| Verklaringen van enkele vakuitdrukkingen |
| Aangroeisel: In de aquariumliefhebberij worden de op planten en allerlei ander voorwerpen groeiende korte algen als aangroeisel beschouwd. Daartussen nestelen zich allerhande kleine dierlijke organismen of zetten zich organische stoffen (detritus) af. Talrijke vissen leven uitsluitend van deze algen, diertjes en detritus of gebruiken ze als aanvullend voedsel. Adult: Volwassen, geslachtsrijp Afzetsubstraat: In de aquariumkunde de planten, materialen of voorwerpen die een viskweker de vissen ter beschikking stelt om de eieren op af te zetten. Dat kunnen breedbladige-, fijnbladige, draadalgen, perlondraden, stenen, glazen buizen enzovoort zijn. Albinisme:Door het ontbreken van pigment ontstane kleurloosheid van de huid. Bij echte albino�s schemert het achterste deel van het oog, dat van talrijke bloedvaatjes is voorzien door de ooglens, waardoor het lijkt alsof het oog rood is. Het lichaam heeft meestal een rode gloed. Albinotisch: De kenmerken van albinisme tonend. Alleseter: Accepteerd alle voedselsoorten. Anatomie: Leer van de vorm en het inwendig samenstel van de organismen en hun delen. Anatomisch: De anatomie betreffende. Artemia: Zie pekelkreeftjes Balts: Een aan de ornithologie ontleend begrip voor de werving van de geslachtspartner. Het bestaat uit een geheel van aangeboren gedragswijzen. De handelingen en bewegingen verlopen via een vast patroon, dat gedeeltelijk typisch kan zijn voor de gehele familie, maar bij de verschillende soorten ook onderling kan afwijken. In de regel zijn aan de balts bepaalde kleurpatronen gekoppeld. Beenvissen: Vissen met een beenskelet. Aquariumvissen zijn vrijwel allemaal beenvissen. Bekspleet: Kan bovenstandig, onderstandig en eindstandig zijn. Convergent: Op ��n punt samenkomend. Niet zelden leiden bepaalde milieuomstandigheden tot de vorming van lichaamsvormen, kleuren en gedragswijzen, die ook bij niet met elkaar verwante organismen op elkaar kunnen lijken. Convergente typen zijn bijvoorbeeld de grondelachtige vormen uit snel stromende wateren, die in de meest verschillende visfamilies voorkomen. Ctenoidschubben: Kamschubben, schubben waarvan de vrije randen met kleine tandjes zijn bezet. Cyclops: Eenoogkreeftjes. Kleine kreeftachtigen die een hoogwaardig voedsel voor aquariumvissen zijn. In te grote hoeveelheden aan jonge vissen gevoerd, kunnen ze voor de laatste levensgevaarlijk worden. Daphnia�s: Watervlooien. Kleine kreeftachtigen die vooral voorkomen op plaatsen waar ook eenden aanwezig zijn. Het laatste is echter geen voorwaarde. Zeer goed visvoedsel, vooral wanneer het afwisselend met ander voedsel wordt gegeven. Detritus: Zich op de bodem afgezettende organische stoffen, die door sommige vissen worden gegeten. Dooierzak: Restanten van de inhoud van het ei, die bij jonge vislarven, na het uit het ei komen, in een zak aan de buikzijde zijn gevat en de vislarve als eerste voedsel dienen. Droogvoer: Industrieel bereid visvoer, samengesteld uit hoogwaardige voedingsstoffen die voor een goede verzorging van de vissen onoontbeerlijk zijn. Onder droogvoer verstaat men tegenwoordig ook: voertabletten, pastavoedsel, diepgevroren voedsel e.d. Ecologie: Leer van de betrekkingen van dieren en planten en de omgeving waarin ze leven. Embryo: Het organise in zijn eerste ontwikkeling na de bevruchting. Bij vissen vaak ook foutief gebruikt voor het pas uit het ei gekomen vislarven. Enchytra�en: Kleine witte wormpjes, die in culturen kunnen worden gekweekt en in afwisseling met ander voedsel kunnen worden gevoerd. Zij worden door de vissen met graagte gegeten. Ze mogen niet uitsluitend en gedurende een langere periode worden gegeven in verband met het gevaar voor vervetting. Nauw verwant, en vooral geschikt als voedsel voor jongbroed, zijn de Grindalwormpjs, die eveneens in culturen kunnen worden gekweekt. Endemisch: Uitsluitend in een bepaald gebied voorkomend. |