poelgebieden wisselen elkaar af.

2.nieuwland (recentere zeekleipolders) – vanaf 13e eeuw bedijkte nieuwlandpolders met uniform karakter.

Zie kaart op blz. 29

Door ruil- en herverkaveling veel kenmerken van beide landschapstypen vervaagd.

(ook zijn er duingebieden en dekzandgebieden in zuidwest-Nederland, maar deze blijven hier buiten beschouwing) .

In Zuidwest-Nederland staat voortdurend wisselende grens (naar tijd en plaats) tussen land en zee centraal

Vorming van het landschap

Het ontstaan van cultuurlandschappen van het Deltagebied (in Zeeland) en de vorming + structuur van natuurlijke kenmerken hangen nauw met elkaar samen.

Eilanden-theorie uit eind 18de eeuw (van Verheije van Citters)- Ontstaan van de oude eilandkernen via een proces van aaneendijking van kleinere en door wateren van elkaar gescheiden onderdelen, is inmiddels achterhaald.

De huidige visie: De ‘Duinkerke-2-transgressie’ (van 300 tot +/- 7de eeuw na chr.) heeft een fundamentele rol gespeelt in de vorming van het landschap. Het landschap na enige eeuwen bewoningsgeschiedenis bestaat uit een grillig systeem van zich vertakkende ruggen. Dit zijn de oeverwallen die zich na het jaar 300 na chr. ontwikkelden. Ze ontstonden doordat op die plaatsen nauwelijks inklinking optrad, terwijl dat in de veengronden wel gebeurde. Het zo ontstane Oudland .(zie plaatje blz. 30).vormt de kern van Walcheren, Zuid-Beveland, Schouwen en Tholen. Deze gebieden raakten vanaf de 10 eeuw geleidelijk bewoond.

Op Walcheren en Schouwen is de iets omvangrijkere bewoning terug te vinden in de aanwezigheid van Vluchtbruggen. Dit zijn ronde omgrachte en omwalde terreinen die een grote bevolkingsgroep kunnen beschermen bij gevaar.

De occupatieverloop is te onderzoeken aan de hand van archeologische vondsten, toponiemen en kerkfiliaties. In de 2de helft van de 12de eeuw is bevolkinguitbreiding bv. te herkennen aan massale parochiestichting.

Bewoning en intensief grondgebruik beperkten zich tot de kreekruggen. Wegen en akkerbouw waren op de ruggen aanwezig..

Na de Duinkerke-2-transgressie werd het landschap lichtelijk beïnvloed door stormen (in 1014 en 1042) die leidden tot ontstaan van een aantal woonhoogten (tot 2 meter) die soms uitgroeiden tot grote dorpsterpen. (Kloetinge in Zuid-Beveland). Een aantal terpen werd in 12de eeuw opgehoogd tot 12 meter en kreeg m.a.v. een kasteeltje (Werf) een militaire functie.

Na stormvloed in 1134 werd het oudland geheel omdijkt waarbij oudere dijken en dammen in de ringdijk werden opgenomen. Deze bemoeilijkte de afwatering van de door ruggen omsloten poelen. Dit probleem werd gedeeltelijk opgelost d.m.v.watergangen, sluizen en wateringen.

Land dat vanaf de 13de eeuw op de zee werd veroverd, wordt Nieuwland genoemd .

Hieronder vallen de delen; Noord en Zuid-oostelijk Walcheren, Noord Beveland, Het westen en oosten van Zuid Beveland, Zeeuws-Vlaanderen en grote delen van Tholen, Duiveland en Sint Phillipsland.

Nieuwland onstond door opwas en/of aanwas. Opwas vond plaats wanneer een voldoende hoge zandplaat werd ingedijkt.(bv. Ovezande). Als er tegen bestaand land een strook land droogvalt heet dat aanwas. Door de vlakheid en de uniforme, vaak kalkrijke bodemopbouw, is Nieuwland erg geschikt voor akkerbouw en fruitteelt. De verkaveling was grootschalig, en dorpen waren dichtbij de dijk gesitueerd. Afwatering verliep door de hoge opslipping van nieuwland, probleemloos.

Over het verloop van bedijkingactiviteiten verschillen de meningen. Generalisatie is niet mogelijk. In 1350-1450 breide Zuid-Beveland sterk uit (vaak met kleine polders, een teken van particularisme), in tegenstelling tot Walcheren. Tussen 1600 en 1910 werden in heel Zeeland bijna 400 polders bedijkt, een netto landwinst van 76.500 hectare.

Landverlies ontstond in die tijd door niet alleen door natuurlijke, maar ook door organisatorische en technische problemen. Door moernering (afgraving van veen) in poelgebieden kreeg de zee in bv. Oost-Beveland meer ruimte. Stormvloeden hadden vooral in Zeeuws-Vlaanderen vernietigende effecten voor hele gebieden die dan tijdelijk of definitief verdwenen. Met inlaagdijken (of slaperdijken) werden de gevolgen bestreden. Bij een overstroming spoelde namelijk slecht het gedeelte tussen de dijk en de inlaagdijk vol.

bekijk foto op blz. 33.

Door de eeuwen heen lag het accent in het Deltagebied op de akkerbouw, nijverheid en fruitteelt. Al vanaf de 19de eeuw werden stedelijke invloeden kenbaar in het recreatieve gebruik van de kust. Rond die tijd werd het landschap sterk beïnvloedt door de aanleg van dammen, spoorwegen en kanalen. Dit leidde tot ontstaan van Deltawerken, waarvan de laatste in 1986 gereed kwam met de stormvloedkering in de Oosterschelde. Na de inundatie van Walcheren in ’44-’45 en de Ramp van 1953 hebben her- en ruilverkavelingen vrijwel alle delen van Zeeland ingrijpend veranderd. In sommige gebieden vindt al een 2de herinrichting plaats, waarin agrarische gebieden verdwijnen en zullen worden gebruikt voor recreatie.

Voorbeeld 1 de Yerseke Moer

Zie kaart blz 35

Geeft een goede indruk van Oudland omdat ruilverkaveling en andere omstandigheden het landschap niet veranderd hebben. Twee kreekruggen zijn bepalend voor het gebied; Een brede in het oosten waarop Yerseke ligt, en een smallere in het westen waarop Vlake en de Reeweg zich bevinden. De ruggen omarmen een open poelgebied. Tot ongeveer 1860 vormde dit gebied een geheel met kapelse moer. Door de aanlegt van een kanaal veranderde dit. Yerseke is ontstaan rond het jaar 950. Vlake ontstond rong 1200 als redelijk groot dorp met een kerk. In de 16de eeuw kromp het echter tot een gehucht. Toponiemen zijn er het bewijs van dat er

sinds het begin van de 13de eeuw ontginning plaats vond in het gebied. Twee dijken; de Molendijk en de Zanddijk waren in de 13de eeuw gebouwd ter bescherming van Yerseke. In 1530 en 1532 werden ze door het water aangetast.

In het hedendaagse landschap is nog veel van vroeger terug te vinden. In het open en onbebouwde poelgebied bevind zich onregelmatig verkavelt extensief gebruikt grasland. Het ‘hollebollige reliëf’ herinnerd aan moernering. Het besloten gebied van de kreekruggen en overgangsgronden wordt nog als akkerbouwgebied gebruikt. De verkaveling is regelmatig, waardoorheen enkele weggetjes naar het poelgebied lopen. Na verbreding van het Kanaal door Zuid-Beveland hebben er zich veranderingen voorgedaan in het gebied. Hieronder vallen perceelvergroting, wegverbetering, verbetering van waterhuishouding met de bouw van een gemaal in 1989 en bescherming van natuurgebieden.

Voorbeeld 2 Zuidoost-Walcheren

Zie kaarten blz. 38 en 39

Wordt gekenmerkt door grote landschappelijke variatie en veranderingen die in de 17de eeuw begonnen. In 1963 vond er bedijking plaats van opwas die de naam (oud )Sint Jooslandpolder kreeg.

Deze polder werd planmatig en rationeel ingericht voor akkerbouw. In het westen ontstond het dorp Oudedorp.

Het planmatige karakter is terug te vinden in toponiemen (bv. Eerste Weg). Hierna werd er nog aanwas bij Middelburg ingepolderd wat de naam Nieuwland kreeg. Door de aanwezigheid hiervan ontwikkelde Ouddorp zich maar slecht. Het gebied rond de Nieuwlandpolder werd door de jaren heen geheel ingepolderd. In 1817 werd een nieuw havenkanaal naar Veere gegraven om Middelburg toegankelijk te laten. Na WO2 veranderde veel. Op Walcheren ontstond herverkaveling waarbij het verschil tussen kreekruggen en poelgronden grotendeels verdween. Het Nieuwlandgebied werd pas in de jaren 60 herkaveld. In het zuiden van het Sloegebied werden haven- en industriegebieden aangelegd. Ondanks deze veranderingen bleef het verschil tussen oudland in het westen en nieuwland in het oosten herkenbaar. De polderstructuur tussen Nieuwland en de Sloeweg-Noord was intact gebleven. Ook is aan de hand van de vorm en de hoogte van dijken te zien wat oorspronkelijk de landzijde was.

Hosted by www.Geocities.ws

1