Spaar 10 lege batterijen bezoek deze site en maak kans op vele aantrekkelijke prijzen
Farmacologische pijnbestrijding
Inleiding
Tegenwoordig kan pijn stukken beter worden bestreden dan vroeger. Door middel van pijnbestrijding kan pijn worden voorkomen, verlicht of zelfs volledig verdwijnen. De verpleegkundigen zijn mede verantwoordelijk voor de tijd en de dosering pijnmedicatie die wordt gegeven. Ook moeten zij er op toe zien dat de pati�nt zich hier aan houd. Bij pijnbestrijding zijn meerdere methoden tegelijk mogelijk. Acute pijn en pijn bij kanker zullen in de meeste gevallen met zware pijnstillers worden behandeld, maar er zijn ook nog andere mogelijkheden. Er zijn veel verschillende soorten pijnstillers (een overzicht hiervan vind je elders op de site) bovendien zijn zij ook heel verschillende in de sterkte. Het is dan ook van groot belang dat voor iedere pati�nt een eigen behandel plan wordt opgesteld. Er zijn veel verschillende mensen en ook heel veel verschillende soorten pijn. Welke pijnmedicatie nodig is, is afhankelijk van een aantal zaken; de oorzaak van de pijn, de ernst van de pijn en de aard van de pijn. Al deze dingen zijn bepalend om een goede pijnmedicatie te kunnen geven.
De analgetische pijnladder
De medicamenteuze behandeling van pijn wordt volgens de WHO-analgetische ladder gegeven. Hierbij worden drie stappen onderscheiden:

* Lichte pijnklachten worden met niet opio�den pijnstillers behandeld, zoals paracetamol, NSAID's (Non-Steroidal Anti-Inflammatoire Drugs).
  Paracetamol heeft een pijnstillend en koortswerende werking en heeft nauwelijks bijwerkingen. Het wordt oraal of rectaal toegediend tot een
  maximale dosis van 4 gr per dag. Rectaal kan 1 gr. per dag worden toegediend. De werking van NSAID's berust op de remming van
  prostaglandines, waardoor pijnvermindering optreedt, naast een antiflogistisch en anti-oedeemeffect. Voorbeelden van NSAID's zijn:
  Ibuprofen, Diclofenac en Naproxen. Er zijn weinig verschillen in het effect

* Lichte tot matige pijnklachten worden met zwakwerkende opio�den behandeld zoals code�ne of tramadol. (Zwakwerkende) opio�den dienen in
  combinatie met een middel uit stap 1 te worden gegeven. Opio�den hebben namelijk een centrale werking, terwijl niet-opio�den vooral een
  perifere werking hebben. Door deze middelen te combineren, wordt de pijn het mees effectief bestreden. Het is gebruikelijk om Paracetamol
  500 mg te combineren met Code�ne in sterktes van 10 mg of 20 mg. Tramadol kan worden gegeven in tabletsterkte van 50 mg en zal veelal
  worden voorgeschreven in een dosis van 3 maal daags (dd) 50-100 mg. De maximale dagdosering bedraagt 400 mg. Tramadol is ook
  verkrijgbaar in langer werkende preparaten, waardoor 1 of 2 keer per dag een dosering voldoende is. Tramadol is ook in druppelvorm en
  retardvorm (langzame afgifte waardoor 1 of 2 doseringen per dag voldoende zijn) verkrijgbaar.

* Matige en ernstige pijnklachten worden met sterke opio�den behandeld. Sterke opio�den dienen in combinatie met een middel uit stap 1 te
  worden gegeven. Sterke opio�den kunnen zowel niet-parenteraal als parenteraal worden toegediend. Niet-parenteraal toediening van
  opio�den bestaat uit toediening van morfine oraal, als zetpil of door middel van transdermaal fentanyl (pleister). De meest bekende
  middelen in deze groep zijn morfine, methadon en morfine met langzame afgifte (MS Contin, Noceptin en Kepanol). Bij het instellen van een
  pati�nt kan men ook gebruikmaken van kortwerkend orale morfine, zoals Sevredol. In tabletten van 10 mg of 20 mg kan dit ook als rescue-
  dosering worden gegeven wanneer de pijn nog onvoldoende onder controle is of wanneer er sprake is van doorbraakpijn, wanneer iemand
  echter 2x daags 10 mg een langwerkend opio�d gebruikt zal een tablet van 10 mg te veel zijn en kunnen bijwerkingen optreden.
  Langwerkende morfine kan ook rectaal worden toegediend, maar wordt wisselend opgenomen en zal dus slechts in uitzonderlijke gevallen
  worden toegepast. Wanneer de pijn niet of moeilijk onder controle te krijgen is, wanneer bijwerkingen optreden zoals sufheid, misselijkheid,
  braken, bij slikstoornissen en bij pijnbehandeling in de terminale fase, kan intraveneuze of subcutane toediening sterk werkende opio�den
  plaatsvinden. Wat inhoud dat het of in de ader wordt gespoten (intra veneus) of onder de huid (sub cutaan)
  Een van de grote voordelen van intraveneuze en subcutane toediening is de mogelijkheid tot snelle en succesvolle controle van ernstige of
  sterk wisselende pijn. Intramusculaire toediening dient te worden vermeden aamgezien die pijnlijk is. Bij intramusculaire toediening wordt
  de hoeveelheid morfine in de spier gespoten. Met gebruik van een PCA-pomp (Patient Controlled Analgesia) kan de pati�nt zichzelf op
  een veilige manier doseringen toedienen, waarbij de hoeveelheid rescue per keer en het aantal rescues over een vaste tijdsperiode precies
  kunnen worden ingesteld. Voor rescue-doses houdt men meestal 50-100% van de uurdosis aan, waarbij de extra dosis ieder half of
  heel uur gegeven kan worden. Dit zal men uiteraard vooral tijdens een ziekenhuisopname uitvoeren om de pati�nt snel op de gewenste
  hoeveelheid morfine in te stellen. Niet alle pijnsyndromen kunnen worden behandeld met analgetica. Een voorbeeld van een pijnsyndroom
  dat minder goed kan reageren op analgetica zijn bepaalde soorten neuropatische pijn. Neuropathische pijn is het gevolg van een perifere
  zenuw. Voorbeelden hiervan zijn, fantoompijn, littekenpijn, postherpetische neuralgie en postdissectie pijn. De pijn die bij Posttraumatische
  dystrofie optreed valt ook onder neuropathische pijn. Daarom werkt morfine niet bij iedereen even goed maar er zijn wel medicijnen die
  wel een goed effect kunnen hebben. Zo reageerd neuropathische pijn wel op trycyclische antidepressiva, zoals amitriptyline (Triptyzol).
  De anti-pijndosering is veel lager dan de antidepressive dosering. Pati�nten dienen daarbij wel te worden geinformeerd over het
  analgetische effect, want dat wordt niet in de bijsluiter genoemd.

Basisprincipes bij pijnbestrijding:
Voor een optimaal effect van de werking van analgetica, is een aantal basis principes van belang:

* Het is belangrijk om pijnmedicatie op vaste tijden te geven en in te nemen, want pijnstillers werken het best wanneer er steeds een bepaalde
  hoeveelheid ervan in het bloed aanwezig is. Het gebruik van pijnmedicatie geldt: "De klok rond" dus ook in de nacht. Wanneer de werkingsduur
  van een pijnstiller korter dan 8 uur is, is het belangrijk dat de pati�nt 1 keer per nacht wakker wordt om de pijnmedicatie in te nemen.

* Het gebruik van "zo nodig" medicatie is alleen zinvol wanneer de pijn plotseling optreed en niet continu aanwezig is. In alle andere gavallen is
  het belangrijk dat de continue opname van de pijnstiller in het bloed kan plaats vinden, zodat de plasma concentratie niet te veel daalt.

* Het effect van de pijnmedicatie kan het best worden gecontroleerd tijdens het piekeffect. Bij orale medicatie ligt het piekmoment tussen de 60 en
  90 minuten nadat de medicatie is ingenomen. Bij intramusculaire toediening na 30 tot 60 minuten en bij intreveneuze toediening na 6 tot 10
  minuten.

* In principe wordt er gestart met orale toediening. Indien er bijwerkingen optreden of het analgetisch effect niet voldoende is, kan worden
  overgeschakeld op parenterale medicatie of transdermale toediening door middel van Fentanyl pleisters. Voor het omzetten van de ene naar
  de andere pijnstiller en van de ene toedieningsvorm naar de andere, kan gebruik worden gemaakt van een omrekentabel. Hierin staat de
  equi-analgetische doseringen van de verschillende pijnstillers beschreven. Zo geldt dat 30 mg morfine PO (oraal) dezelfde equi-analgetische
  werking heeft als 10 mg morfine IV (intra veneus). Ook is 30 mg morfine PO equi-analgetisch aan 200 mg Codeine. Maar helaas is het omzetten
  van de ene pijnstiller naar de andere met behulp van de omrekentabel niet altijd betrouwbaar. Er kan sprake zijn van onder of over dosering
  waardoor de pati�nt de gevolgen van de overschakeling duidelijk zou kunnen merken.

* Opio�den hebben diverse bijwerkingen zoals je ook hebt kunnen lezen in de verschillende stukken over medicijnen. De meest voorkomende
  bijwerkingen zijn sufheid, misselijkheid en obstipatie. De misselijkheid en sufheid verdwijnt meestal na enige dagen. Obstipatie is een ander
  probleem, dit blijft aanwezig. Het is daarom ook van belang dat er ook een laxeermiddel wordt gebruikt.

Misvatting bij het gebruk van pijnstillers:
Er zijn veel misvattingen over het gebruik van opio�den. Dit leidt er vaak toe dat artsen te weinig analgetica voorschrijven en verpleegkundigen te weinig analgetica verstrekken. Vaak wil de pati�nt afzien van het gebruik van pijnstillers. Het is dan de taak van de verpleegkundigen om de pati�nt te informeren over het gebruik en de werking van de verschillende middelen die ze krijgen voorgeschreven. De meest voorkomende misvattingen zijn:

* Het gebruik van morfine leidt
niet tot verslaving. Verslaving wil zeggen dat iemand de neiging heeft een bepaald midden te gebruiken en dit
  middel nodig heeft om zich prettig te voelen. Verslaving treedt niet op wanneer de pijnstiller wordt gedoseerd in hoeveelheden die zijn
  afgestemd op de pijnintensiteit van de pati�nt.

* Het gebruik van morfine leidt
niet tot gewenning. De angst dat er steeds meer van een pijnstiller nodig is om hetzelfde resultaat te bereiken is
  onterecht. De angst dat veel mensen te vroeg met het gebruik van morfine beginnen is daarom onterecht. Wanneer de pijn toeneemt, duidt dit
  op een verandering van de pijnklachten!

* Het gebruik van morfine leidt, wanneer de dosis is afgestemd op de pijn van de pati�nt, magenoeg nooit tot een ademhalingsdepressie.

* Er is
geen maximale dosis voor opio�den. DIt betekend dat de dosering van bijvoorbeeld morfine altijd verhoogd kan worden. Uitzonderingen
  waarvoor wel een maximale dosering geldt zijn pethidine, buprenorfine en pantazocine.

Aanvullende pijnmedicatie:
Naast analgetica, kunnen aanvullende medicijnen, ook wel co-analgetica genoemd, worden voorgeschreven, waarvan bekend is dat ze pijnverlichtend kunnen zijn. Voorbeelden van aanvullende medicijnen zijn:
* Slaapmedicatie, die het in- of doorslapen bevordert, waardoor de pati�nt beter uitgerust is en beter tegen de pijn kan. Mensen met Pd zijn vaak
  bekend met een slaapprobleem. Veel gebruikte slaapmiddelen zijn: Temazepam, Nitrazepam en Lorazepam.

* Anxiolytica, middelen waardoor de pati�nt minder angstig of gespannen is, wat er voor zorgt dat de pijn ook iets afneemt. Voorbeelden hiervan
  zijn: Oxazepam en Diazepam

* Antidepressiva, middelen die een goede werking hebben op de stemming maar dit werkt ook als pijnbestrijder bij neuropathische pijn een
  voorbeeld hier van is: Amitriptyline (Triptyzol)

* Middelen die gebruikt worden bij oijn door beschadigde zenuwen. Deze pijn wordt vaak omschreven als stekend of schietend. de meest
  bekende middelen zijn amitrityline, carbamazepine en babpentin.

* Corticostero�den, welke diverse toepassings mogelijkheden hebben. Ze kunnen de druk op de zenuwen of hersenen verminderen. Ze kunnen
  ook de stemming en de eetlust verbeteren. Voorbeelden hiervan zijn Dexamethason en prednisolon.

Diagnose pijnanamnese
Hosted by www.Geocities.ws

1