Krijt / Löss-landschap

 

Fysische geografie en bodemgebruik

In heel Zuid-Limburg is tijdens de laatste ijstijd loss afgezet, op de hoogste gebieden na. In de beekdalen is de loss weggespoeld. Deze lössgrond is zeer geschikt voor de landbouw. De aan- of afwezigheid van water bepaalde in veel gevallen het nederzettingenpatroon. De randen van de beekdalen en het Maasdal waren hier het meest geschikt voor.

De lössgronden werden in de 19e eeuw voor het grootste deel gerbuikt als akkerland. De natste gebeiden in de beekdalen en het Maasdal werden als wei/hooiland gebruikt. Er was nog maar weinig woeste grond over.

In de zuidoosthoek wijkt het landgebruik en het nederzettingenpatroon af van de rest van Limburg vanwege een afwijkende bodemkundige en hydrologische staat.

 

Vorming van het cultuurlandschap

Prehistorie en Romeinse tijd

De eerste bewoners waren jagers en verzamelaars en hielden zich vooral op op de uitzichtrijke plateauranden en hellingen. De eerste akkerbouw ontstond in het Neolithicum (landkeramiek), waarin het areaal cultuurland sterk uitbreidde. In de Ijzertijd en Romeinse tijd breidde het zich nog verder uit, vele villa’s werden aangelegd van waaruit de graanproduktie plaatsvond. Met de neergang van het Romeinse Rijk, nam ook de bevolking sterk af in Zuid-Limburg.

Vroege Middeleeuwen

Er vond in Zuid-Limburg een continue ontwikkeling plaats, dit blijkt uit plaatsen als Heerlen en Maastricht. Toch was het in de Vroege Middeleeuwen dunbevolkt, de meeste nederzettingen lagen aan de randen van de beekdalen, op de grens van akkerland en grassland. De plateaus raakten langzaamaan weer begroeid.

Volle Middeleeuwen

Tussen 1000 en 1300 is het overgrote deel van de plateaus in cultuur gebracht. Veel dorpen in de rivier- en beekdalen stichtten dochternederzettingen op de plateaus.

Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd

In de 13e eeuw waren nog slechts enkele gebieden aan ontginning ontsnapt. De bevolkingsgroei moest opgevangen worden door uitbreiding van bestaande nederzettingen en door produktieverhoging op het bestaande cultuurland. Ook ontstond er een grote klasse van keuterboeren en landlozen, die zorgden voor een sterke verdichting van de bebouwing in de dorpen.

De 19e en 20e eeuw

In de laatste twee eeuwen is het Zuid-Limburgse landschap ernstig veranderd. De opkomst van de mijnbouw zorgde voor grote verstedelijking in de mijnstreek. In het buitengebied werden veel boomgaarden geplant en kwam de veeteelt sterk op door de groeiende vraag naar fruit en zuivel. Ruilverkaveling na de Tweede Wereldoorlog zorgde voor verdere ingrijpende veranderingen in het landschap.

 

Elementen van het cultuurlandschap

Nederzettings- en kavelvormen

Er bestaan verschillende soorten nederzettingen:

-grote vrijstaande boerderijen (hoven)

-grote boerderij met een aantal kleinere

-langgerekte vorm, hangt samen met ligging aan een beekje, rand van het dal of op een terrasrand

-driesnederzettingen: open ruimte binnen de kom van een gehucht

Bij grote boerderijen liggen grote blokvormige kavels, bij gehuchten en dorpen is deze juist zeer kleinschalig.

Graften en holle wegen

Het grootste deel van het Zuid-Limburgse lössgebied heeft te maken met erosie, enkele karakteristieke landschapskenmerken hebben hiermee te maken, namelijk holle wegen en graften. Holle wegen zijn afwateringswegen, die de mens gebruikte als toegangswegen tot de plateaus en hierdoor verder uitgeschuurd zijn. Graften zijn heggen op hellingen, die het erosiemateriaal moeten tegenhouden.

Beekdalen

Beekdalen zijn de oudst bewoonde delen van het cultuurlandschap.

Hosted by www.Geocities.ws

1