HOOFDSTUK 2 : Copen met gevoel.
2.1. Een
brief aan de lezer.
Naar
mijn mening, …
Je
kwam in een wereld terecht waar bepaalde problemen niet te vermijden zijn …
Tot
op vandaag werd je sinds je bestaan iedere dag geconfronteerd met problemen en
gevoelens. Het is mijn overtuiging dat dit vaker gebeurt dan dat jouw
bewustzijn dit toelaat.
Vandaag kopieerde een bediende in een
copycenter enkele bladzijden voor mij. Tot mijn verbazing stelde ik thuis vast
dat er een tiental kopies ontbraken. Ik dacht bij mezelf “’t is niet waar eh…”.
Deze vaststelling wekte stressgevoelens bij mij op. Even later vertelde ik
mezelf dat die 10 bladzijden voorlopig toch niet belangrijk waren. Ik ging ze
later wel eens kopiëren. Mijn stressgevoel verdween …
Hiermee
wil ik aantonen dat zo’n gedragingen een deel van ons leven vormen. Toch vraag
ik me af waarom we hier nooit bij stil staan? Is dit pure tijdverspilling of
alleen weggelegd voor mensen die in de psychiatrie of andere instellingen
terechtkomen. Deze “slachtoffers” toonden aan dat ze minder goede strategieën
bezitten om met problemen en stress om te gaan.
How do you cope in your life? Het antwoord op deze vraag zal wellicht
beïnvloed zijn door je erfelijke code, je eigen levensgeschiedenis, de plaats
en tijdstip waar je geboren bent, jou rolmodellen en opvoeders, … Deze factoren
bepalen wie je nu bent, hoe je je gedraagt en specifiek naar coping toe, hoe
jij gedragsmatig en cognitief met bepaalde problemen en gevoelens omgaat.
Eén
iets is zeker. Je gaat er mee om.
Dit
hoofdstuk neemt U mee op een zoektocht
naar een verduidelijking van het copingbegrip.
2.2. Inleiding [1]
[2]
[3]
[4]
[5]
[6].
In dit hoofdstuk “Copen met
gevoel” wordt er een nieuw copingmodel voorgesteld, dat gebaseerd is op het
transactioneel en contextueel model van Lazarus en Folkman. Het Engelstalig werkwoord “to cope” kan het
best benaderd worden met werkwoorden zoals : “aankunnen”, “omgaan met” en “het
hoofd bieden aan”. Om wat variatie in
dit proefschrift te brengen werd het niet gepubliceerde werkwoord “copen” in
sommige meervoudsvormen toegepast.
Lazarus en Folkman
definiëren coping als “…de stabiliserende
factor die een individu kan helpen om zijn psychosociaal functioneren te
handhaven gedurende stressvolle periodes.
Het zijn cognitieve en gedragsmatige inspanningen die tot doel hebben
stressvolle toestanden te reduceren of
te verwijderen (Lazarus & Folkman, 1984; Moos & Schaefer,
1993)”.
Onder stressvolle toestanden
worden negatieve emoties verstaan zoals angst, verdriet en woede. Toch moeten individuen ook het hoofd bieden
aan positieve emoties zoals sexuele opwelling, vreugde en liefde. Aangezien ook
deze emoties afwijken van het innerlijk biologisch evenwicht, zal de mens
geneigd zijn deze gevoelens te reduceren.
De mens streeft immers bewust en onbewust naar een homeostatische
toestand. Deze hypothese wordt in dit
hoofdstuk uitvoerig besproken en geverifieerd met gegevens uit verschillende
literaire bronnen.
Het transactioneel
copingmodel van Lazarus en Folkman vormt een van de drie richtingen om het
copingbegrip te benaderen. Het eerste
denkwerk over coping gebeurde echter vanuit een psychoanalytisch denkkader. Daarna benaderde men coping van uit de
persoonlijkheid. Deze laatste twee
benaderingen kregen minder aandacht in het copingonderzoek en worden in dit
hoofdstuk dan ook minder uitvoerig besproken.
In de volgende paragraaf
bespreken we de moeilijke bevalling van het copingconcept. Laten we de moeder van deze laatste het
defensiebegrip noemen.
2.3. Defensie en copingonderzoek [7]
[8]
[9]
[10]
[11]
[12].
Onderzoek over het concept
“defensie” gaat terug tot de 19e eeuw. Het weerspiegelt meteen ook de oorsprong van de
psychoanalyse. In de psychoanalytische
theorie gaat men er vanuit dat er defensiemechanismen worden geactiveerd als
mensen in aanraking komen met angstverwekkende situaties. Door gebruik te maken van deze mechanismen
zal men de situaties vertekend waarnemen.
Ze beschermen het individu tegen externe dreiging of tegen innerlijke
conflictueuze spanningen. Deze laatste
zijn te situeren in het Es. Sigmund
Freud noemde dit de diepste, oorspronkelijke kern van de persoonlijkheid of
simpelweg het onbewuste. Het Ik, aan de
andere kant, vormt volgens Anna Freud het eigenlijke gebied waardoor we onze
waarneming voortdurend richten. Volgens
haar vader, Sigmund Freud, is het Ego of het Ich de bewuste rationele
bovenlaag, die voeling houdt met de realiteit.
De functies van dit Ego zijn : waarnemen, herinneren en denken. Het Ik zorgt ook door haar afweermechanismen
voor een bepaalde verlamming op het Es.
Ze is immers wantrouwig geworden tegen de vijandige invallen van het Es.
Freud vertelt in een van
zijn eerste werken dat onplezierige of beroerende gedachten soms onbereikbaar
zijn voor het bewustzijn. Veel van
Freuds literaire werken schetsen de verschillende psychologische manoeuvres van
individuen om onacceptabele gevoelens of ideeën af te weren, te vermommen of te
vervormen. Naargelang Freuds theorieën
evolueerden, begonnen de concepten defensie en repressie een belangrijke rol te
spelen. Onder repressie verstaan we het
actief uitstoten van inhouden naar het onbewuste. Dit vormt volgens Freud de bouwsteen van de psychoanalyse. Hij gebruikte in zijn psychoanalytische
werken de concepten defensie en repressie door elkaar. In 1926 gebeurde er een belangrijke
wijziging. Freud benoemde het concept
defensie als een algemene term voor de strijd van het ego tegen onplezierige
ideeën en gevoelens.
Door de publicatie van Anna
Freuds werk “Das Ich und die Abwehrmechanismen (1936) ”, werd het concept
“defensie” populairder. Anna Freud
introduceerde enkele nieuwe defensiemechanismen zoals : “ontkenning met behulp
van de fantasie”, “ontkenning in woord en daad”, “identificatie met de
agressor”, “de ik-inperking” en “altruïstisch afstand doen”. De meeste belangrijke theoretische
ontwikkelingen rond defensiemechanismen zijn een gevolg van haar werk. Deze had ook een algemene impact op de
medische en sociale wetenschap. Volgens
Anna Freud heeft iedereen een aantal potentiële afweermechanismen, maar men
gebruikt er slechts een paar. Als men
geconfronteerd wordt met stressvolle of traumatische situaties heeft ieder
individu een voorkeur om een bepaald afweermechanisme te gebruiken. Vanuit dit standpunt kwam er verder
onderzoek naar de begrippen “defensie” en “coping”. Anna Freud had ook het vermoeden dat sommige defensiestijlen in
verband kunnen gebracht worden met psychologische en pathologische
problemen. Ze merkte bijvoorbeeld op
dat repressie niet alleen het minst effectieve mechanisme is, maar ook het
gevaarlijkste. Vanuit dit standpunt
kwam er aandacht voor de adaptieve kenmerken van de defensiemechanismen. Er
werden modellen voorgesteld die een onderscheid maakten tussen gezonde en
onaangepaste afweermechanismen.
Vaillant (1971) stelde bijvoorbeeld een hiërarchisch model voor waar hij
een onderscheid maakte tussen volwassene en onvolwassene
verdedigingsmechanismen. Ze beschreef
de bewuste en onbewuste processen die mensen gebruiken om zich te handhaven in
hun omgeving. De volgende
verdedigingsvormen noemde hij volwassen : sublimatie, altruïsme, humor en
supressie. De onvolwassene
afweermechanismen zijn activiteiten zoals projectie, hypochondrie, acting-out,
fantaseren en passieve agressie. De
klasse die tussen deze twee ligt, noemt hij “de neurotische
defensiemechanismen”. Deze omvat
handelingen zoals intellectualisatie, repressie, dissociatie en
reactievorming. Dit model impliceert
dat individuen die volwassene defensiemechanismen gebruiken een betere mentale
gezondheid hebben dan individuen die onvolwassene defensiemechanismen
gebruiken. De term “coping” plaatst men
het best bij de volwassene defensiemechanismes.
In de jaren ‘60 viel het
werk dat voortkwam uit het defensieonderzoek samen met het copingbegrip. Hiervoor werd het woord “coping” slechts
informeel gebruikt in de medisch-en sociaal wetenschappelijke literatuur. Een aantal schrijvers benoemden de adaptieve
defensiemechanismen zoals sublimatie en humor als copinggedrag.
Volgens Haan (1960) is
copinggedrag verschillend van defensief gedrag. Het laatstgenoemde is rigide, dwingend, vervormt de realiteit en
is ongedifferentieerd. Copinggedrag is
aan de andere kant flexibel, vol betekenis, gericht naar de realiteit en
gedifferentieerd. Het is belangrijk om
te benadrukken dat deze beschrijving over copinggedrag plaatsvond binnen het
onderzoek naar defensiemechanismen. In
de jaren ‘60 en ‘70 kwamen er onderzoeken naar de bewuste strategieën die
individuen gebruikten wanneer ze terechtkwamen in stressvolle of van streek
brengende situaties. Deze strategieën
werden benoemd als copinggedrag en waren verschillend van de vroegere
afweermechanismen.
Algemeen kan men besluiten
dat psychoanalytische onderzoekers aannemen dat iedereen redelijke stabiele
coping-en defensiestijlen heeft en dat deze stijlen variëren volgens hun
volwassenheid.
2.4. Persoonlijkheid en
copingstijl [13] [14]
[15].
In deze benadering wordt er
in de eerste plaats vanuit gegaan dat onder het copinggedrag relatieve
persoonlijke factoren liggen. Daarnaast
neemt men aan dat individuen een voorkeur hebben om bepaalde copingstrategieën
te gebruiken.
De
persoonlijkheidskarakteristieken regelen de beoordeling en het
copingproces. Bepaalde
karaktereigenschappen zoals optimisme, gehardheid en een interne locus of
control kunnen gerelateerd worden met de persoonlijke controle in het
copingproces. Carver e.a. (1989) en
Taylor e.a. (1992) toonden bijvoorbeeld aan dat optimisten meer de neiging
hebben om probleemgerichte copingstrategieën (inspanningen om te handelen
volgens stressvolle situaties) te gebruiken, terwijl pessimisten
emotioneelgerichte copingstrategieën (inspanningen om emotionele toestanden te
reguleren) gebruiken zoals ontkenning en fatalisme.
In deze benadering wordt er
net als de psychoanalytische benadering vanuit gegaan dat mensen gedragsmatig
en cognitief consistent reageren over verschillende problematische
situaties. Voor dit reactiepatroon
gebruikt men de term “copingstijl”. Dit begrip houdt in dat de gehanteerde copingstrategieën
niet gezien worden als onveranderlijke kenmerken of eigenschappen, maar wel dat
individuen een voorkeur hebben om bepaalde (combinaties van) copingstrategieën
of vormen over verschillende situaties heen te gebruiken. Het begrip “stijl” kenmerkt zich door een
zekere stabiliteit, maar is in principe veranderlijk.
In de jaren ‘70 begonnen
sommige theoretici copinggedrag te beschouwen als reactie op levensbedreigende
situaties. Door zich te richten op
extreme situaties, kwam er meer onderzoek naar de variabelen van de situatie
die een invloed hadden op persoonlijke variabelen. Deze laatste waren in de psychoanalytische theorie heel
belangrijk. Door zich te richten op het
copinggedrag in hoge stressvolle situaties, werd er impliciet verteld dat
persoonlijke variabelen zwakke voorspellers zijn voor specifieke
copinggedragingen.
2.5. De transactionele
benadering : het copingproces : [16]
[17]
[18]
[19]
[20]
[21].
In de jaren ‘70 en ‘80
geloofden meer en meer onderzoekers dat copingstijlen niet gedetermineerd
werden door persoonlijke factoren. Ze
begonnen, net zoals Lazarus, de nadruk te leggen op het belang van de situationele
context waar coping plaatsvindt. Aan de
hand van deze bevindingen kwam Lazarus in 1966 tot een copingmodel. In dit hoofdstuk worden de bevindingen van
Lazarus en Launier (1978) verwerkt tot een geïntegreerd copingmodel dat vooral
de nadruk legt op het belang van de emoties.
Ik benadruk dat dit model, net als vele andere modellen, van
hypothetische aard is. Toch worden de
voorgestelde hypotheses begrijpelijk gemaakt aan de hand van voorbeelden en
aangevuld met recente literatuurgegevens.
Zo wordt er aangetoond dat men niet alleen het hoofd moet bieden aan
negatieve emoties, maar ook aan de positieve.
Nu volgt er een schema die het copingproces poogt te
verduidelijken. Daarna wordt er een
bondige samenvatting gegeven van dit model, waarna stap voor stap dieper
ingegaan wordt op iedere fase.
(Fig. 1.0. Het copingproces, 1998)

In dit bovenstaande schema
worden de verschillende fasen van het copingproces voorgesteld. Men kan vaststellen dat coping een bewuste
reactie is op allerlei emoties ontlokt door de situatie. Lazarus bracht in zijn boek “Psychological
stress and the coping process (1966)” een cognitieve wending in het
stressonderzoek. Het zijn niet de
objectieve kenmerken van de situatie, maar de subjectieve perceptie en de
interpretatie van het individu die bepalen als de situatie als belastend wordt
ervaren.
Elk individu dat
geconfronteerd wordt met een bepaalde eis uit de omgeving, zal hieraan
allereerst een subjectieve betekenis geven en het belang van deze omgevingseis
voor zijn welbevinden inschatten. Dit
noemt men het eerste beoordelingsproces.
Als het individu deze situatie als negatief beoordeelt, veroorzaakt dit
negatieve gevoelens zoals angst, verdriet of kwaadheid (negatieve stress). Situaties die positief worden beoordeeld,
brengen positieve emoties met zich mee.
Dit benoemen we als positieve stress.
Een individu zal geneigd zijn deze negatieve of positieve emotionele
reacties te reduceren. Als de situatie
als irrelevant wordt beschouwd treden er geen emoties (neutrale stress). In het tweede beoordelingsproces gaat het
individu na welke middelen er mogelijk zijn om het verstoorde evenwicht te
herstellen. Mensen streven immers naar
een homeostase. Men zal nagaan welke
copingstrategieën er toepasselijk zijn om het probleem de baas te kunnen en wat
hun kans van slagen is. Dit houdt in dat
een copingplan voorbereid en uitgevoerd moet worden. Het uiteindelijke copinggedrag kan ook veranderen gedurende de
stressvolle situatie. Dit omdat ook de
situationele factoren bepalen wat het copinggedrag zal zijn. Door nieuwe informatie en steun kan
bijvoorbeeld een ander copinggedrag gesteld worden. Als er na het stellen van het copinggedrag geen stress
gereduceerd werd (of er werd geen homeostase bereikt), was het copinggedrag in
deze situatie niet adaptief. Indien dit
meermaals na elkaar niet lukt, wordt de kans op lichamelijke en psychische
klachten groter. Dit wordt in de
literatuur benoemd als ongezonde stress.
Ook persoonlijke factoren zoals een onvoldoende zelfcontrole, een
sub-assertieve gedragstijl, … hebben een bewerkstelligend effect op het
ontstaan van ongezonde stress.
2.5.1. De ontlokkers in de
situatie [22] [23].
Twee psychiatrische patiënten (Luc en Jan) ontsnappen uit een
instelling. Plots zien ze een tijger wandelen op straat. Luc gooit een steen
naar het hoofd van de tijger. Daarna lopen ze allebei naar een boom. De tijger
rent met een hongerige blik deze twee vlezige massa’s na. Luc kruipt in de boom
en wacht op Jan. Even later vraagt Luc met een trillende stem aan Jan : “Waarom
blijf je daar wachten, waarom kruip je niet in de boom?”. “Ah Jan, jij hebt gegooid en ik niet …”.
Het spreekt voor zich dat men
eerst bepaalde stimuli moet waarnemen vooraleer er stress kan ontstaan. In dit geval ziet men de tijger snel naderen
met een woedende blik. Men merkt op dat
er aan de woorden “naderen” en “woedende blik”
al een interpretatie aan gekoppeld is.
Toch is deze interpretatie verschillend van het eerste
beoordelingsproces. Daar interpreteert
men de situatie of stressor als positief of negatief.
We kunnen situaties die
stress met zich meebrengen indelen in : alledaagse gebeurtenissen, chronische
belastende situaties, ingrijpende levensgebeurtenissen, traumatische ervaringen
en bepaalde gedachtenpatronen. Toch is
het belangrijk er op te wijzen dat ten eerste, de waarneming van de mens
subjectief is en ten tweede, dat de situatie niet altijd correct
geïnterpreteerd wordt. Door een
verkeerde waarneming of interpretatie kan er dus stress ontstaan. Het omgekeerde geldt ook. Er zal bijvoorbeeld geen stress ontstaan als
men de situatie als irrelevant interpreteert.
Neem nu een dom blondje die slachtoffer geworden is van een
verkeersongeluk. Zij zal door haar zwak
interpretatievermogen geen stressgevoelens ervaren. De volgende situaties hoeven dus geen stressgevoelens te
veroorzaken, maar vormen wel noodzakelijke stimuli die stressgevoelens kunnen
uitlokken.
2.5.1.1. Alledaagse
gebeurtenissen.
Iedereen kan wellicht voor
zichzelf alledaagse situaties bedenken die stress veroorzaken. Het kan gaan om
kleine, op zichzelf onschuldige gebeurtenissen, waarover we weinig controle
hebben. Door de opeenstapeling van
gebeurtenissen en door het “ongelegen” moment waarop ze plaatsvinden, kunnen ze
irritatie en stress met zich meebrengen.
In mijn “brief aan de lezer” beschreef ik al een situatie die bij mij
stressgevoelens deed opwekken. De
volgende situaties zijn uit een leven gegrepen :
· Je stapt in een vliegtuig,
tien minuten later wordt er je verteld dat een staking het vliegtuig op de
grond houdt, je mag het vliegtuig niet verlaten en vier uur later, …, is er nog
niets aan deze situatie veranderd …
· Als kleuter vind je je
moeder niet meer terug op een drukke markt, …
· Een van je lenzen valt op de
grond, een uur later heb je een belangrijke afspraak, je zoekt, je vindt niets,
je zoekt, en je blijft maar niets vinden, HOE IS DIT MOGELIJK ?
· Je kon nergens je sleutels
vinden, …
Kenmerkend aan deze
situaties is dat we er niets (meer) aan kunnen doen. Toch kunnen we wel een invloed uitoefenen op de emotionele
reactie van dergelijke situaties.
Belangrijk hierbij is het volgende : “Wind je niet op over zaken waaraan
je niets aan kunt veranderen.”
2.5.1.2. Chronische
belastende omstandigheden. [24]
[25]
Een tweede bron van stress
kan te maken hebben met chronische belastende omstandigheden in de gezins- en
leefsituatie. Deze omstandigheden
veroorzaken stress omwille van hun “slepende” karakter. Door deze chronische arousal ontstaan er
moeilijkheden om zich te concentreren, men is vaker moe, … Ze zouden veel minder belastend zijn als ze
slechts tijdelijk zouden zijn.
Enkele voorbeelden van
chronische omstandigheden zijn :
· de verzorging van een
gehandicapt kind;
· onenigheid en conflicten
binnen de familie;
· problemen met de opvoeding
of het leren van de kinderen;
· geluidshinder,
verkeersoverlast;
· financiële problemen.
2.5.1.3. Ingrijpende
levensgebeurtenissen . [26] [27]
[28]
Soms kunnen in het leven van
mensen veranderingen plaatsvinden die zo ingrijpend zijn, dat ze per definitie
gepaard gaan met stress. Het kan hier
gaan om plotse en onverwachte gebeurtenissen, maar ook om gebeurtenissen die
enigszins te verwachten zijn . Denk
maar aan een echtscheiding, een ontslag, een zelfmoordpoging van een naast
familielid of ernstige financiële schulden.
Bij een echtscheiding zal men opnieuw zijn leven moeten inrichten. Een
van de partners zal moeten verhuizen, er moeten financiële afspraken worden
gemaakt, … Toch kunnen ook positieve veranderingen beschouwd worden als
mijlpalen in het leven. Voorbeelden hiervan zijn : geboorte van een kind, een
huwelijk, een promotie of een vakantie.
Deze veranderingen doen opnieuw een sterk beroep op ons aanpassingsvermogen
en flexibiliteit. Je komt in een nieuwe
situatie terecht die gepaard gaat met nieuwe eisen. Daarom zijn er ook nieuwe vaardigheden vereist om het hoofd te
kunnen bieden aan deze situaties.
Aangezien onderzoek aangetoond heeft dat ingrijpende gebeurtenissen
gerelateerd zijn aan ziekte en ongezondheid, wordt het belang van adaptieve
copingmechanismen hier onderstreept.
2.5.1.4. Traumatische ervaringen. [29]
[30]
[31]
Onder een psychotrauma
verstaat men een extreme acute gebeurtenis die het individu overspoelt,
waardoor hij zich machteloos en hulpeloos voelt. Het kan echter gaan om iets
dat men ziet aankomen en niet te vermijden is.
Door deze ingrijpende en schokkende gebeurtenis, wordt er bijna
letterlijk een wond veroorzaakt (trauma betekent wond of kwetsing). Enkele voorbeelden van traumatische
ervaringen zijn : een natuurramp; oorlogservaringen; een verkeersongeluk; een
verkrachting; een overval, …
Bij personen die dergelijke
voorvallen meemaken ontstaat er een intens gevoel van stress en machteloosheid. Het persoonlijk leven kan in ernstige mate
ontwricht geraken. Uit een onderzoek
bleek dat bij overlevenden van de holocaust de verschrikkelijke gebeurtenissen
nog in hun geheugen gegrift staan.
Bijna vijftig jaar nadat ze o.a. ondervoeding en het afslachten van hun
geliefde hadden doorstaan, waren de herinneringen nog springlevend. Een derde voelde zich doorgaans nog
bevreesd. Bijna drie kwart van hen zei
dat ze angstig werden als iets hen aan de Nazi-vervolging herinnerde (een
uniform, een klop op de deur, blaffende
honden of schoorsteenrook). Zestig
procent dacht nog dagelijks aan de holocaust en acht van de tien overlevenden
hadden nog steeds herhaaldelijk nachtmerries.
Ook bij adolescenten vindt
men specifieke reacties na traumatische ervaringen (Pynoos 1993) Deze zijn o.a.
: antisociaal gedrag, zich uit een situatie terugtrekken, drugs en
alcoholmisbruik en school-en
leerproblemen. De copingstijl die men gebruikt is afhankelijk van een
groot aantal factoren : de aard en omstandigheden waarin de gebeurtenissen
hebben plaatsgevonden, de mate waarin beschermende factoren aanwezig zijn, de
leeftijd, de gezinsgeschiedenis en de persoonlijke uitrusting. Personen met bijvoorbeeld een actief en
alert temperament, een actieve copingstijl, een goede communicatieve
vaardigheid en een sterke innerlijke locus of control zijn minder kwetsbaar
voor externe stresssituaties.
2.5.1.5. Gedachtenpatronen.
Het zijn alleen externe
stimuli die stressgevoelens kunnen veroorzaken. Ook specifieke gedachtenpatronen zoals zwart-wit denken of
moet-gedachten lokken deze gevoelens uit.
Zwart wit denken komt vooral voor bij angstige personen. Deze personen redeneren met soortgelijke
gedachten : “Als ik niet vriendelijk ben, dan ben ik een onvriendelijk
persoon”. Ook perfectionistisch ingestelde mensen hebben gedachtenpatronen die
tot stressgevoelens leiden. Deze mensen
leven met het idee leven dat alles op staande voet moet gebeuren en handelen
ook naar die gedachte (met uitputting als gevolg). Deze mensen hebben ook vaak moet-gedachten. Hierbij classifiseert men gedachten als “Ik
moet een goede ouder zijn” of “Het is verschrikkelijk als ik een fout bega, ik
moet altijd mijn best doen. Ook dit
gedachtenpatroon leid tot stress.
2.5.2. Het eerste
beoordelingsproces [32]
[33]
[34]
[35]
[36].
Op het moment dat de tijger naar hen toeliep, interpreteerden ze
allebei deze situatie als bedreigend.
Het eerste
beoordelingsproces heeft betrekking op de subjectieve beoordeling van de
situatie. Hier zal het individu het probleem of het belang van de gebeurtenis
evalueren. In het gewone dagelijkse
leven zullen we vanuit onze waarneming vaak haastige conclusies trekken (we are jumping to conclusions). Aan de hand van impliciete opvattingen en
denkwijzen zullen we de situaties die we meemaken proberen te verklaren. Naast deze pogingen om de situatie te
verklaren stel men zichzelf één soortgelijke vraag : “Heb ik hier een hekel
aan?”, “Doet het pijn?” of “Ben ik hier bang voor?”. Afhankelijk van die interpretaties kan er zowel positieve, neutrale
als negatieve stress ontstaan.
Negatieve beoordelingen leiden tot negatieve emoties (negatieve stress)
en positieve beoordelingen tot positieve emoties (positieve stress). Neutrale stress roept geen emoties op
(neutrale stress).
Positieve beoordelingen
brengen altijd een positieve emotie met zich mee en dus een verhoging van de
gemoedstoestand. Het kan situaties
betreffen die waargenomen worden als een uitdaging. Ze kunnen een potentiële groei of voordeel vormen voor het
individu.
Neutrale beoordelingen
roepen geen emoties op. Dit omdat de
situatie onder de ogen van de persoon als irrelevant wordt gezien. Neutrale stress komt niet hoofdzakelijk
overeen met een evenwichtige gevoelstoestand of homeostase. Dit laatste betekent dat er over het lichaam
een gevoel van rust heerst. Je bent
klaar voor alles wat er met je kan gebeuren, je zit vol energie en je voelt dat
je controle hebt over jezelf. Neutrale
stress brengt geen verandering mee in de gevoelsthermometer. Geen koorts op deze thermometer is betekent
hier een homeostatische toestand.
Negatieve beoordelingen
leiden tot negatieve emoties. Gevoelens
zoals angst en verdriet zullen ontstaan als er een discrepantie bestaat tussen
de waargenomen taakeisen en de waargenomen vaardigheden om aan deze eisen te
voldoen. Ze houden voor de persoon in
kwestie een gevaar in. Dit komt omdat
ze een rechtstreekse bedreiging vormen voor het welbevinden. In de literatuur
wordt dit benoemd als “negatieve stress”.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen drie soorten negatieve
beoordelingen : schade, verlies en bedreiging.
Situaties die beoordeeld worden als een schade of verlies, verwijzen
naar onplezierige gebeurtenissen die in het verleden zijn opgetreden. Aan de andere kant is een situatie die als bedreigend beoordeeld wordt
een verwijzing naar de toekomst en de anticipatie van negatieve ervaringen. Negatieve stress gaat gepaarde met emoties
zoals angst, kwaadheid, depressie, hulpeloosheid of verdriet.
Stress is dus rechtstreeks
verbonden met emoties. De intensiteit
en de kwaliteit van de ervaren emotionele reacties hebben een enorme
diagnostische waarde. Emoties vertellen
hoe mensen de situatie beoordelen.
Emoties zijn met andere woorden direct gekoppeld aan het eerste
beoordelingsproces en kunnen dus ook veranderen in intensiteit en kwaliteit als
er een wijziging optreedt in dat proces.
2.5.3. De emotionele
reacties [37] [38]
[39]
[40]
[41]
[42]
[43].
2.5.3.1. De amygdala en de
vecht-en vluchtrespons.
Doordat Jan en Luc deze situatie als negatief beoordeelden, werden er
negatieve emoties opgeweld. Door deze opwelling ontstond er bij beide personen
een vluchtrespons. Dit ging waarschijnlijk gepaard met een angstgevoel. Deze
vecht en vluchtrespons anticipeert op
het komende onaangename gevoel. Ze vormt een van de vele manieren om gevoelens
te reduceren.
Uit deze situatie blijkt dat
mensen niet altijd rationele wezens zijn.
In dit geval bleef men bijvoorbeeld niet rustig wachten om alle gegevens
op een rij te zetten. Volgens evolutiebiologen
heeft de vecht-en vlucht respons een duidelijke functie. Ze zouden gedurende een lange en cruciale
tijd in de prehistorie van de mensheid het verschil betekenen tussen leven en
dood. Toch worden dergelijke
automatische reacties niet altijd geactiveerd.
Een visueel
signaal loopt eerst van het netvlies naar de thalamus. Daar worden deze prikkels vertaald in
mensentaal. Het grootste deel van de
boodschap wordt doorgestuurd naar de visuele cortex waar ze geanalyseerd en beoordeeld wordt op
betekenis. Als de respons emotioneel is
(positieve of negatieve beoordeling) gaat er een signaal van de visuele cortex
naar de amygdala. Er bestaat ook één
enkel synaps die van de thalamus naar de amygdala gaat.
Door deze rechtstreekse
transmissie is er een vluggere respons mogelijk. Zo kan de amygdala een emotionele respons beginnen voordat de
corticale centra volledig begrijpen wat er gebeurt. Dit kan een verklaring vormen dat de emotie het vermogen heeft om
de ratio te overweldigen. Men kan dus
reageren zonder precies te weten hoe de situatie in elkaar zit.
De amygdala zendt
boodschappen uit naar alle delen van de hersenen. Het autonome zenuwstelsel
wordt met andere woorden geactiveerd.
Het sympatisch systeem zorgt voor afscheidingen van catecholaminen,
waardoor de bewegingscentra gemobiliseerd worden. Ter gelijke tijd wordt ook het cardiovasculair systeem, tezamen
met de spieren en ingewanden geactiveerd.
Er ontstaat een versnelling van het hartritme en de ademhaling, de
pupillen ondergaan een verwijdering en de speekselklieren treden in
werking. De amygdala gebiedt ook de
hersenstam om het gezicht te fixeren in een bevreesde uitdrukking. Andere signalen vestigen de aandacht dan
weer op de bron van vrees. Deze
lichamelijk veranderingen en emotionele opwellingen zijn allemaal ingrediënten
van de vecht-en vluchtrespons. Dit
reactiepatroon treedt op bij pijn, honger, vrees, woede, seksuele opwelling en
vrolijkheid. Deze emoties beschouwt men
als het fysiologisch ervaren van emotionele opwellingen (arousal). Deze fysiologische reactie is een van de
voornaamste, maar niet het kenmerkende aspect van de emotie, daar zij soms
afwezig of te verwaarlozen is.
2.5.3.2. Stress,
gelijkgesteld aan negatieve en positieve emoties.
Tegenwoordig blijken er
nogal wat misverstanden en onduidelijkheden te bestaan over stress. Stress
wordt vaak geassocieerd met examens, ziekte, werkdruk, ongezond, slecht,
schadelijk… Kortom, het heeft een
negatieve bijklank gekregen. Niettemin
is stress in vele situaties nodig en nuttig om (optimaal) te kunnen presteren. Stress is een fenomeen van iedere dag en dus
niet te vermijden. Zonder stress zouden
we zelfs niet kunnen overleven. Het is
door deze spanning dat we ons zo goed mogelijk kunnen aanpassen aan nieuwe
situaties.
Tegenwoordig wordt er een
duidelijk onderscheid gemaakt tussen gezonde en ongezonde stress. Gezonde stress kan men opvatten als de
emotionele reactie die wordt ervaren na een stressvolle situatie. Deze reactie kan negatief en positief zijn
(negatieve en positieve stress) en is vaak nuttig en noodzakelijk. Bovendien is het zo dat we als mens zonder
een zekere mate van gezonde stress minder creatief en minder produktief zouden
zijn.
Lazarus en Folkman (1984) omschrijven negatieve stress als “… a particular relationship between the person
and the environment, that is appraised by the person as taxing or exceeding his
or her resources and endangering his or her well-being [a]”. Positieve stress, aan de
andere kant, kan dan omschreven worden als het aangename gevoel dat men ervaart
als men denkt dat de situatie een potentiële groei en voordeel vormt voor
zichzelf.
Ongezonde stress, die zich
uit in lichamelijke, psychische en gedragsmatige klachten, zal ontstaan als er
teveel stressvolle situaties zich na elkaar plaatsvinden. De stressregeling zal
minder goed verlopen als men geen aangepaste middelen toepast om met gezonde
stress om te gaan.
Hieruit blijkt dat gezonde
stress niet het probleem is, maar wel stressherstel. Een slechte stressreductie zal leiden tot eerste symptomen zoals
hoofdpijn, een laag energiepijl en moeite om zich te relaxeren. Als men deze
signalen negeert kan dit leiden tot ongezonde stress. Stress moet gereduceerd worden.
2.5.4. Het tweede
beoordelingsproces [44].
De vraag die Jan en Luc zich wellicht nooit hebben gesteld is : “Welk
gedrag kan ik nu stellen om van dit gevoel te ontsnappen?”. Toch zette de
vlucht-en vecht respons hun al een stap in de goede richting. Blijven vechten
of vluchten zou in vele situaties niet adaptief zijn. De tijger had hun
wellicht in enkel seconden ingehaald en opgesmuld. Luc dacht dat in een boom
kruipen de meest voor hand liggende oplossing zou zijn. Jan toont aan dat men
de situatie (in het tweede beoordelingsproces) opnieuw kan evalueren. Hij kwam
tot het “inzicht” dat hij totaal geen schuld had in deze situatie. Daarom zou
de tijger hem geen “pijn” doen. Zijn stressgevoel verdween.
Door dit tweede
beoordelingsproces zijn we genoodzaakt aan te nemen dat er geen automatische
verbinding is tussen de bedreiging en de reactie (met uitzondering van de
vecht-en vluchtreactie). I n deze fase zoekt men achter middelen om met
positieve en negatieve emoties om te gaan.
Dagelijks moeten we ons constant aanpassen aan de eisen die de omgeving
stelt, of aan de eisen die we onszelf stellen.
Bij elke verandering moeten we steeds middelen vinden om ons in te
stellen. Dit zoekgedrag zal resulteren
in een copinggedrag.
We merken al twee
copinggedragingen op vooraleer we tot de uiteindelijke copingfase komen, nl. de
vecht-en vluchtrespons en het herbeoordelen van de situatie. Deze laatste zijn cognitieve processen die
erop gericht zijn de emotie te reguleren door ervoor te zorgen dat het individu
zich beter voelt. Men kan bepaalde
dingen tegen zichzelf zeggen of bepaalde aspecten van de situatie meer of
minder belichten.
2.5.5. Coping.
2.5.5.1. Copen met
stress. [45]
[46]
[47]
In de situatie van Jan en Luc bleek dat er verschillende manieren
bestaan om onaangename stressgevoelens te reduceren. Luc’s angstgevoelens
werden gereduceerd doordat hij in een boom kroop en Jan toont in de vorige fase
aan dat de interpretatie van de situatie ook een belangrijke invloed heeft in
dit copingproces. Beide stressgevoelens verdwenen.
Lazarus beschrijft coping
als de gedragsmatige en cognitieve inspanningen die je zal leveren nadat je een
situatie als stressvol hebt beoordeeld.
Volgens Lazarus vormt dit een middel om negatieve stress te reduceren en
is onafhankelijk van het succes van deze pogingen. Het reguleren van emoties is een full-time bezigheid en het zit
vervat in de vele dingen die we doen.
Emoties zetten mensen ons aan om op een bepaalde manier met een probleem
om te gaan. Dit kan gaan van het lezen
van een boek of televisie kijken, tot het gezelschap en de hobby’s die we
kiezen. Jezelf kunnen kalmeren is een
fundamentele levenskunst. Daarnaast kan
iedereen verschillend reageren op één identieke situatie. Het is dus niet zo dat situatie A altijd
reactie B met zich meebrengt. In de
laatste paragraaf van dit hoofdstuk worden de verschillende soorten
copinggedragingen besproken.
We kunnen besluiten dat we
vaak weinig of geen controle hebben over wanneer
een emotie ons overspoelt en welke
emotie dit is. Toch hebben we iets te
zeggen over hoe lang de emotie
aanhoudt.
2.5.5.2. Emoties maken een
copinggedrag meer waarschijnlijk. [48]
In de literatuur legt men de
nadruk op de verschillende negatieve emoties die resulteren in een
copinggedrag. Toch kan men ook aannemen
dat positieve emoties het stellen van een bepaald copinggedrag meer waarschijnlijk
maken. De volgende verbanden tussen
emoties en hun fysiologische responsen bevestigen deze hypothese.
· Bij woede stroomt het bloed naar de handen. Dit maakt het gemakkelijker een wapen te grijpen of uit te halen
naar de tegenstander. De hartslag
versnelt en een toevloed van hormonen genereert een energiestoot die sterk
genoeg is om krachtdadig op te treden.
· Bij vrees stroomt het bloed naar de grote skeletspieren (zoals die in
de benen). Dit vergemakkelijkt het
vluchten. Op het zelfde moment staat
het lichaam stokstijf stil, al is het maar een moment. Dit is misschien een manier om tijd te
winnen zodat we kunnen nagaan of schuilen niet een betere reactie is. Ook een stroom van hormonen stellen het
lichaam in een geheel van alarm.
Daardoor wordt het lichaam prikkelbaar en is men klaar om in actie over
te gaan. Door vrees wordt ook de
aandacht gericht op de naderende dreiging.
Daardoor kunnen we beter beoordelen hoe we moeten reageren.
· Bij vreugde ontstaat er een verhoogde activiteit binnen een
hersencentrum dat negatieve gevoelens onderdrukt. Ze zorgt ook voor een stijging van de beschikbare energie,
evenals het kalmeren van hersencentra die zorgwekkende gedachten
genereren. Deze toestand brengt het
lichaam ook in een algehele rust. Men
is ook bereid elke taak aan te vatten en velerlei doelen na te streven.
· Liefde,
tedere gevoelens en seksuele bevrediging gaan gepaard met een reeks reacties
overal in het lichaam. Er wordt een
toestand van kalmte en bevrediging bereikt en men zal sneller aan iets
meewerken.
· Als we ons verbaasd voelen, zullen we onze
wenkbrauwen optrekken. Dit vergroot ons
blikveld en zorgt ook dat er meer licht op het netvlies valt. Dit geeft meer informatie over de
onverwachte gebeurtenis. Het wordt
gemakkelijker om na te gaan wat er precies gebeurt en wat het best geschikte
plan is om op te stellen.
· Walging geeft overal ter wereld een identieke boodschap : iets heeft een
weerzinwekkende geur of smaak. De
bovenlip wordt gekruld naar de zijkant terwijl de neus iets wordt
opgetrokken. Dit duidt volgens Darwin
op een oerpoging om de neusgaten af te sluiten voor een ongezonde geur of om
giftig eten uit te spugen.
· Verdriet helpt ons aan te passen aan een ingrijpend verlies. Verdriet veroorzaakt een vermindering van
energie en enthousiasme voor de activiteiten van het leven. Als verdriet zich verdiept en neigt naar een
depressie, wordt het metabolisme van het lichaam afgeremd. Dit introspectief terugtrekken schept de
mogelijkheid om te rouwen om een verlies.
Men kan de gevolgen voor het eigen leven op een rijtje zetten en plannen
maken voor een nieuw begin zodra de energie terugkeert.
Hieruit kunnen we besluiten
dat iedere emotie bepaalde kenmerken bevat die het stellen van een
overeenkomstig copinggedrag waarschijnlijker maken.
Naar vreugde toe kunnen we
bijvoorbeeld het volgende hypotetisch uitwerken. Mensen die in het algemeen opgewekter zijn dan anderen, zullen
waarschijnlijk sneller of frequenter het copinggedrag “actief aanpakken” stellen. Dit omdat men bereid is vele doelen na te
streven en elke taak wil aanvatten. Aan
de andere kant kalmeert vreugde ook de zorgwekkende gedachten in de
hersenen. Daarom zal er hoogst
waarschijnlijk een negatief verband bestaan tussen mensen die alle dagen
opgewekt zijn en het copinggedrag “piekeren”.
Samenvattend kunnen we veronderstellend besluiten dat vrolijke mensen
het copinggedrag “actief aanpakken” meer zullen gebruiken en minder zullen
piekeren.
2.5.6. Nieuwe hypotheses in
het copingproces.
Het is duidelijk dat de
emotionele reactie na het waarnemen en interpreteren van groot belang is voor
het stellen van een copinggedrag. In
normale omstandigheden zal men copen met een negatief of een positief
gevoel. Toch kunnen bepaalde cognitieve
processen ervoor zorgen dat men op “hetzelfde” moment het hoofd moet bieden aan
negatieve en positieve
gevoelens. De volgende hypotheses
vormen een aanvulling op het eerste beoordelingsproces, de emotionele reacties,
het copinggedrag en de negatieve consequenties.
1.
Negatieve
beoordelingen leiden tot negatieve emoties.
2.
Positieve
beoordelingen leiden tot positieve emoties.
3.
Positieve
stress kan omslaan in negatieve stress.
Positieve
emoties zullen in een negatieve emotie omslaan als het individu de situatie, de
gedachte of de voorstelling ervan negatief beoordeelt. (gevolg van hypothese 1)
4.
Negatieve
stress kan omslaan in positieve stress.
Negatieve
emoties zullen in een positieve emotie omslaan als het individu de situatie, de
gedachte of de voorstelling ervan positief beoordeelt. (gevolg van hypothese 2)
5.
Conflicten
in het beoordelingsproces bemoeilijken de keuze van een copinggedrag, waardoor
de kans op het ontstaan van klachten groter wordt.
2.5.6.1. De valentie van de emotie is afhankelijk
van de beoordeling [49].
Frijda schrijft dat
emotionele stimuli het produkt zijn van iemands cognitieve activiteit, behalve
als het om honger, kou en pijn gaat.
Dit hoeft geen bewust afwegingsproces te veronderstellen. Het resultaat is afhankelijk van vroegere
ervaringen en eerdere interacties met de stimuli. In het algemeen worden er verschillende verklaringen gegeven voor
het ontstaan van positieve en negatieve emoties.
Volgens match en
mismatchtheorieën ontstaat een positieve emotie als gevolg van stimuli die een
match met een verwachte of gewenste situatie teweegbrengen (het bereiken van
doelen, bevredigen van drijfveren of het krijgen van beloningen). Een negatieve emotie komt voort uit stimuli
die een mismatch teweegbrengt met een van die volgende zaken.
Mowrer (1960), Hammond
(1970) en Millenson (1967) zeggen dat emoties opgewekt worden door stimuli die
beloning en straf aankondigen.
Volgens Mandler (1984)
worden emoties veroorzaakt door interrupties, waarbij een interruptie staat
voor zowel de onmogelijkheid om je plannen uit te voeren, als op het
doorkruisen van je verwachtingen.
Deze verklaringen bevatten
zonder twijfel belangrijke gegevens die het ontstaan van emoties verklaren. Een
beloning zal waarschijnlijk een
positieve emotie met zich meebrengen, een verwachting die niet ingelost wordt
zal waarschijnlijk een negatief gevoel
opleveren, … Toch bieden deze verklaringen geen honderd procent waterdichte
verklaring voor het ontstaan van positieve en negatieve emoties. Vanuit het
standpunt van Lazarus dat de beoordeling (appraisal) een belangrijk component
vormt voor het ontstaan van stress, kunnen we tot de volgende denkoefening
komen.
Iedereen kan met zijn
nuchtere geest vaststellen dat positieve beoordelingen leiden tot positieve
emoties en dat negatieve beoordelingen leiden tot negatieve emoties. Daaruit
volgt dat een negatieve beoordeling nooit kan leiden tot een positieve emotie
en een positieve beoordeling nooit kan leiden tot een negatieve emotie. Deze opvatting sluit aan bij deze van
MacDowwel & Mandler (1989). Volgens
hun zou een emotie het produkt zijn van “arousal” en “cognitieve
evaluatie”. Deze laatste bepalen de
waarde van de emotie, terwijl de emotionele opwelling de kracht van de reactie
bepaalt.
Je hoort de
volgende niet-commerciële boodschap op de radio : “Marc Dutroux is deze middag
ontsnapt …”. Deze informatiestroom werd
op 23 april 1998 losgelaten op duizenden mensen. Alhoewel de inhoud van deze boodschap voor alle mensen gelijk
was, werden er toch verschillende emoties geactiveerd. Iedereen interpreteerde op zijn manier de
inhoud van dit bericht. “Dutroux ontsnapt, prachtig, actie, … wat?, is hij nog
altijd niet gesnapt, er zullen weer vele moppen ontstaan, tof …”. Dit soort beoordelingen roepen duidelijk
positieve emoties op. Negatieve
beoordelingen aan de andere kant, brengen negatieve emoties met zich mee… :
“Laetitia stortte ineen toen ze vernam dat haar beul was kunnen ontsnappen.[50]”
Deze positieve en negatieve
emoties zijn dus afhankelijk van hun beoordeling en zullen vroeg of laat
gereguleerd worden. Dit omwille van de
simpele regel : “Mensen streven ernaar een innerlijk biologisch evenwicht te
bereiken”. Indien de regulatie lukt,
houdt dit in dat de copingstrategie effectief was en dat er een goede stap
gezet is in richting van de homeostase.
Stel dat de regulatie niet lukt, d.w.z. dat de emotie in de zelfde mate
ervaren wordt, kan dit leiden tot klachten.
Het wordt zelfs nog moeilijker om een effectief copinggedrag te stellen
als emoties door bepaalde beoordelingsprocessen zullen omslaan (hypothese 5).
2.5.6.2. Transformatie van
emoties [51]
[52].
Uit de bovenstaande
redenering kunnen we afleiden dat emoties afhankelijk zijn van hun voorafgaande
beoordeling. Dit vormt meteen ook een
verklaring waarom emoties kunnen omslaan [b]. De oorsprong van deze omschakeling vinden we
in het feit dat er een nieuwe onnatuurlijke beoordeling ontstaat van de
betreffende voorstelling van de situatie.
Een onnatuurlijke beoordeling is een beoordeling die een andere emotie
oproept als voorheen. Een situatie die
bijvoorbeeld eerst als positief beoordeeld werd, krijgt nu een negatieve
beoordeling. Doordat deze laatste
gepaard gaat met een negatieve emotie, krijgt de situatie die gepaard ging met een positief gevoel, een negatief
gevoel. Omdat de beoordeling om de
haverklap van valentie kan veranderen kunnen er gemengde gevoelens (positieve
en negatieve stress) ervaren worden.
Dit conflict zorgt ervoor dat men vroeg of laat een bewuste of onbewuste
keuze moet maken in welke beoordeling (of welke emotie) men verkiest. Indien men op een bepaald moment de keuze
maakt om de situatie of de voorstelling ervan als negatief te beoordelen, zal
het oorspronkelijke positieve stressgevoel getransformeerd worden in een
negatief stressgevoel. Pas dan kan men
effectief gaan copen. Zelfs het
constant negatief beoordelen van een positieve emotie hoeft geen problemen te
veroorzaken. Een positief gevoel leidt
direct tot een negatief gevoel en opnieuw kan men met dit laatst vermelde
gevoel copen.
De omgekeerde redenering is
echter ook mogelijk (negatieve stress slaat om in positieve stress), toch zal
er niet snel sprake zijn van een conflict.
Dit omdat het ervaren van een positieve emotie zal leiden tot een
beoordeling die aansluit bij deze emotie.
Een positieve emotie is immers aangenamer dan een negatieve
emoties. Laten we er aan toevoegen dat
men de situatie ook als irrelevant kan beoordelen. Het eindresultaat hoeft niet in een positieve of negatieve emotie
te eindigen.
Deze bewuste en onbewuste
keuzes kan men opvatten als copinggedragingen.
Dit omdat ze vroeg of laat noodzakelijk zijn om stressvolle toestanden
te reduceren. De vroege reductie
bestaat erin wanneer men de situatie als irrelevant beschouwt. Aan de andere kant is een keuze in de
beoordeling nodig om adaptief te kunnen copen (reductie met het oog op de
toekomst). Hoe kan je immers effectief
copen als je in een beperkte tijd gemengde gevoelens voor een zelfde situatie
ervaart? Enkele voorbeelden van
emotietransformaties zijn :
· Liefdegevoelens kunnen
vervangen worden door haat, e.o.
· Een priester met normale
seksuele impulsen, ervaart angstgevoelens omdat hij die opwellingen als zondig
beschouwt.
· Atleten pakken hun stress op
een constructieve manier aan. Ze staan positief tegenover grote hoeveelheden
stress.
Deze voorbeelden tonen aan
dat deze copinggedragingen niet altijd bewust hoeven te verlopen. Dit
omschakelingsmechanisme komt grotendeels overeen met het
verdedigingsmechanisme
“reactieformatie”. Freud
verstaat hieronder “… de gedragswijze of psychische habitus met een betekenis
gelijkgesteld aan een verdrongen wens en gevormd als reactie hierop. Ze vormt een tegenbezetting van het bewuste
element, is even krachtig en diametraal.”.
De volgende twee paragrafen
tonen aan hoe positieve emoties kunnen omslaan in negatieve emoties, e.o.
2.5.6.2.1. Positieve stress kan omslaan in negatieve
stress [53].
Onder positieve stress
kunnen we alle positieve gevoelens brengen die ontstaan zijn door een positieve
beoordeling. Seyle benoemde positieve
stress als “eustress”. (eu betekent goed, gelukkig). Dit houdt prettige gevoelens in van spanning en opwelling. Ze
leveren een bijdrage leveren tot het algemeen welzijn. Stern e. a. stellen vast dat er een
schaarste is aan onderzoek naar positieve emoties. In deze paragraaf bespreek ik ten eerste, drie positieve emoties
waarmee we kunnen copen : liefde,
vreugde en seksuele opwelling. De
strategieën die met deze gevoelens omgaan hebben dezelfde functie als de
copingmechanismen die gebruikt worden om het hoofd te bieden aan negatieve
stress, nl. stress reguleren. Ten
tweede wordt het daarnet beschreven transformatieproces toegepast om deze drie
emoties.
2.5.5.5.1. Copen met
liefdegevoelens [54].
It’s
meeting the man of my dreams
and
then meeting his beautiful wife … (Alanis
Morissette, 1995)
Soms is het niet mogelijk om
je liefdegevoelens te uiten. De
situatie kan ongunstig zijn of de persoon aan wie deze gevoelens gericht zijn,
laat jouw emoties niet toe. Aangezien
deze emoties niet naar de betreffende persoon mogen of kunnen geuit worden,
moet er iets anders mee gebeuren. Stel
je de volgende situatie eens voor. Je
geliefde geliefde maakt een einde aan de liefde. Welk gedrag stelde jij op dat moment? Je hebt enigszins nog positieve gevoelens voor je partner, maar
dit hoort niet meer thuis in jullie relatie.
We benadrukken dat hier gaat over het hoofd moet bieden aan een
positieve emotie. De vragen die hier
impliciet gesteld worden zijn : “Hoe ga je met dit positief gevoel om?” of “Hoe
ga je om met een positief gevoel dat niet past in jou denkkader?”. Dit citaat haalde ik uit een inspiratiebron
die John Lennon wordt genoemd.
I didn’t want to hurt you,
i’m just a jealous guy …
Het volgende gedicht
beschrijft de innerlijke leefwereld van dit proces.
Ik wou dat ik wist hoe ik hier ooit uit zal geraken.
Ik zou er alles voor willen geven om jou stuk uit mij te halen,
maar jij bent gewoon een stuk van mij.
En ik mag het iedere dag opnieuw proberen,
maar wat van jou is, zal nog jaren in mij blijven leven …
Volgt er in extreme
situaties niet meestal een vecht of vluchtrespons? Na het horen van dit slechte nieuwsbericht kan men hem of haar
een hevige uitbrander geven, kan men deze persoon haten, een slag in het
gezicht geven, … (vechtrespons). Aan de
andere kant kan men ook van deze persoon weglopen of ontwijken (vluchtrespons). Hier wordt het duidelijk dat positieve
emoties kunnen omslaan in negatieve emoties, e.o. Liefde slaat bijvoorbeeld om in haat en enkele seconden later
beheersen de liefdegevoelens opnieuw je lichaam (haat slaat om in liefde). Liefde zal het bestaan van een persoon
willen verhogen en haat is het gedrag gericht tegen een persoon en zijn
bestaan.
Het hoeven natuurlijk niet
altijd extreme situaties te zijn. Men
kan verliefd zijn op iemand en opnieuw laat jouw geweten of verstand dit gevoel
niet toe. Het meisje of de jongen heeft
bijvoorbeeld al een relatie, heeft geen wederzijdse gevoelens, is verliefd op
iemand anders, enzovoort. Opnieuw moet
je copen met jouw positief gevoel.
2.5.6.2.1.2. Copen met
vreugde [55].
Vreugdegevoelens zullen
ontstaan na de afloop van een leuke gebeurtenis. Wat gebeurt er als er deze
vreugdegevoelens worden beleefd?
Hoe zal men met dit zalige moment omgaan? Blijft men dit gevoel behouden tot men er bij neervalt of zorgen
er bepaalde kanalen ervoor dat deze emotie gereguleerd en positief benut
wordt? Het eerste voorbeeld toont hoe
men kan copen met vreugde.
Denk
bijvoorbeeld aan een voetballer die een doelpunt scoort. Hij rent meestal de voeten van zijn lijf en
zoekt een middel om zijn energie los te laten.
Daarvoor bestaan er verschillende manieren : men kan zich richten tot de
ploegmaats, de supporters en tegenwoordig ook al tot de trainer, men kan
schreeuwen, het truitje boven het hoofd trekken, een salto of een dansje maken,
… Kortom, men zoekt uitlaatkleppen die tot doel hebben deze gevoelens te
regelen. Ook cognitieve denkstrategieën
zijn een adaptief middel om met deze emoties om te gaan (vb. de situatie
relativeren, de aandacht op het spel houden, … ). Door deze copingstrategieën kan men de wedstrijd opnieuw
hervatten.
Uit dit voorbeeld blijkt dat
gelukkig ook positieve gevoelens gereguleerd worden. Kun je je voorstellen dat
je een hele voetbalwedstrijd lang (of heel je leven) met een intens
vreugdegevoel moet spelen? Hoe zou je daarmee
omgaan?
Om terug te keren op het
omschakelingsproces van de emoties, kunnen we de voorafgaande hypotheses ook
hier toepassen. Stel je eens voor dat
jouw geweten vreugdegevoelens niet toelaat.
Dit kan zich bijvoorbeeld uiten in gedachten zoals : “Ik mag niet
gelukkig zijn” of “Ik moet lijden”.
Jouw Uber-Ich laat het m.a.w. niet toe dat je positieve emoties positief
beoordeelt. De tegenpool van een
positieve beoordeling is een negatieve en daarom zal men zich ook niet meer
lekker voelen. Als er nooit een keuze
gemaakt wordt in dit proces, zal men zich eeuwig ongelukkig voelen.
2.5.5.5.3. Copen met seksuele
opwelling. [56]
Een onderzoek van Michael
(1995) toonde aan dat één derde van de Amerikanen twee maal seksuele betrekking
hebben per week. Een ander derde bleef
het stellen van deze daad beperkt tot een paar keer per maand en de rest van de
3500 ondervraagde Amerikanen hadden maar een paar keer per jaar seksueel
contact.
Waarom heeft de mens
behoefte aan seksuele bevrediging? Het
antwoord op die vraag kan in verband gebracht worden met het eerder vermelde
“copen met positieve stress”.
Seksuele arousal
is een sterke emotionele toestand en is geassocieerd met een prettig
gevoel. Het hartritme, de ademhaling en
de lichaamstemperatuur stijgt, de spieren staan onder een spanning en de
zweetklieren treden in werking. Dit
zijn dezelfde lichamelijke reacties als de vecht-en vluchtrespons. Daarnaast ervaart men een opbouwende energie
die tot een explosieve bevrijding uitmond.
De geest is volledig verloren.
Dit brengt een gevoel van diepe vrede met zich mee, waarna men in een
diepe slaap kan vallen.
De seksuele drijfveer van de
mens bouwt op tot een toestand van seksuele spanning. Reich (1961) suggereert dat drie tot vierduizend orgasmes in een
leven nodig zijn om een psychologisch en biologisch evenwicht te bekomen. Orgasmes gaan de opbouw van de spanning
tegen en vormen dus een natuurlijke manier om dit evenwicht te bereiken. De meeste mensen ervaren dan ook een
periodische nood om seksuele energie vrij te laten. Wat gebeurt er nu als deze positieve emotie niet bevredigt
wordt? Deze blokkage zorgt voor een
spanning die verantwoordelijk is voor vele emotionele symptomen. Reich geloofde dat seksuele onderdrukking de
basis was voor angst. Hier suggereert
Reich dat de ervaren positieve emotie (seksuele opwelling) tot een negatief
gevoel (angst) kan leiden als er geen manieren of copingmechanismen bestaan die
dit gevoel kunnen kanaliseren.
2.5.6.2.2. Negatieve stress
slaat om in positieve stress [57].
Het komt wellicht veel
minder voor dat negatieve gevoelens omslaan in positieve. Toch is dit theoretisch en praktisch perfect
mogelijk. Door de positieve beoordeling
van een situatie die oorspronkelijk een negatief gevoel opleverde, zal er een
positief gevoel ontstaan. Dit
omschakelingsproces zal doorgaans geen problemen opleveren. Een positieve
emotie weet men doorgaans beter te waarderen dan een negatieve emotie.
Eerst beschrijven we hoe de
negatieve emotie woede gereguleerd kan worden.
Daarna volgt een voorbeeld van negatieve stress die omslaat in positieve
stress, nl. spanning tijdens het studeren.
2.5.6.2.2.1. Copen met
woede.
Woede is de meest
verleidelijke negatieve emotie en het minst onder controle te krijgen. In tegenstelling tot verdriet geeft woede
ons energie. Blijven broeden wakkert
het vuur van de woede aan, maar door de dingen in een ander licht te stellen,
doven we de vlammen.
Woede is geworteld in de
vechtkant van de vecht-en vluchtrespons.
Het gevoel gevaar te lopen is de universele woedeprikkel. Niet alleen een directe fysieke bedreiging
betekent gevaar, maar ook bedreiging van onze trots of waardigheid. Dit laatste komt zelfs vaker voor,
bijvoorbeeld als we onrechtvaardig of grof behandeld worden, als iemand ons
beledigt of vernedert, als we gedwarsboomd worden bij het najagen van een
belangrijk doel, enzovoort.
Er bestaan twee effectieve
copinggedragingen om de woede te temperen.
De eerste manier bestaat er uit de gedachten die de woedegolven
teweegbrengen aan te vechten door ze opnieuw te beoordelen. Hoe vroeger in de woedecyclus wordt
ingegrepen, des te effectiever de uitwerking.
De tweede manier bestaat uit zich naar een omgeving te begeven waar geen
woedeprikkels aanwezig zijn. Deze
afleidingsstrategie is een zeer effectief middel om van stemming te
veranderen. Dit omdat het moeilijk is
om boos te blijven als je het naar je zin hebt.
Effectieve
copingstrategieeën die het woedegevoel in de richting van de homeostase duwen
zijn : weggaan om af te koelen, actief bewegen, ontspanningstechnieken toepassen
zoals diep ademhalen en de spieren ontspannen.
Diezelfde copingstrategieën hoeven niet altijd te leiden tot een
positief resultaat. De strategie die de
gedachten opvangt en probeert aan te vechten is slechts effectief bij gematigde
woede. Als het niet lukt om een
negatief gevoel te bestrijden met een bepaald copinggedrag zal het negatief
gevoel blijven.
2.5.6.2.2.2. Copen met spanning tijdens
het studeren.
Ook negatieve gevoelens
kunnen door een beoordelingsproces omslaan in positieve emoties. Denk maar aan sommige studenten die
onaangename gevoelens ervaren terwijl ze studeren. Ze staan onder een spanningsniveau die niet leidt tot een
optimale prestatie. Ander studenten
ervaren dan weer dat dit spanningsniveau de prestaties verhoogt. Op het moment dat dit ervaart voel je je al
stukken beter. Het positief beoordelen
van de situatie brengt positieve gevoelens met zich mee. Daardoor wordt het studeren “nog” aangenamer
en zo komt men in een vicieuze cirkel terecht.
2.5.6.3. Conflicten in het
beoordelingsproces leiden tot klachten [58].
Er werd al eerder aangehaald
dat eenzelfde voorstelling van een situatie meerdere beoordelingen met zich mee
kan krijgen. Het conflict bestond eruit
dat eenzelfde situatie het ene moment een positief gevoel uitlokte en het ander
moment een negatief gevoel. Ik
veronderstel dat dit conflict opgelost kan worden door een keuze te maken in
dit beoordelingsproces. Er moet m.a.w.
een cognitieve herstructurering gemaakt worden dat opgebouwd werd over de
situatie of persoon. Daardoor kan men
zich meer achter de gemaakte beoordeling zetten, waardoor er ook maar één
emotie zal ontstaan. Een onderzoek van
Croiset is best met deze hypothese te vergelijken.
Deze onderzoeker
bracht ratten in een conflictsituatie.
Daar moesten ze kiezen tussen een fel verlichte ruimte (iets waar ratten
een hekel aan hebben) en een prettige donkere ruimte, waar ze net een schok
hadden gekregen. De ratten twijfelden
lang voor ze een keuze maakten en dit twijfelen was duidelijk gerelateerd aan
de kracht van hun afweer na het experiment.
Hoe langer de twijfel duurde, hoe slechter hun afweerproces was
geworden. De ratten die geen conflict
hadden gehad en dus een keuze konden maken, hadden de beste afweer.
De donkere ruimte die
normaal een positief gevoel oplevert, kan men vergelijken met een situatie die
een positieve emotie met zich meebrengt.
In dit experiment bracht men een kunstmatige ingreep aan in de beoordeling
van deze situatie. Door het aanbieden
van een elektrische shock in de donkere ruimte beoordeelde het dier deze
situatie als negatief. Deze situatie
kan dus een positieve en negatieve emotie met zich meebrengen. Daarna kon het
dier kiezen tussen een donkere of een fel verlichte ruimte. De beoordeling van de fel verlichte ruimte
is duidelijk negatief. Toch was er in
omtrent de beoordeling van de donkere ruimte nog een gevoel van twijfel. De shock werd maar eenmaal aangeboden, dus
was de kans dat er terug een positief gevoel ontstond reëel. De conflictsituatie bestond erin hoe men de
donkere ruimte beoordeelt.
n een positieve beoordeling
: Daardoor kon de rat zich direct naar
de donkere ruimte begeven.
n een positieve en negatieve
beoordeling : Hier twijfelde de rat hoe hij deze situatie moet beoordelen. Moet
ik de zwarte ruimte nu als positief of als negatief beoordelen? Dit conflict
leidde tot een slechtere afweer.
n een negatieve beoordeling :
Hier kan er opnieuw een conflict ontstaan. Kiest de rat voor het onaangename
gevoel dat het fel licht veroorzaakt of voor de zwarte ruimte die een shock met
zich meebrengt.
Als men een keuze maakt in
de beoordeling (emoties) zal dit leiden tot een betere afweer. Een keuze voor
de negatieve emotie (fel licht) is dus een positieve zaak.
2.5.7. De consequenties van negatieve stress. [59]
[60]
Hier komen we direct bij de
laatste schakel van het theoretische model.
Als een individu het hoofd niet kan bieden aan situaties die stress met
zich meebrengen, zal zich dit vroeg of laat uiten in signalen of klachten. Deze zijn onder te verdelen in :
lichamelijke signalen en klachten, psychische signalen en gedragsmatige
signalen. Sommige mensen zijn zich van
deze signalen niet bewust, anderen kunnen zich dan weer onzekerder en angstiger
voelen. Door deze emoties neemt de
stress weer toe, waardoor de klachten kunnen verergeren. Toch hebben stressklachten een belangrijke
waarschuwingsfunctie. Een stressklacht wijst
er eigenlijk op dat er iets aan de hand is.
Er zou iets moeten gebeuren om erger te voorkomen.
Klachten zullen ontstaan als
het lichaam niet snel genoeg kan herstellen van gezonde stress. Er zijn drie factoren die deze
recuperatietijd bemoeilijken : hoe lang de reactie duurt, hoe vaak de reactie
optreedt en hoe hevig de reactie is.
Naarmate de stresstoestand
langer duurt, is er meer tijd nodig om daarvan te herstellen. Er is voldoende
tijd nodig om de kans op negatieve gevolgen geringer te maken. Als je vaak in een stresstoestand
terechtkomt, kan het zijn dat het lichaam onvoldoende tijd heeft zich te
herstellen. De nieuwe stressreactie kan
als het ware bovenop de vorige stressreactie liggen. Zo kan de spanning oplopen en ongezonde stress ontstaan. Ongezonde stress krijgt zo het karakter van
een optelsom. Ook de intensiteit van de
reactie is een belangrijke factor voor het ontstaan van ongezonde stress. Hoe heviger de reactie, hoe meer tijd er
nodig is om te herstellen. Bepaalde
copingstrategieën en rustmomenten kunnen ervoor zorgen dat de spanning wordt
afgebouwd. Zo worden de volgende
klachten voorkomen.
2.5.7.1. Lichamelijke
signalen en klachten.
Lichamelijke stresssignalen
hangen samen met een verhoogde fysiologische activiteit. Daardoor treden er veranderingen op in het
bloedvatenstelsel en het hart, de ademhaling, de spieren en het
maagdarmstelsel. Door stress wordt het
afweersysteem van het lichaam aangetast, waardoor men bijvoorbeeld vatbaarder
wordt voor verkoudheid en griep. Toch
wil de aanwezigheid van deze klachten niet noodzakelijk zeggen dat U lijdt aan
ongezonde stress.
Welke lichamelijke klachten
ontstaan is afhankelijk van iemands lichamelijke conditie en persoonlijke
geschiedenis. De belangrijkste klachten
zijn : verhoogde bloeddruk; slapeloosheid; hartkloppingen en/of een
onregelmatige hartslag; duizeligheid; spierpijn; hoofdpijn; lichamelijke
vermoeidheid; maag- en darmstoornissen.
2.5.7.2. Psychische signalen
en klachten.
Een ongezonde stemming kan
zich ook uiten en voelbaar maken door de stemming waarin men verkeert. De belangrijkste emotionele en psychische
signalen zijn : geestelijke vermoeidheid en lusteloosheid, somberheid en
neerslachtigheid; verminderde span-en draagkracht; machteloosheid; rusteloosheid, gejaagdheid en gespannenheid; snel
geëmotioneerd en geïrriteerd zijn, schrikachtigheid en fobische klachten.
2.5.7.3. Gedragsmatige
signalen.
Door ongezonde stress
ontstaan er gedragsveranderingen die niet noodzakelijk zichtbaar hoeven te
zijn. De belangrijkste signalen kunnen
samengevat worden als : te veel eten; toenemend
alcoholgebruik; toenemend gebruik van medicijnen; denk- en
concentratiestoornissen, piekeren, raaskallen; zich terugtrekken en isoleren;
druk en veel praten; niet kunnen genieten of ontspannen; toenemend klagen en
verwijten, cynisme en verbittering.
Mensen die een voldoende aantal van deze klachten hebben, tonen aan dat
ze geen adaptieve copingmechanismen bezitten.
Deze klachten kwamen dus tot stand omdat het lichaam deze
opeenstapelende stressgevoelens niet kon handhaven. Dit uit zich dan op het lichaam, het gedrag en de
gemoedstoestand.
2.5.7.4. De oorzaken van ongezonde stress in jezelf.
Dit deel is aan het
copingproces toegevoegd om aan te tonen dat ongezonde stress niet noodzakelijk
uit onaangepaste copinggedragingen hoeft voort te komen. Het kan ook veroorzaakt worden door je
persoonlijke levensstijl. De wijze
waarop je je leven inricht heeft net als de biologische en erfelijke factoren
een invloed op je gezondheid. De
oorzaken van stress in jezelf kunnen onderverdeeld worden in : ongezonde
eetgewoonten, roken en drinken; te weinig lichaamsbeweging; type-A
gedragsstijl; een subassertieve gedragsstijl; onvoldoende zelfcontrole of
invloed op de omgeving en een gebrekkig sociaal contact.
2.5.8.1. Ongezonde
eetgewoonten, roken en drinken. [61]
Iemand die ongezonde
rook-drink-of eetgewoonten er op nahoudt, ondermijnt de lichamelijke conditie
en daardoor ook de weerbaarheid tegen stress.
Het probleem met overeten of alcoholgebruik is dat ze gemakkelijk een
averechts effect met zich meebrengen.
Teveel eten brengt spijt met zich mee en alcohol heeft dan weer een
remmende werking op het centrale zenuwstelsel.
Dit draagt bij aan de effecten van depressie en men wordt gevoeliger
voor stress.
2.5.8.2. Te weinig
lichaamsbeweging en sportactiviteiten. [62]
Lichaamsbeweging is een van
de meest effectieve tactieken om een lichte depressie of een andere slechte
stemming af te schudden. Deze stelling
geldt vooral voor luie mensen, die niet veel sporten. Onder conditietraining verstaan we minstens twee keer per week
een half uurtje sporten met een hartslag van honderdtwintig tot
honderddertig. Dit werkt
stressverlagend omdat een lichamelijke inspanning de hormonen, die tijdens de
stressreactie worden geproduceerd, afbreekt.
Een depressie aan de andere kant,
is een staat van lage prikkeling en juist door een conditietraining
wordt het lichaam in een staat van hoge prikkeling gebracht.
2.5.8.3. Type-A
gedragsstijl.
Het type-A gedragspatroon
wordt in het algemeen beschouwd als een risicofactor bij het ontstaan van
stress. Deze gedragsstijl kenmerkt zich
door :
· gevoelens van gehaastheid,
gejaagdheid en tijdsdruk;
· een overmatige
werkbetrokkenheid;
· een overdreven
prestatiegerichtheid;
· moeite om zich te
ontspannen;
· opvattingen zoals : er
zouden meer uren in een dag moeten zitten, alles moet zinvol en functioneel
zijn;
· men wil twee of meer
activiteiten tegelijk doen;
· stapt chaotisch over van de
ene activiteit naar de ander.
Vanuit de opvatting dat
voldoende herstel nodig is om klachten te vermijden, is het logisch dat mensen
met zo’n gedragsstijl gestresseerd geraken.
Door de chronische gejaagdheid en het negeren van de signalen van
moeheid en spanning, krijgt het lichaam onvoldoende kans zich te
herstellen. Zo geraakt men uitgeput en
gestresseerd.
2.5.8.4. De sub-assertieve
gedragsstijl [63].
Individuen met een
sub-assertieve gedragsstijl kunnen onvoldoende opkomen voor zichzelf. Deze personen zeggen vaak “ja” terwijl ze
eigenlijk “nee” voelen. Hij of zij
vindt het moeilijk om zijn eigen wensen, verlangens en behoeften kenbaar te
maken. Vanuit deze opvatting is het
begrijpelijk dat deze mensen moeilijk conflictsituaties kunnen hanteren. Deze individuen kunnen moeilijk hun eigen
grenzen duidelijk maken en houden irritaties voor zich. Hij vraagt ook niet gemakkelijk naar steun. Men staat altijd klaar voor iemand anders,
maar nooit voor zichzelf. Door
complimenten wordt hij vaak in verlegenheid gebracht, waarbij hij geneigd is de
eigen prestaties te relativeren en te bagatelliseren. Dit onvoldoende opkomen voor zichzelf en het opkroppen van
irritaties kan stress en daarmee samenhangende klachten veroorzaken.
2.5.8.4. Onvoldoende
zelfcontrole en onvoldoende invloed op de omgeving.
Je bent beter opgewassen
tegen stresssituaties als je controle hebt over jezelf en een invloed kunt
uitoefenen op de omgeving. Zelfcontrole
is gevormd tijdens de ontwikkeling van kind naar volwassene. Je leert steeds meer over jezelf en van
daaruit is je zelfbeeld gevormd. Door deze zelfkennis ben je in staat jezelf te
sturen. Naast deze behoefte aan
zelfcontrole willen we ook een invloed hebben op de omgeving. Als je volledig afhangt van anderen en
omstandigheden kan men zich hulpeloos en machteloos voelen. Soms is het trouwens niet mogelijk bepaalde
situaties naar je hand te zetten. Je
overgeven aan de situatie zou dan tot een beter resultaat leiden i.p.v. je er
druk in te maken. Het is zelfs
belangrijker dat je denkt dat je
controle hebt over de situatie. Mensen
die het gevoel hebben dat ze een invloed hebben op de omgeving ervaren minder
spanningen.
Doorgaans voelen mensen met
een hoge zelfcontrole en een voldoende invloed op de omgeving zich prettiger en
minder angstig. Angst heeft te maken
met de vrees voor het nieuwe, het onbekende en het oncontroleerbare. Angst kan optreden in een situatie die u
niet aankunt of denkt niet aan te kunnen.
Voor dergelijke situaties moet je nieuwe vaardigheden ontwikkelen. Door zo’n vaardigheden vergroot u de
zelfcontrole en krijg je meer invloed op de omgeving, waardoor de angst,
machteloosheid en hulpeloosheid vermindert, verdwijnt of vermeden wordt. Je onttrekken aan een bepaalde situatie zou
dan het vermijden van angst betekenen.
Hieruit kunnen we besluiten
dat de werkelijke invloed die we op de situatie hebben afhankelijk is van de
situatie zelf, de inschatting van de situatie, het gevoel dat je controle hebt
over de situatie en jezelf en de vaardigheden die je hebt om met de situatie om
te gaan.
3.3.1.7.6. Een gebrekkig
sociaal netwerk. [64]
Een sociaal netwerk vormt de
(aard van de) relaties en contacten die u onderhoudt met andere mensen in uw
omgeving. Het kan gaan over contacten
met de partner, familieleden, vrienden en collega’s op het werk. Het is belangrijk dat er in dat netwerk
enige vorm van sociale ondersteuning is.
Dit is de factor die u helpt om het hoofd te bieden aan belastende
omstandigheden. Sociale steun is ook gerelateerd aan een goede gezondheid. Als men voelt dat anderen je waarderen,
verbetert je welzijn, je zelfrespect en zie je jezelf als de moeite waard. Ook de contacten die u met anderen onderhoud
zouden het best aansluiten bij u persoonlijke sociale behoeften. Het kan hier gaan om zekerheid, begrip,
waardering, genegenheid, vertrouwen, veiligheid, geborgenheid, zorgzaamheid,
acceptatie en sympathie.
2.6. Effectiviteit van copinggedragingen [65]
[66] [67]
[68]
[69]
[70].
De psychologie richt zijn
aandacht traditioneel meer naar de pathologische processen. Daarom begrijpen psychologen en andere
medici de begrippen kwetsbaarheid en ziekte beter dan de adaptieve krachten die
naar een goede gezondheid leiden.
Aangezien coping een invloed heeft op het psychisch, sociaal en fysiek
welzijn, impliceert dit dat sommige copingvormen effectiever zijn dan
andere. Effectieve copinggedragingen
hebben de volgende positieve uitwerkingen op het individu. In de eerste plaats voorkomen ze
gezondheidsklachten en houden ze het algemeen welzijn in stand. Daarnaast zal men zich beter voelen in
sociale situaties en ook het gevoel van zelfwaardering wordt versterkt. Toch kan er nog niet worden gesteld dat één
bepaalde copingvorm effectiever is dan een andere. Een effectieve copingstrategie is afhankelijk van de volgende
factoren : de waarneming en beoordeling, situationele factoren, het
tijdsperspectief, de persoonlijke bronnen en de vooropgestelde doelstellingen.
2.6.1. Effectiviteit is
afhankelijk van …
2.6.1.1. Waarneming en
beoordeling.
Volgens het copingmodel zijn
effectieve copinggedragingen afhankelijk van de waarneming en de daaropvolgende
beoordeling. Als deze twee aspecten
niet overeenkomen met de realiteit zal een gepaste copingreactie waarschijnlijk
minder effectief zijn. Er zal wel een
innerlijk evenwicht bereikt worden als er een correcte afstemming is tussen
enerzijds, een goede waarneming en cognitieve representatie van de situatie EN
anderzijds, het copinggedrag daarop.
Het copinggedrag moet met andere woorden als een sleutel in het slot van
de subjectieve waarneming en beoordeling passen.
Als een persoon een situatie
als bedreigend interpreteert, kan hij
of zij deze situatie vermijden. Dit
copinggedrag verzekert in een korte tijd het innerlijke evenwicht. Maar toch werd dit evenwicht daarnet onnodig
verbroken door een verkeerde interpretatie.
Sommige mensen lijden onder
hun beoordelingen. Er is een inhibitie
in hun gedragingen. Ze voelen hun
woedend en angstig omdat ze niet kunnen copen in functie van hun doelstellingen,
beoordelingen en emoties.
2.6.1.2. Situationele
factoren .
Een effectief copinggedrag
is ook afhankelijk van de situationele factoren van een situatie. Het probleem,
de duur, frequentie, intensiteit, voorspelbaarheid en controleerbaarheid,
zullen mede bepalen welke copingvormen in een situatie specifiek zijn en andere
niet. Als een situatie bijvoorbeeld onveranderbaar blijkt, zal een strategie
waarbij men actief blijft proberen de situatie aan te pakken uiteraard niet
leiden tot het gewenste effect, nl. reductie van stress. Hier zal een vorm van
cognitieve herstructurering mogelijk effectiever zijn. Ook de plaats of het
gebied waar het probleem zich voordoet is medebepalend voor welke copinggedrag
men zal gebruiken. In de ene situatie zal de ene copingstrategie adequater
zijn, terwijl in een andere situatie het tegenovergesteld effect zal bereikt
worden.
2.6.1.3. Tijdsperspectief.
Daarnaast speelt ook het
tijdsperspectief een rol. Hier kan men
een onderscheid maken in effecten op korte en lange termijn. Copingvormen kunnen op korte termijn een
gunstig of ongunstig effect opleveren, terwijl ze dat op lange termijn niet
doen. Copinggedragingen onder de noemer
“avoidancecoping” kunnen bijvoorbeeld tijdelijk effectief zijn, omdat het de
fysiologische en emotionele spanning reduceert. Als de bron van het conflict aanwezig blijft, kan ditzelfde
copinggedrag theoretisch wel leiden tot gezondheidsstoornissen. Het tijdig inzetten van een ander
copinggedrag zou dan effectiever zijn.
2.6.1.4. Persoonlijke eigenschappen. [71]
[72]
Tenslotte hebben de
persoonlijke vaardigheden zoals probleemoplossend vermogen, intelligentie en
optimisme een invloed op het effect van copinggedragingen. Ook de volgende persoonlijke vaardigheden
zijn verreist voor het stellen van een effectief copinggedrag :
· De mogelijkheid om
realistische en relevante eigenschappen van de stressor waar te nemen;
· De mogelijkheid om de
resultaten van het waarnemingsproces te koppelen aan adequate copingreacties;
· Voor zover ons bewustzijn
een invloed heeft op onze reacties, geloofsovertuigingen hebben over ons
copinggedrag;
· Informatie hebben over de
subjectieve en objectieve effectiviteit van onze copinggedragingen, en
informatie over ons welzijn en mentale gezondheid op lange tijd. Wat iemand denkt dat hij doet komt niet
altijd overeen met de realiteit, mensen bouwen irrationele ideeën op.
2.6.1.5. Doelstellingen.
Het spreekt voor zich dat
een effectief copinggedrag afhankelijk is van welke doelstellingen je wil
bereiken. Vind je een goede job
belangrijk of hecht je daar totaal geen belang aan? Elke copingstrategie die zijn steentje bijdraagt aan de
vooropgestelde doelstellingen is effectief. Copingstrategieën die dit
tegenwerken zijn niet effectief. Toch
denkt men niet zo maar na welke copingstrategie men gebruikt. Men is vaak niet bewust hoe men in bepaald
situaties reageert en welke de gevolgen daarvan kunnen zijn. Hoe dichter een doelstelling gelegen is, hoe
meer vertrouwen we hebben dat het copinggedrag gerelateerd is tot het
resultaat.
2.6.1.6. Sociale steun [73].
Door sociale steun krijgt
men meer zelfvertrouwen, zelfrespect en zal men zich meer inzetten in moeilijke
situaties. Deze sociale steun zorgt ook
voor het beter inschatten van de bedreiging en helpt ook bij het beslissen
welke copingstrategie men zal gebruiken.
In een onderzoek van Moos, Brennan en Foondacaro (1990) werd
bijvoorbeeld aangetoond dat alcoholisten die op latere leeftijd betere relaties
hadden met hun echtgenoot en vrienden meer de copingstrategieën “positieve
herbeoordeling” en “steun zoeken” gebruikten. Anderzijds gebruikten ze minder
de copinggedragingen “cognitieve vermijding” en ‘emotionele ontlasting”.
2.6.2. Hypotheses van
effectieve copinggedragingen [74]
[75]
Wanneer kan je een respons
adaptief noemen als reactie op een bepaalde stressor?
Men neemt aan dat er een
functionele relatie is tussen de verschillende types van beoordeling en
copinggedragingen (Folkman & Lazarus, 1988; Folkman, Lazarus,
Dunkel-Schetter, DeLongus & Gruen, 1986).
Dit verwijst naar het tweede beoordelingsproces. Door deze verbindingen
zou een innerlijk evenwicht ontstaan.
De volgende hypotheses zijn
:
· Als de controleerbaarheid
hoog is, de stressor niet snel zal veranderen en de waarde (valence) hoog is,
zal men op voorwaarde dat er een gepast gedrag beschikbaar is, zich
rechtstreeks naar de stressor richten, hetzij intern of extern.
· Als de stressor snel
verandert en de controleerbaarheid laag is, zal er een passieve reactie volgen
(conditie van geen controle volgens Seligman).
· Als de controleerbaarheid
laag is, de stressor wordt als veranderlijk waargenomen, en de waarde van de
stressor is hoog zal het stellen van een copinggedrag zoals “onstsnapping” of
“ontwijking” waarschijnlijker worden.
· Als men de situatie als
dubbelzinnig inschat, zoekt men meer informatie. Men zal nog meer informatie
verzamelen als de situatie als controleerbaar ingeschat worden.
· Als de stressor als doorzichtig
en oncontroleerbaar interpreteert, zal men waarschijnlijkheid deze informatie
verdringen.
· Als een stressor niet lang
aanhoudt en de controleerbaarheid laag is, zal men de situatie waarschijnlijk
herevalueren.
In ‘t algemeen kan men ook
stellen dat probleem georiënteerde copingstrategieën geschikt zijn als men
controle heeft over de situatie. De
inspanning om een stressor te veranderen gaat gepaard met minder lichamelijke
symptomen als de situatie controleerbaar is.
Emotie georiënteerde copingstrategieën zijn geschikt als er geen
controle is over de situatie. Inspanningen om onaangename emoties te verlichten
gaan gepaard met minder lichamelijke symptomen als de situatie oncontroleerbaar
is.
Toch is het omwille van het
samenspel van deze twee copingstijlen iets gecompliceerder dan dit. Soms moet men eerst een emotiegericht gedrag
stellen om later probleemgericht te copen.
Individuen moeten bijvoorbeeld eerst angst reduceren om later het
probleem op te kunnen lossen. Het
omgekeerde is ook waar. Men moet
bijvoorbeeld eerst informatie inzamelen omdat dit de gemoederen bedaard. Daarna kan men effectief te werk gaan.
2.7. De taxonomie van
copinggedragingen.
In dit onderdeel beschrijven
we drie benaderingen die een taxonomie van copinggedragingen proberen samen te
stellen. Eerst beschrijven we een
geïntegreerd model die poogt de verschillende copingstrategieën te
classificeren. Holahan J.D., Moos R.H. & Schaefer A. (1996) kwamen tot dit
model door gedragsmatige en cognitieve copingstrategieën te combineren met de
begrippen vermijding en toenadering.
Daarna volgt er een alternatief model van Perrez en Reicherts
(1992). Als laatste volgt er een
overzicht die duidelijk omschrijft welke copingstrategieën er allemaal voor
handen zijn.
2.7.1. Een samensmelting van
twee klassieke benaderingen [76]
[77]
[78]
[79]
[80]
[81].
De meeste onderzoekers
gebruiken een van de twee volgende benaderingen om het copinggedrag te
classifiseren. De eerste benadering
benadrukt de “methode van coping”. Het gaat hier over de cognitieve en
gedragsmatige inspanningen die geleverd worden. Een alternatieve benadering accentueert de “scherpstelling van coping”.
In deze laatste benadering
zijn er twee onderverdelingen aan te brengen : “probleem georiënteerde coping”
en “emotie georiënteerde coping” (ingewijd door Lazarus 1966) versus “avoidance
coping” (vermijding) en “approach coping” (toenadering). Uiteindelijk zullen
deze vier copingstijlen samengesmolten worden in de concepten “vermijding” en
“toenadering”.
Aan de ene kant zijn de
copingstijlen “probleemgerichte coping” en “emotiegerichte coping” vaak
gebruikte begrippen om de vele copingstrategieën in te delen.
De copingstijl “probleemgeoriënteerde coping” houdt
bepaalde inspanningen in om te handelen volgens een stressvolle situatie. Deze spanningen komen voort uit de relatie
tussen het individu en de omgeving. Het
individu is georiënteerd op de situatie en zal een bepaald copinggedrag stellen
als respons op de stressor. Dit houdt
in dat hij het probleem zal benaderen en dus inspanningen zal leveren om dit op
te lossen. Deze copingstijl houdt de
volgende strategieën in : een probleem pogen op te lossen, de effecten van de
stressvolle situatie proberen te minimaliseren en zich een nieuw beeld van het
probleem vormen. Dit laatste is een
cognitief beoordelingsproces en heeft een belangrijke functie in het
copingproces, nl. het heroverwegen van de situatie (Pearlin &Schooler
1978). Deze copingstrategie kan
geactiveerd worden als men er niet in slaagt
de situatie zelf te veranderen. Men kent een andere betekenis aan de
situatie toe. Daardoor wordt de
situatie niet langer als bedreigend waargenomen.
Ook bepaalde sociale
vaardigheden maken het gemakkelijker om probleemgerichte copinggedragingen te
stellen. Voorbeelden hiervan zijn :
opkomen voor jezelf en je grenzen afbakenen, op een goede manier kunnen omgaan met
ruzies en conflicten en sociale steun zoeken.
Het assertief om sociale steun vragen kan in sommige situaties een
effectief middel zijn om beter met bepaalde problemen om te kunnen gaan.
“Emotie georiënteerde coping” houdt inspanningen in om emotionele
toestanden te reguleren of in stand te houden.
Deze zijn geassocieerd met een stressor of kunnen eruit voortkomen. Men kan ook het probleem proberen te
vermijden en zich concentreren op het hanteren van de emoties die bij dit
probleem gepaard gaan. Emotiegericht
gedrag houdt de volgende strategieën in : een depressieve reactie of
geruststellende en troostende gedachten gebruiken. Mensen die depressief op bepaalde problemen reageren zullen vaak
somber en pessimistisch worden. Ze
laten zich door de hele situatie in beslag nemen en piekeren veel. Aan de
andere kant kan men ook optimistisch over de toekomst blijven. Deze mensen proberen zichzelf door de
volgende gedachten gerust te stellen : “anderen hebben het ook wel eens
moeilijk”, “na regen komt zonneschijn”, of “er kunnen nog wel ergere dingen
gebeuren”. Deze gedachten spreken U
moed in en zo wordt de stressvolle situatie sneller aanvaard.
Aan de ander kant wordt er
een continuüm voorgesteld met toenadering (approach) aan de ene pool en
vermijding (avoidance) aan de andere.
Volgens Roth en Cohen (1986) verwijst dit “toenaderings- en
vermijdingsmodel” naar een universeel copingproces dat een verklaring vormt
voor individuele verschillen in het omgaan met stress.
“Avoidancecoping” is een andere basisdimensie die ook veel onderzoek
opleverde. Vermijding is de cognitieve
en/of emotionele activiteit gericht weg
van de bron van bedreiging. Afhankelijk
van de auteur werd de copingstijl “avoidancecoping” onderverdeeld in
persoonsgeoriënteerde en taakgeoriënteerde gedragingen. Een individu die in aanraking komt met een
stressvolle situatie kan een sociaal afleidingsmanoeuvre gebruiken. Dit betekent dat hij andere mensen gaat
opzoeken. Aan de andere kant kan hij
ook voor afleiding zorgen door zich te engageren in een vervangende taak. Deze copingstijl houdt de volgende
strategieën in : “ontkenning”, “terugtrekking”, “piekeren”,
“vermijdingsgerichte fantasieën” en “zichzelf de schuld geven”. Als je deze copinggedragingen bekijkt is het
niet verwonderlijk dat “avoidancecoping” gerelateerd is met depressie. Uit een onderzoek is het ook duidelijk
geworden dat mensen die vermijdingsgerichte strategieën gebruikten als ze in
aanraking kwamen met negatieve levensgebeurtenissen, op later leeftijd een
slechtere mentale gezondheid hadden.
Onder “approach coping” kan men toenaderingsstrategieën verstaan. Dit zijn cognitieve en/of emotionele
activiteiten gericht op de bron van
bedreiging. Daardoor kunnen mensen zich
beter aanpassen aan stressoren en ervaren minder psychologische symptomen. Toenaderingsstrategieën zoals “problemen
oplossen” en “verkrijgen van informatie” kunnen de ongunstige beïnvloeding van
levensveranderingen matigen. De
stressoren worden ook gemakkelijker verdragen.
De vragenlijst die hierop
gebaseerd noemt de “repression-sensitisation scale” van Byrne (1961). Aan de ene pool (repressie) worden mensen
gesitueerd die angst opwekkende stimuli vermijden en emotioneel overstuur
zijn. Aan de andere pool (sensitisatie)
bevinden zich mensen die de neiging hebben om zich te oriënteren op bedreigende
stimuli. Ook in deze trekbenadering
gaat men er van uit dat mensen gedragsmatig consistent zijn over de
verschillende situaties. Toch is een
dergelijke consistentie in persoonlijkheidsonderzoek zelden aangetroffen. Roth en Cohen (1986) stellen vast dat
individuen een consistente voorkeur hebben om één van beide strategieën te
gebruiken. Toch kan men door
situationele omstandigheden gedwongen worden de andere strategie te hanteren. Toenadering en vermijding sluiten elkaar dus
niet wederzijds uit. Een persoon kan
een hoge mate van toenadering of vermijding hanteren, maar kan ook beide in
hoge mate gebruiken.
De vraag die zich nu
opdringt is hoe het model van toenadering-vermijding zich verhoudt tot heet
eerder genoemde onderscheid tussen probleem- en emotiegerichte coping. Suls en Fletcher (1985) zeggen hierover dat
probleemgerichte coping per definitie toenadering is en emotiegerichte coping
zowel toenadering als vermijding kan betreffen.
Uit de benaderingen
“scherpstelling en methode van coping” werd een geïntegreerde classificatie
gemaakt van copingstrategieën. De
domeinen “vermijding” (avoidance) en toenadering” (approach) worden allebei
opgesplitst in een gedragsmatige en een cognitieve copingvorm. Zo komen we tot vier basiscategorieën van
copinggedragingen : cognitieve toenadering, gedragsmatige toenadering,
cognitieve vermijding en gedragsmatige vermijding. In tabel 1.1 staan 8 coping
subtypes van de “Coping Responses Inventory” (Moos, 1993) die deze 4
basiscategorieën pogen te meten.
|
De basis copingcategorieën |
De coping subtypes |
|
|
cognitieve toenadering |
logische analyse |
Heb je verschillende manieren bedacht om met het probleem om te gaan ? |
|
|
positieve herwaardering |
Heb je gedacht dat je het beter had dan mensen met gelijkaardige problemen ? |
|
gedragsmatige toenadering |
zoeken van begeleiding en steun |
Heb je met een vriend over je probleem gesproken ? |
|
|
probleemoplossende actie ondernemen |
Heb je een plan gemaakt om je probleem op te lossen en heb je deze ook nagevolgd ? |
|
cognitieve vermijding |
cognitieve vermijding |
Heb je de hele zaak proberen te vergeten ? |
|
|
opgegeven aanvaarding |
Heb je de hoop verloren dat alles altijd hetzelfde zal zijn ? |
|
gedragsmatige vermijding |
alternatieve beloningen zoeken |
Geraakte je betrokken in nieuwe activiteiten ? |
|
|
emotionele ontlasting |
Heb je geschreeuwd of geroepen om stoom af te laten ? |
2.7.2. Het model van Perrez
en Reicherts (1992) [82].
Dit theoretisch model
classificeert copinggedragingen te classificeren en is gebaseerd op het
klassiek model van Lazarus en Launier (1978).
Volgens Perrez en Reicherts bestaan er drie manieren of “gedragstype’s”
om de stressor te veranderen. Het doet
niets ter zake als het probleem (stressor) nu binnen of buiten de persoon ligt.
n Het eerste gedragstype : Deze copinggedragingen
zijn allemaal georiënteerd op de situatie en kunnen ingedeeld worden in hun
relatie tot de situatie. Men kan op
drie manieren omgaan met stressoren :
1.
De
stressor actief veranderen : Door middel van relaxatie kan men het hoofd bieden
aan een innerlijke stressor. De
uiterlijke stressor kan men bijvoorbeeld veranderen door een woedende partner
te kalmeren in een ruzie.
2.
De
stressor ontwijken : Hier kan men de stressor vermijden of zich terugtrekken uit een bepaalde
situatie.
3.
Passief
reageren : Men kan een wachtende
houding aannemen, aarzelen en zich werpen in verzuimende acties.
n Het tweede gedragstype : De volgende
copingstrategieën zullen de cognitieve representatie van de stressor veranderen
: verdringing, informatie zoeken of het geheugen onderzoeken. Men kan bijvoorbeeld telefoneren naar een
vriend om te vragen om het waar is dat er achter je rug werd gepraat. Het antwoord kan een nieuwe cognitieve
representatie opleveren.
n Het derde gedragstype : Hier richt het
copinggedrag zich op de evaluatie. We
zullen bijvoorbeeld eerder geneigd zijn onze doelstellingen en intenties te
veranderen als de situatie oncontroleerbaar en onveranderbaar is. We kunnen ook de beoordeling van
onscopinggedrag veranderen. Je
copinggedrag dat je in eerste intentie niet hebt gesteld wordt door deze
cognitieve herbeoordeling plots toch haalbaar.
2.7.3. De soorten
copingstrategieën [83]
|
A. GEDRAGSMATIGE STRATEGIEËN : |
|
|
1. Situaties als doelwit |
|
|
a. directe actie |
reageren op situaties om
ze te proberen op te lossen, een persoon confronteren met een persoon,
informatie verzamelen om een probleem op te lossen, boeken lezen over het
probleem. |
|
b. sociale steun zoeken |
advies vragen aan
familieleden of vrienden, hulp vragen aan een therapeut of een ander bevoegd
persoon. |
|
c. de situatie verlaten |
de situatie direct
verlaten, de situatie tijdelijk vermijden of verlaten, alleen gaan rijden met
je auto of wandelen, je terugtrekken van contact met anderen. |
|
2. Fysiologie als doelwit |
|
|
a. drugs of
alcohol gebruiken |
illegale of legale pillen
nemen, marihuana roken, alcholische dranken innemen. |
|
b. oefenen |
je inzetten in een
lichamelijke oefening |
|
c. andere |
relaxatietechnieken
gebruiken, dingen breken om jezelf uit te putten, eten, slapen. |
|
3. expressieve gebaren als doelwit |
|
|
a. katarsis |
je emotie overvloedig
loslaten als je alleen bent, je emotie met of naar iemand anders uiten die
eventueel betrokken was in de situatie |
|
b. gevoelens verbergen |
beheerste expressieve
gedragingen : proberen niet te wenen, je gevoelens voor anderen verbergen,
doen alsof er niets gebeurd is. |
|
B. COGNITIEVE STRATEGIEËN : |
|
|
1. Situaties als doelwit |
|
|
a. erover nadenken |
de situatie analyseren, de
situatie doordenken, de alternatieven analyseren, een actieplan maken, een
beslissing maken. |
|
b. de situatie anders zien |
de situatie op een nieuwe
manier zien, de betekenis van de situatie herinterpreteren, de positieve
zijde proberen te zien, je bewust worden van iets in de situatie, je
vergelijken met anderen die het er slechter vanaf brachten. |
|
c. aanvaarden |
de situatie aanvaarden,
het voor een stuk opgeven. |
|
d. gedachtenstop |
er proberen niet aan te
denken, het weigeren erover te denken. |
|
e. afleiding |
je bezig houden met
nuttige dingen om jezelf af te leiden, je afleiden door televisie te kijken,
door met anderen te praten, door romans te lezen. |
|
f. fantaseren |
een prachtige oplossing
fantaseren om de situatie op te lossen, of een magische oplossing of ommekeer
van de omstandigheden wensen. |
|
2. Fysiologie als doelwit |
|
|
a. ongevoelig maken |
desensitatie technieken
gebruiken, hypnose |
|
3. Expressieve gebaren als doelwit |
|
|
a. fantasie
expressie |
fantaseren dat je je ware
gevoelens uit, iemand agressie willen toebrengen (of je dit inbeelden). |
|
b. bidden |
bidden tot god, … |
|
4. Emotioneel etiket als doelwit |
|
|
a. herdefiniëren |
bestaande gevoelens
herinterpreteren als andere gevoelens, jezelf vertellen dat het niet juist
was wat je voelde. |
|
C. VEELZIJDIGE STRATEGIEËN : |
|
|
a. schrijven |
schrijven in je dagboek,
een brief schrijven die je nooit zal opzenden, een gedicht schrijven. |
|
b. muziek |
naar muziek luisteren, een
instrument bespelen. |
|
c. wachten |
wachten tot een situatie
of gevoel verdwijnt, de tijd laten passeren, het verdragen. |
2.8. BESLUIT.
In dit hoofdstuk werd er een
nieuw copingproces voorgesteld dat gebaseerd is op dat van Lazarus en Launier.
Er werd vooral aandacht geschonken aan de beoordeling van de situatie en de
daaruit voortkomende emotie. Positieve beoordelingen leiden tot positieve
emoties (positieve stress) en negatieve beoordelingen brengen negatieve emoties
(negatieve stress) met zich mee. Copinggedragingen
zullen het doel hebben allerlei emoties te reduceren tot er in theorie een
homeostatische toestand bereikt wordt.
Daarnaast werd er in
tegenstelling tot de normale gang van zaken in de copingliteratuur ook aandacht
geschonken aan de positieve emoties waarmee men kan copen, nl. liefde, vreugde
en seksuele opwelling. Er werd ook hypothetisch geformuleerd hoe deze emoties
kunnen omslaan in negatieve stress, e.a. Alhoewel de geconcretiseerde
voorbeelden erg aannemelijk zijn, is het moeilijk deze stellingen te staven met
concrete literatuurgegevens.
Voor meer inlichtingen …
[a] Gerardus …. Blz 10.
[b] De voorgestelde verklaring van hoe emoties kunnen transformeren is van grote hypothetische aard.
[1] Stress, coping, health, p1-7
[2] Personal coping, p 1.
[3] Handbook p 27.
[4] brosschot
[5] slaterus
[6] emotionele inteligentie
[7] ZEIDNER M., ENDLER N.S., Handbook of coping, theory,
research, applications. New York, John
Wiley, 1992, p. 3-26.
[8] FREUD, A., Het ik en de afweermechanismen. Baarn, Ambo, 1966, p??
[9] SCHREURS P.J.G., VAN DE WILLIGE G., BROSSCHOT J.F., TELLEGEN B., GRAUS G.M.H., De utrechtse copinglijst, omgaan met problemen en gebeurtenissen, ??, p 8-9.
[10] CRAEYNEST P., Cursus Algemene psychologie, 1995-1996, p175-176.
[11] Spectrum
Encyclopedie. Het spectrum
electronic publisching B.V., 1995.
[12] CARPENTER B.N., Personal coping,
Theory, Research, and Application. London, Praeger Publishers, 1992, p. 15.
[13] Scheurs blz 9
[14] gerardus blz 20-21
[15] handbook 27-37
[16] Josephus Gerardus … 10
[17] joseph … 11-24
[18] handbook … blz 26
[19] stress, coping, health, blz. 30.
[20] Fear of fear
[21] omgaan met stress
[22] omgaan met stress
[23] fear of fear
[24] omgaan met stress
[25] fear of fear
[26] stress, coping, health, blz. 30.
[27] Dancing with fear
[28] omgaan met stress
[29] Wolters W.H.G., Tijdschrift voor Orthopedagogiek, Kinderpsychiatrie en Klinische Kinderpsychologie, 20, Reacties van Kinderen en Adolescenten na traumatische ervaringen, 1995, pg. 106-116.
[30] Emotionele intelligentie 274
[31] omgaan met stres
[32] sociale psychologie 2.1.-2.14
[33] Beck A.T. , Evaluating automatic thoughts, blz 119.
[34] Emotionele int.
[35] gerardus
[36] frijda
[37] Josephus Gerardus … 10
[38] emotionele inteligentie 25-307
[39] sociale psychologie 2.44
[40] fear of fear p 278
[41] craeynest … neuropsychologie
[42] frijda 46-450
[43] omgaan met stress.
[44] Josephus Gerardus … 10
[45] Emotionele intelligentie 24-92
[46] lazarus, psychological stress en
copingproces, 155
[47] stress, coping and health, p27
[48] emotionele intelligentie
[49] frijda
[50] Artikel laatste nieuws, blz5, 25-4-98
[51] slaterus
[52] freud
[53] dancing with fear
[54] frijda
[55] frijda
[56] dancing with fear
[57] emot int. 92 100
[58] brosschot
[59] Josephus Gerardus … 10
[60] emotionele inteligentie 25-307
[61] emotionele intelligentie 112
[62] emotionele intelligentie 111-112
[63] dancing with fear
[64] personal coping 1-106
[65] Handbook … 24-…27
[66] schreurs … 11-12
[67] stress, coping, health, 30-35
[68] personal coping … 37-49
[69] schreurs 11 -1 2
[70] personal coping : 37-49
[71] p.C. 1-106
[72] stress, coping, health, 30-35
[73] handbook 27-37
[74] stress, coping, health, 30-35
[75] personal coping 37-49
[76] Handbook blz 27-29
[77] personal coping 50
[78] gerardus blz 20-21
[79] handbook 27-37
[80] omgaan met stress, 80-116
[81] brosschot
[82] stress, coping, health, pg. 28 - 30
[83] coping, stress health pag 254-256