Edouard Pignon (1905-1993)

"Een pioneer die alleen maar pionier is, heeft geen zin - je moet de volledige reis afleggen..."

De Platte Tube organiseert jaarlijks de Grote Prijs Edouard Pignon met start en aankomst te Hoeilaart. Deze wielerklassieker eert de Franse kunstschilder en revolutionair Edouard Pignon, die leefde van 1905-1993.

Edouard Pignon en Pablo Picasso, 1952

Edouard Pignon wordt geboren in Bully in de Pas-de-Calais als zoon van een mijnwerker. Hij groeit op in Marles-les-Mines. In zijn jeugd werkt hij net als de rest van de familie in de mijn, maar hij kan de duisternis niet verdragen en gaat werken als plafond-pleisteraar. De artistieke belangstelling van de arbeiderszoon ontwaakt: hij schrijft zich in voor een thuiscursus in kunst.

Op zijn 22ste verhuist Edouard Pignon naar Parijs. Hij kiest voor een moeilijk en onzeker bestaan. Overdag werkt hij in de Citroen en Renault fabrieken, terwijl hij 's avonds leert schilderen in de Ecole du Montparnasse, en beeldhouwen en tekenen in de Ecole des Arts Decoratifs. Hij is fan van Cezanne, en ontdekt Picasso en Matisse. Tot de oorlog voorziet hij in zijn bestaan met verschillende beroepen, waaronder lay-out man voor het weekblad Regards.

In 1940 gaat Edouard Pignon in het Verzet. Vanaf dat jaar wordt hij ook full-time schilder. Hij is voorstander van een "sociale kunst". Hij frequenteert de Association des Artistes et Écrivains Révolutionnaires en is sinds 1932 lid van de Parti Communiste.

 

 

 

In 1950, op zijn 45ste, trouwt hij met Hélène Parmelin, die tien jaar jonger is dan hij en op dat moment als journaliste en directrice van de culturele pagina's van het communistische dagblad L'Humanité werkt. Hélène Parmelin schrijft daarnaast ook romans, zoals La Montée au mur (prix Fénéon, 1951), La Manière noire (1970), La Femme écarlate (1975), La Désinvolture (1983), werken over kunst en politieke pamfletten (L'Art et les Anartistes, 1969).

Naar aanleiding van de opstand in Boedapest in 1956 neemt Pignon afstand van de stalinistische lijn van de Parti Communiste. Hij zal wel lid blijven van de partij tot 1980. In 1960 is hij één van de ondertekenaars van het al snel verboden en vervolgde "Manifeste des 121". Dit is een oproep van intellectuelen en kunstenaars aan alle Fransen om dienst te weigeren in het leger van de Gaulle dat de Algerijnse vrijheidsstrijd gaat onderdrukken.

In zijn kunst is Edouard Pignon vanaf 1945 meer en meer de natuur en het dagelijkse leven als uitgangspunt voor zijn schilderijen gaan nemen. Hij werkt in grote series: Les Mineurs, L'Ouvrier Mort, Les Combats de coq, Les Pousseurs de blé, Les Plongeurs, Les grands nus rouges etc. Gaandeweg legt hij meer de nadruk op kleur, beweging en conflict in zijn werk.

Le Mineur à la cigarette, 1948

Les trois plongeurs rouges, 1965

In 1951 sluit hij een hechte vriendschap met Picasso en vanaf 1953 begint hij net als Picasso keramieken te maken in Vallauris. Vanaf dat moment spendeert hij veel tijd in de Provence. Hij blijft echter in Parijs wonen, waar hij ook theaterdecors en verschillende grote muurschilderingen maakt. Hij schrijft twee boeken: La Quête de la réalité (1966) en Contre-courant (1974), waarin hij zijn eigenzinnige ideeen over kunst en politiek uiteenzet.

Aan het eind van zijn leven schenkt hij 40 doeken, tekeningen en litografieen en 3 werken van Picasso voor een aan hem gewijd museum in Marles-les-Mines. Hij sterft op 14 mei 1993, Hélène sterft 5 jaar later.

"De experimentele kunstenaar bestaat niet wat mij betreft. Een experimentalist is geen compleet mens. Er bestaan geen mensen die enkel experimenten uitvoeren aan de ene kant en mensen die enkel van die experimenten profiteren aan de andere kant. Een pioneer die alleen maar pionier is, heeft geen zin - je moet de volledige reis afleggen...

Elk schilderij is het antwoord op een vraag. Elk schilderij is mijn aandeel in de dialoog tussen mezelf en de hedendaagse schilderkunst. Mijn antwoorden kunnen al dan niet uitgesproken, al dan niet helder, al dan niet fijngevoelig zijn. Maar ze vormen in elk geval de enige waarachtige taal. Je kan natuurlijk doof blijven voor die antwoorden. Maar je kan niet beletten dat ze er zijn. Je kan ook doof blijven voor de antwoorden van Cézanne, Van Gogh of anderen. De precieze vrucht van de zorgen van een schilder, bepaald door de tijd waarin hij leeft, zal nooit begrepen worden. Dat hangt niet zomaar in de lucht. Een kunstwerk komt voort uit de schilderkundige bekommernissen van een bepaalde tijd, maar terzelfdertijd ook uit andere bekommernissen; politieke, muzikale, economische, literaire. Een kunstenaar moet de complete taal van zijn tijd spreken, een taal die universeel is voor alle mensen".

Edouard Pignon, La Quête de la Réalité, 1966

Nu endormi dansant, 1987

Hosted by www.Geocities.ws

1