Over Domela Nieuwenhuis
De Europese
arbeidersbeweging vindt haar wortels in de 19e eeuw,
en kan gezien worden als een directe
reactie op de industrialisatie.
De industri�le
revolutie begon aan het einde van de 18e eeuw in Engeland,
en hield een voortdurende mechanisatie
van de arbeid in, in combinatie met
�een sterke
concentratie van productiefactoren. In plaats van een productie
op meerdere plaatsen, die
arbeidsintensief was en vooral plaats vond op
het platteland, ging men nu over op de
concentratie van kapitaal (machines)
en arbeid (arbeiders) op een plaats. Het
gevolg was een explosieve groei van de steden. Veel arbeiders migreerden van
het platteland (waar o.a. door de agrarische crisis van 1873 weinig werk meer
was te vinden) naar de steden om daar in de fabrieken te werken. Rondom de
nieuwe fabrieken ontstonden enorme arbeiderswijken.
De
leefomstandigheden in die arbeiderswijken in de 19e eeuw waren veelal slecht te
noemen- zelfs voor die tijd. In 1845 beschreef Friedrich Engels in zijn boek Die Lage der arbeitende klasse in England(De toestand van de arbeidersklasse in Engeland)
het leven van de arbeiders
�in steden als
Manchester. Hij beschrijft hoe in de stad "barbaarse onverschilligheid,
ego�stische hardheid aan de ene kant en
onnoemelijke ellende aan de andere kant" heersen.
Een van de
eersten die hier actief iets aan wilde doen, was de
Engelse ondernemer Robert Owen (1771-1858). In zijn
fabrieken in New Lanarck probeerde hij de
levensomstandigheden van de arbeiders te verbeteren. Zo probeerde hij
kinderarbeid uit te bannen, stichtte hij scholen voor arbeiderskinderen en
verkortte hij de werkdag. �Owen wordt genoemd als een van de
eerste socialisten.
De Duitse
filosoof en econoom Karl Marx (1818 - 1883) zag Owen
als een utopist,
iemand die socialisme wilde doorvoeren zonder
wetenschappelijke achtergrond.
Marx legde
zich samen met Friedrich Engels toe op de
verwetenschappelijking
van de arbeidersstrijd. In 1848 schreef
hij het Communistisch Manifest,
een politiek en revolutionair stuk dat de
onvermijdelijkheid van de arbeidersrevolutie
verkondigde.�
In 1867 publiceerde hij het eerste deel van zijn meesterwerk, Das Kapital.
�Hierin beschrijft Marx de relatie tussen
prijs, product, arbeid en winst.
Volgens Marx'
theorie�n wordt de geschiedenis bepaalt door de
klassenstrijd:
de voortdurende economische strijd tussen
klassen. Volgens hem zou de klassenstrijd
in de 19e eeuw zijn laatste fase ingaan, nl de strijd tussen arbeiders en bourgeoisie
(de bezitters
van het geld en de machines). De arbeiders zouden uiteindelijk wel moeten winnen, �waarna het
socialisme en ten langen leste het communisme ingevoerd zouden worden.
Marx'
strijdtheorie�n werden onder arbeiders zeer populair; zoals Calj�
stelt gaf het marxisme
" de
arbeidersbeweging een gemeenschappelijk doel, onderlinge samenhang, een
gemeenschappelijke vijand en zelfvertrouwen".
De socialisten
achtten internationale samenwerking met gelijkgezinden van groot belang, en
in 1864 werd te Londen de International Working Men's Association
opgericht, beter bekend als
�de Eerste
Internationale. In deze internationale waren verschillende stromingen verenigd:
o.a. de marxisten (Marx was zelf zeer
actief in de Internationale), de anarchisten
olv Bakoenin Italiaanse
nationalisten en de pragmatische Engelse vakbonden.
In Nederland
werd in 1869 een sectie van de Internationale gesticht, met steun van de
Vrijdenkersvereniging
"De Dageraad". Haar voornaamste leider was A.H. Gerhard.
NEDERLAND
In Nederland
was het echter niet in de industriesteden, maar maar
op het Friese en Groningse platteland dat
�de eerste
socialistische successen werden geboekt.
De lutherse
predikant Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) werd geraakt door de sociale
ellende die in zijn tijd heerste.
Op zoek naar
een oplossing voor deze ellende, ori�nteerde hij zich op de ontluikende
socialistische beweging.
Hij kwam in
contact met de oude A.H.Gerhard, wiens Nederlandse sectie der Internationale reeds was opgeheven. Hij las werken van Owen, Marx, Engels
en Lassalle. Tegelijk met zijn ori�ntatie op het socialisme, groeide zijn
scepsis tegen de kerk.
In 1877
schreef hij de leerrede Nog godsdienst? Reeds godsdienst?, waarin hij zijn twijfels over het
geloof spuide. �Uiteindelijk kon hij het christelijk geloof niet meer rijmen met de sociale ellende
van zijn tijd, en trad hij uit de kerk. In 1879 schreef hij Mijn afscheid van de kerk, waar hij twee
voordrachten over hield. Dit zou het begin worden van een grootse
socialistische campagne, waarmee Nieuwenhuis stad en
(vooral) land mee afreisde
Nieuwenhuis
was een begaafd spreker en agitator. Hij had de gave
om mensen geboeid naar hem te laten luisteren, en hen zodoende aan zich te
binden. Vooral onder de Friese veenarbeiders had hij veel succes. Bekend is de
koosnaam die Nieuwenhuis onder de Friese arbeiders had: "us verlosser". Dit
spreektalent combineerde hij met het organiseren van de arbeidersbeweging. In
1879 richtte hij het weekblad Recht voor
Allen op. Volgens H. van der Horst is Recht
voor Allen(RvA) het eerste Nederlandse politieke blad dat door middel van
straatverkoop aan de man werd gebracht. RvA werd goed verkocht, ook in de grote
steden. Door de economische crisis heerste een ontevreden stemming, daarom sloegen
opstandige bladen als RvA goed aan. �Door
het succes van RvA werd besloten er een dagblad van te maken.�
In 1881 werd
de Sociaal-Democratische Bond(SDB) opgericht, waarvan Nieuwenhuis in 1882
secretaris werd. Andere bekende SDB'ers waren Jan Schaper
en Willem Vliegen.
De SDB had een
revolutionair programma, gebaseerd op het marxisme en op Nieuwenhuis'
artikelen. Zij stond een socialistische samenleving zonder particulier bezit
voor. Verder zette de SDB zich in voor antimilitarisme, geheelonthouding,
vrouwenemancipatie, verbod op kinderarbeid onder de 15 jaar en de afschaffing
van het koningshuis.
Ondanks dat in
de SDB anarchistische en antiparlementaire elementen zaten, deed zij in 1888
toch mee met de Kamerverkiezingen. Domela Nieuwenhuis deed mee namens het
district Schoterland (Nederland kende toen een
districtenstelsel). Doordat hij steun kreeg van de
antirevolutionairen (die liever op hem stemden dan op "een slippendrager
van de liberalen", zoals Kuyper het formuleerde)
kon Nieuwenhuis in de Kamer komen. Hiermee werd hij het eerste
socialistische kamerlid in de Nederlandse geschiedenis.
Onderwerp van
debat is of zijn optreden in de Kamer een succes kan worden genoemd. Hijzelf
begon in ieder geval te twijfelen aan het nut van het parlementaire werk, en
begon steeds meer naar het anarchisme te neigen. In de Kamer kreeg hij als
eenling in ieder geval niet veel kansen om zijn idealen te verwezenlijken. De
antirevolutionair Keuchenius was de enige die hem de
hand wilde reiken - de rest van de Kamerleden negeerden hem. Bij de
verkiezingen van 1891 stelde Nieuwenhuis zich wederom kandidaat, maar hij
verloor van de radicaal Treub.
Binnen de SDB
zette zich het conflict parlementair - antiparlementair door. Dit conflict had
een iets ander karakter dan het conflict van 20 jaar eerder, tussen Marx en Bakoenin. Toen was de discussie (staat of geen staat) een
zuiver theoretische, want er was nog lang geen zicht op het veroveren van de
staatsmacht door de arbeidersbeweging. Nu, in de jaren '90 van de 19e eeuw, als
gevolg van voortdurende kiesrechtuitbreidingen, leek uiteindelijke
regeringsdeelname door de socialisten steeds meer in zicht te komen. Het ging
dus niet meer zozeer om het principe, maar om de strategie
Uiteindelijk
bleek de SDB niet bestand tegen de felle discussies tussen de parlementaristen
enerzijds en de anarchisten anderzijds. De parlementaristen, w.o. Van der Goes en Troelstra, stapten
uiteindelijk in 1894 uit de partij en stichtten de Sociaal-Democratische
Arbeiders Partij
Nieuwenhuis zelf
werd steeds radicaler in zijn anarchisme en brak in 1897 met de partij. Hierop
begon hij met de uitgave van een nieuw blad, het anarchistische De Vrije
Socialist. Nieuwenhuis heeft hierna geen rol meer in een organisatie gespeeld
(ergo: hij verafschuwde inmiddels het hele idee van
organisatie), maar bleef tot zijn dood in 1919 bekend als grand old master van het Nederlandse
socialisme. Zijn begrafenis vond plaats onder ruime belangstelling. Het
socialistische blad Het Volk schreef bij zijn dood: "Hij vertegenwoordigde
de aanvangstijd van het socialisme en was opzij gezet door de geschiedenis.
Toch kunnen wij hem de eer niet onthouden, dat hij eens met trotse moed de
opstand tegen het onrecht heeft gepredikt, toen de grote massa arbeiders nog
vast geloofde aan de eeuwigheid van de heerschappij der kapitalisten."
Ernst de vries
oktober 2003