HOOFDSTUK
1 : IK HEB GEEN LEVEN MET DRUGS,
MAAR
IK HEB ER OOK GEEN ZONDER [a].
Deze titel omvat twee
centrale begrippen die in dit hoofdstuk aan bod zullen komen, nl. drugs en
verslaving. Eerst wordt het drugbegrip
geschetst van het prille begin tot het eindpunt van deze eeuw. Daarna volgt er een algemene definitie,
waarna ook er ook een indeling gemaakt wordt naar de soorten drugs. We sluiten het drugbegrip af met de effecten
van druggebruik te bespreken. Hierna
volgt er een kritische benadering van het begrip verslaving. Ook de kenmerken, de verschillende fasen en
de vier vicieuze cirkels van druggebruik worden in dit hoofdstuk beknopt
beschreven. We eindigen met een poging
om de functie van verslaving te bepalen.
1.1. Drugs
door de eeuwen heen [1] [2]
[3]
[4]
[5]
[6]
[7]
[8]
[9].
Niemand is volmaakt of
almachtig. De mens nu is eenmaal beperkt in zijn mogelijkheden. Toch heerst er bij de homo sapiens een
voortdurend verlangen om zijn begrenzing te overstijgen. Hij zoekt onophoudelijk naar middelen en
manieren om zich anders te voelen. De
fundamentele behoeften zoals honger, dorst en seks kunnen bevredigd worden. De
verlangens die uit deze diepe basisbehoeften ontstaan kunnen daarentegen nooit
volledig ingelost worden. Ze worden
steeds opgevolgd door andere verlangens.
De mens ontdekte al enkele
eeuwen geleden dat bepaalde stoffen uit de natuur zijn gevoelens en waarneming
kunnen beïnvloeden. De oudste
geschriften van het oude Egypte tonen beschrijvingen van mensen die bier en wijn
drinken. Ook de Indianen van
Zuid-Amerika kenden al eeuwen voor de verovering van de Spanjaarden de
stimulerende eigenschappen van de cocaplant.
In het begin van de geschiedenis werden er aan drugs allerlei mythische
en magische eigenschappen toegeschreven omdat men geen weet had van de nu
gekende wetenschappelijk onderzochte biochemische verbanden. De oudste vormen van druggebruik hadden een
religieuze betekenis. Men nuttigde
bepaalde tripmiddelen (planten of delen van planten) om te kunnen communiceren
met wat men God noemde. Afhankelijk van
cultuur tot cultuur bestonden er verschillen in wie al of niet drugs mocht
gebruiken. Soms was het alleen de
priester of de sjamaan die de heilige planten nuttigde. In een andere streek was het dan weer de
gehele stam of alleen de volwassen mannen.
De alchimisten, wonderdokters, occultisten, magnetiseurs, kwakzalvers en
duiveluitdrijvers verspreidden het geloof in de heilzame werking van allerlei
wonderdranken en hun chemische krachten.
In het begin van de 17de
eeuw kwam tabak in Europa razend snel populair. Ondanks de koninklijke tegenstand van Koning Jacobus I en de hoge
prijs van de tabak bleven de Engelsen roken.
Ook regeringsleiders uit andere landen spanden zich in om het
tabakfenomeen te bestrijden. De eerste
Romanowtsaren gebruikten strenge straffen, zoals geseling in het openbaar, op
bezit, gebruik of verkoop van tabak.
Pas toen Peter de Grote in 1689 aan de macht kwam werd het roken een
aanvaard gebruik. Met tabak kan men
mooi illustreren hoe men drugs op verschillende wijze kan gebruiken (kauwen,
snuiven, roken ... als pijp, sigaar, sigaret).
Er werd een ganse cultuur rond gebouwd.
Er zijn nog uitlopers naar vroegere rituelen (b.v. vredespijp) en
goedkope verwijzingen naar mannelijkheid.
Vandaag lijkt het alsof rokers een hogere waarde toekennen aan de
betekenis die gegeven wordt aan roken binnen hun eigen gezin, sociale klasse en
vriendenkring, dan aan de mogelijke gevolgen op lange termijn. Ook het opiumgebruik bleef gedurende vele
eeuwen goed geïntegreerd binnen bepaalde culturen. Opium werd regelmatig gebruikt door rechtschapen en produktieve
burgers aan de ene kant en misdadigers,
gokkers en prostituées aan de andere kant.
In 1803 slaagden wetenschappers er in morfine af te scheiden. Dit heeft
een veel sterkere pijnstillende werking dan opium.
De literatuur over drugs die
voor ons van belang is, begon waarschijnlijk met de negentiende-eeuwse Franse
romantici, waaronder de Franse dichter en kunstcriticus Baudelaire (1821-1867). Gautier richtte in 1844 de “Club des Hashishins” op. Er kwamen maandelijks kunstenaars bijeen in
het chique Parijse hotel “Pimodan”. De
romantische schrijvers uit deze periode bejubelden drugs als een middel om te
vluchten uit de afgrijselijke wereld van wetenschappelijkheid en verstandelijke
beperkingen. Onze goddeloze
werkelijkheid beschreven ze als een plaats vol leugens, bedrog en zelfbedrog
waar men de ware realiteit niet kon vinden.
Het doel was toegang vinden tot de heilige, betere en echtere
realiteit. Het middel was de sacrale
roes omdat daardoor de gebruikelijke waarneming beneveld werd.
In 1890 kon men heroïne, een
wit, reukloos, bitter smakend poeder, uit morfine distilleren. Voor de Engelse schrijver, Alistair Crowley,
was heroïne spuiten een ervaring die zijn persoonlijkheid verrijkte. Hij schreef : “De mens heeft het recht op spirituele ambities. Hij is geworden wat hij
is door gevaarlijke experimenten. [b]”
Na de beurscrash van 1929
was druggebruik geen exotisch spel of mystieke methode meer om de waarheid te
vinden, maar een decadentieverschijnsel.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam een tot dusver volkomen onaangeroerde bevolkingsgroep
in contact met narcotica. Deze werden
gebruikt als pijnstillend middel bij verwondingen of als middel tot verdoving,
vlucht en extase. Er waren ook veel
oorlogsstrijders die peppillen nuttigden.
Deze hadden twee functies. Ze
zetten aan tot agressie en stelden de soldaat in staat om gedurende lange tijd
grote lichamelijke inspanningen te leveren.
Sindsdien vallen er in de Engelse en Amerikaanse literatuur drie
duidelijke perioden te onderscheiden.
De eerste periode situeert
zich van het einde van de oorlog in 1945 tot eind de jaren vijftig. Daarin speelde heroïne de hoofdrol. De hoofdrolspeler was de junkie. Hij of zij had alle hoop verloren en wilde
kennelijk ook niets anders. Vandaag
wordt een junkie bestempeld als iemand die chanteert, onbetrouwbaar is,
manipuleert en eindeloos doordramt om zijn zin te krijgen.
De tweede periode is die van
de jaren zestig. Hier staan de nieuwe
drugs (psychedelica, zoals hasjiesj en LSD) centraal. Het accent werd gelegd op de “geestmanifesterende” en
“geestverruimende” eigenschappen van deze middelen. Op een lentemiddag in 1943 ontdekte dr. Hofmann de effecten van
LSD-gebruik. Hij werd bevangen door een
grote rusteloosheid en duizeligheid.
Daarna kwam hij in een lichte delirium terecht waar hij fantastische
visioenen ervaarde verweven in een caleidoscopisch spel van felle kleuren. De hoofdrolspeler in die periode was de
jeugdige student die zweverig naar rocksongs luisterde. Het was de hippie die zich geweldloos
verzette en een afkeer had van de traditionele vormen van ideologie en
politiek. Dit leidde tot de vorming van
een subcultuur, waar vraagtekens gezet werden bij de traditionele waarden. Hier betekende het ervaren van een roes een
ontsnapping of een vlucht uit de gevangenis van de werkelijkheid.
De derde periode is die van
de grote jaren zeventig. Deze kenmerkte zich door de afbrokkeling van de
vroeger relatief hechte eenheid van drugculturen. Het leidde niet tot een verminderende populariteit van druggebruik,
maar eerder tot een soort erkend pluralisme.
Het luxemiddel cocaïne en het goedkope “angel dust” werden opeens op
grote schaal gebruikt. Bij “angel dust”
is de meest spectaculaire uitwerking de getrouwe nabootsing van acute
schizofrenie. De spraak is dikwijls
geblokkeerd en het paranoïde denken komt ook veel voor. Zelfs het gebruik van alcohol werd volledig
geaccepteerd als substituut of aanvulling van druggebruik.
In de jaren tachtig was
cocaïne de drug bij uitstek. Het geeft
een stimulerend en bruisend gevoel en veroorzaakt tegelijk een soort
ongevoeligheid. Het was een uitgelezen
drug voor yuppies die hard werkten aan de uitbouw van hun carrière. De jaren negentig lijken een combinatie van
de jaren ‘60 en ‘80. Aan de ene kant is
werken en een carrière maken niet langer laakbaar, maar aan de andere kant kent
het sociale en het gezellige van de hippie-tijd een revival. Jongeren willen opnieuw hun grenzen
verleggen en compleet uit de bol gaan.
Denk maar aan house-party’s waar velen letterlijk en figuurlijk uit de
band springen. De ziekenboegen lijken volgens hulpverleners op
oorlogssituaties, terwijl een gabber “Thunderdome-party’s” beschrijft als grote
drugfeesten. Non-stop dansen sluit ook
perfect aan bij onze huidige, prestatiegerichte, speedy (bedrijf)cultuur, waar
vermoeidheid taboe is. XTC lijkt op
deze behoeften in te spelen. De werking
van XTC is enigszins vergelijkbaar met flink aangeschoten zijn. Toch werkt de
drug lang niet zo ontremmend als alcohol en tast bovendien de seksuele
prestaties niet aan. Ook op
muziekfestivals zijn jongeren druk bezig met drugs. De populairste drug is cannabis en zelfs de paddo’s uit de jaren
zestig zijn aan hun comeback begonnen…
Het lijkt erop dat er een
nauw verband bestaat tussen de mens en drugs.
De mens heeft tot op vandaag drugs nodig gehad en als we de evolutie
tussen deze twee gaan bekijken kunnen we “geruststellend” besluiten dat de mens
altijd een behoefte zal hebben aan drugs. Indien de omstandigheden gunstig
zullen zijn, zal hij dit ook gebruiken.
Druggebruik heeft een functie.
Op het einde van dit hoofdstuk gaan we verder in op de functie van
druggebruik en verslaving.
1.2. Drugs.
1.2.1. Een
beschrijving 1 3 10 .
“Drugs zijn stoffen,
rechtstreeks gevonden in de natuur ofwel synthetisch bereid, die een invloed
uitoefenen op het centrale zenuwstelsel en zo het bewustzijn en/of het
gemoedsleven veranderen en die ook om die reden gebruikt worden 1 3.”
De[TD1]ze invloed op het
zenuwstelsel fungeert als een psychologisch en sociaal ontsnappingsmiddel. Volgens de bovenstaande definitie kan drugs
alles zijn, dus ook koffie, thee of bier. We kunnen niet om drugs heen. Zelfs al zou iemand in staat zijn om nooit
enige vorm van drugs in te nemen, dan heeft hij of zij nog altijd te maken met
een chemische beïnvloeding van het bewustzijn.
Er zijn stoffen in ons lichaam die geactiveerd kunnen worden en als
drugs kunnen gebruikt worden.
Endorphine is zo’n stof. Het
heeft een pijnstillende werking en de chemische samenstelling lijkt op die van
heroïne. Gokkers en lange-afstandrenners activeren bijvoorbeeld lichaamseigen
drugs en geraken zo in een roes. Zo komen we bij het effect van drugs en de soorten.
Drugs kunnen ingedeeld
worden in vier groepen : de als gevaarlijk beschouwde bedwelmende of verdovende
middelen, de stimulerende middelen, de tripmiddelen en de cannabisprodukten.
· De als gevaarlijk beschouwde
bedwelmende of verdovende middelen kunnen ingedeeld worden in opiaten en
verdovende middelen. Opiaten zijn
stoffen zoals opium, morfine en heroïne die een pijnreducerende en kalmerende werking
hebben. De meest in het oog springende
eigenschappen zijn pijnstilling, dempen van hoestprikkels, een remming van de
hartwerking en een remming van de cerebrale functies. Deze druggebruikers hebben ook meer slaap nodig. Barbituraten zijn slaapmiddelen waarvan de
werking gebaseerd is op een algemene remming van het centrale
zenuwstelsel. Deze gebruikers worden
beschreven als prikkelbaar, vaak vechtlustig, verliezen controle over hun
emoties en verwaarlozen hun uiterlijk en hun taken.
· De stimulerende middelen
worden zoals gebruikelijk ingedeeld in amfetaminen, cocaïne, XTC en
cafeïne. Ze hebben allemaal een
stimulerend effect op het centrale zenuwstelsel. Bij amfetaminen (ook wel speed of benzedrine genoemd) is het
opwindende effect afhankelijk van de dosis.
Het kan zich uiten in onaangepast gedrag (onruststokerij, overdreven
waakzaamheid), een verhoogde bloeddruk, een versnelde hartslag, verwijdering
van de pupillen transpiratie en misselijkheid.
De drug Cocaïne bestaat uit kleurloze kristallen die bitter smaken. Gebruik van cocaïne verhoogt de
waakzaamheid, men is minder vermoeid, er is een tijdelijke toename van spierkracht
en een lichte stijging in lichaamstemperatuur.
Het geeft een laxerende werking (de darmbewegingen nemen toe), men heeft
minder eetlust en men toont een te vaak opgewekte stemming. XTC brengt milde bewustzijnsveranderingen en
lichamelijke bijwerkingen zoals spierpijn en misselijkheid met zich mee.
· De derde groep bestaat uit
de tripmiddelen. Deze zijn onder andere : STP (Serenity, tranquillity, peace),
DMT (dimethyltryptamine) en LSD
(lysergeenzuurdiëthylamide). Deze laatste is de bekendste. De effecten van LSD zijn : hallucinaties,
versterkte zintuiglijke belevenissen, angst, misselijkheid, de tripper is in
zichzelf gekeerd, aangetaste coördinatie en een sterk aangetaste
werkelijkheidszin.
· De vierde en laatste groep
zijn de cannabisprodukten zoals marihuana.
Dit zijn gedroogde bladeren en bloeitoppen van hennep. Er is een onmiddellijk effect bij het roken. Bij het eten is er pas een uitwerking na een
uur. De effecten van marihuana zijn :
een kalmerende werking, euforie, zintuiglijke prikkels dringen sterker door,
onderschatting van de motorische prestaties, een toegenomen eetlust en een
verandering in tijdsbesef.
1.2.3.
Factoren die het effect bepalen 11 12 .
Het effect wordt bepaald
door verschillende factoren (de gebruiker, de stemming, de omgeving, …). Een eerste factor die het effect van
druggebruik bepaalt, is de gebruiker
zelf. Het blijkt dat iedere gebruiker andere ervaringen heeft met drugs. Sommige gebruikers worden bijvoorbeeld
agressief als ze teveel drinken, terwijl anderen juist heel aardig worden. Ook de stemming
van de gebruiker bepaalt voor een stuk het effect van de ingenomen drug.
Jongeren die zich prettig voelen kunnen een fantastisch gevoel krijgen door
XTC. Maar wanneer men dan depressief is
zal deze drug dit gevoel niet wegnemen.
Integendeel, het neerslachtige gevoel zal alleen maar erger worden. Zelfs de omgeving
beïnvloedt het effect. Dit gebeurt
vooral bij drugs waar de werkelijkheid anders wordt waargenomen. Bij het gebruik van hasjiesj zorgt een
rustige kamer voor een fijn gevoel terwijl een dreigende omgeving een
onaangenaam gevoel teweegbrengt. Een
ander aspect van de omgeving is de eventuele aanwezigheid van
medegebruikers. Indien iemand op zijn
eentje voor het eerst blowt of tript kan hij of zij volgens BECKER terechtkomen
in een paniekgevoel door de vreemde fysiologische en psychologische ervaringen
die hij doormaakt. Aan de andere kant
zal een beginnende gebruiker die in een groep ervaren gebruikers verkeert niet
zo gauw “flippen”. Dit komt omdat de
medegebruikers hem geruststellen dat vreemde lichamelijke reacties niet
ongebruikelijk of gevaarlijk zijn. Door
zich te vergelijken met significante anderen kan men tot een interpretatie
komen van de emoties die men ervaart en leert men tevens welke emotionele
uitingen daarbij horen en gepast zijn.
Andere factoren die het
effect bepalen zijn : de zuiverheid
van de drug, de hoeveelheid, de combinaties en de soort drug.
1.3.
Verslaving.
1.3.1.
Verslaving of “afhankelijkheid” 2 3 5
13 ?
In ons dagelijkse
spraakgebruik spreken we al gauw over
verslaving als iemand door gebruik van bepaalde middelen in de problemen
is terecht gekomen. Deze persoon heeft
zijn gebruik niet meer in de hand en is afhankelijk van het middel
geworden. Er wordt door experts minder
en minder over verslaving gesproken omdat dit een associatief begrip is. D.w.z. dat iedereen er zijn eigen definitie
van heeft. Daarbij roept het begrip
verslaving allerlei stereotypen op.
Enkele hiervan zijn : “als je verslaafd
bent lig je bij wijze van spreken in de goot, verwaarloos je jezelf, zie je er
onverzorgd uit, bezorg je anderen overlast, ben je een lastpak,
enzovoort”. Dit geldt niet voor alle
gebruikers. Er bestaan veel
alcoholisten en heroïne- en methadonverslaafden die een geregeld bestaan
leiden, maar wel onder invloed naar het werk reizen. De DSM-IV en de ICD-10, de twee “bijbels” van de psychiatrische classificatie,
spreken niet van verslaving, maar van “substance dependence”, of
“afhankelijkheid van middelen”. De WHO
(Wereldgezondheidsorganisatie) definieert verslaving als volgt : “Het is een psychische en soms ook fysieke
toestand, die ontstaat door de interactie tussen een levend organisme en een
psychotrope stof (verslavingsmiddel) en die gekenmerkt wordt door gedrags-en
andere veranderingen, altijd gepaard met de drang tot continu en/of periodiek
gebruik van de psychotrope stof, om opnieuw de werking ervan te ondergaan en
het onbehagen als gevolg van het ontbreken van de stof te verdrijven. [c]” Aan de andere kant gaat VAN BILSEN
verslaving veel ruimer definiëren, hij citeert WALBURG : “Verslaving is op te vatten als een complex van problemen die medisch,
psychologisch of maatschappelijk van aard zijn en die in nauwe relatie staan
met een consumptiegewoonte, die gekenmerkt wordt door lichamelijke en/of
psychische afhankelijkheid. [d]”.
Het is duidelijk dat deze
laatste definitie ook gedragingen impliceert die niets met drugs te maken
hebben. Het fenomeen drugverslaving mag
dan wel inhoudelijk verschillen van gok-, TV- of werkverslaving, toch is de
kern bij alle verslavingsproblematieken dezelfde. Er is altijd een probleem, een consumptiegewoonte en
afhankelijkheid. Er bestaan twee
soorten afhankelijkheid. Lichamelijke
afhankelijkheid of gewenning wil zeggen dat er ontwenningsverschijnselen
ontstaan als het middelengebruik wordt gestaakt. Dit houdt in dat de gebruiker gewend raakt aan het middel en
steeds meer nodig heeft om het effect te bereiken dat vroeger met minder kon
bereikt worden. Aan de andere kant
spreekt men ook over psychische afhankelijkheid. Dit noemen we verslaving.
1.3.2.
Kenmerken van verslaving 2 12 14
15 .
Verslaving kan bij elk mens
tot ontwikkeling komen. Het is een vorm
van menselijk zijn. Er bestaan geen specifieke oorzaken van verslaving. Toch hebben verslaafden twee essentiële
kenmerken. Men heeft het onvermogen om
spanningen te verdragen en men wil dat alles op staande voet gebeurt. Aanvullende kenmerken van verslaving zijn :
· heftige verlangens naar het
middel of naar vervangende middelen;
· moeite om het gebruik te
controleren;
· gebruiken om zich niet
slecht te voelen;
· doorgaan met het gebruik
ondanks de schadelijke effecten of negatieve consequenties;
· het gebruik is belangrijker
dan andere zaken in het leven;
· verhoogde tolerantie, d.w.z.
bij dezelfde hoeveelheid van het middel steeds minder effect.
Daarnaast vertonen
verslaafden de volgende gedragspatronen:
· doorlopend onder invloed
verkeren;
· snelle consumptie van
middelen om in een roes te komen of het gewenste effect te bereiken;
· (ernstige)
onthoudingsverschijnselen, d.w.z. lichamelijke afhankelijkheid als het lichaam
“droog staat”, die zich manifesteert in klachten als trillen, zweten,
nervositeit, slapeloosheid, enzovoort;
· gebruiken om deze
onthoudingsverschijnselen tegen te gaan;
· (ernstige) lichamelijke,
psychische en/of sociale schade;
· herhaalde pogingen om te
stoppen;
· gecombineerd met andere
middelen, ook wel polydruggebruik genoemd (voorbeeld de combinatie van alcohol
en gokken);
· sterk bezig met de
verkrijgbaarheid van het middel of vervangende middelen, waaronder het onder
druk zetten (inclusief agressie) of verleiden van anderen tot verstrekken van
het middel;
· opgeven of verwaarlozen van
belangrijke sociale, werk- en/of creatieve activiteiten.
1.3.3. Onderverdeling op grond van de fase van
gebruik 12 15
16 .
Niemand wordt van de ene dag
op de andere dag verslaafd. Dit komt
omdat er geen enkele stof inherent verslavend is. Om verslaafd te worden moet je eigenlijk moeite doen. Het verslavingsproces gebeurt
geleidelijk. De meest gebruikte
indeling om dit proces in te delen werd gemaakt door VAN DIJK [e]
(1996).
De vijf fasen (kennismaking;
experimenteren; geïntegreerd gebruik; excessief gebruik; verslaving of
addictie) vormen een continuüm.
Gebruikers kunnen zich min of meer vrij bewegen tussen geïntegreerd en
verslaafd gebruik. Niet iedere
gebruiker doorloopt alle fasen. Er
bestaat bijvoorbeeld geen causaal verband tussen het stadium van geïntegreerd
gebruik en de fase van excessief gebruik.
Ook niet iedere excessieve drinker wordt automatisch verslaafd.
Eerst is er een kennismaking met het eventuele
verslavende middel. Jongeren ontdekken
het effect van het eventuele verslavende middel. Toch zal de kennismaking met dit middel zelden iets bij hen
teweegbrengen. Ga zelf maar eens na hoe
jou eerste pils of sigaret smaakte. Na
deze fase volgt er voor de meeste gebruikers een periode van experimenteren. Hier leren ze van
medegebruikers de geschreven en ongeschreven regels van het gebruik
kennen. Ze ervaren ook de positieve en
negatieve effecten en gevolgen van de mate waarin ze gebruiken. Voor de meeste gebruikers leidt dit tot de
fase “geïntegreerd en gecontroleerd gebruik”. Hier hebben de hoeveelheden en de frequentie van het gebruik weinig of geen
risico’s. Men spreekt pas over excessief gebruik als het middel teveel
en regelmatig wordt gebruikt. Het
middel brengt risico’s met zich mee voor de gezondheid, het welzijn, de sociale
contacten, de financiën, de beroepsuitoefening, enzovoort. Men spreekt pas over verslaving of addictie
als men lang in dit stadium vertoeft.
Hier zal men voor het middel leven.
Wanneer er dan uiteindelijk sprake is van
afhankelijkheid of verslaving komt men volgens VAN DIJK terecht in enkele
vicieuze cirkels. Deze worden in de
volgende paragraaf beschreven.
1.3.4. De
vicieuze cirkels van verslaving 5 17 .
De farmacologische cirkel: Voor een aantal drugs geldt dat ze
“gewenning” tot gevolg hebben. Als er
dan iemand stopt met gebruiken ontstaan er onaangename gevoelens zoals
nervositeit en irritatie. Dit komt door
het onthoudingssyndroom. Druggebruik
heeft een plaats gekregen in het metabolisme en daarom zal er bij de verslaafde
een geneigdheid ontstaan om terug te gebruiken. Vele heroïnegebruikers hebben geen lol meer aan zo’n spuit. Ze hebben deze drug nodig als medicament om
niet doodziek door het leven te gaan.
Drugs als hasj, XTC en cocaïne veroorzaken geen lichamelijke
afhankelijkheid.
De psychologische vicieuze cirkel: Het gebruik heeft een
leereffect. Drugs kunnen belonende of
straffende stimuli zijn. Belonend in de
zin dat het een positief en/of negatief bekrachtigend effect heeft op de
gebruiker. Onder invloed stelt men
gedragingen die men “normaal” niet zal stellen. Als men opnieuw nuchter is ontstaan er schuld- en schaamtegevoelens omdat men zich dan pas realiseert
wat men aangericht heeft. Deze
onaangename gevoelens kan men effectief bestrijden door opnieuw te
gebruiken. Het is gebruiken om het
lijden te vermijden. Aan de andere kant
kunnen drugs zoals ook onaangename stimuli zijn (vb. chlorpromanzine).
De sociale vicieuze cirkel: Het gebruik leidt meestal tot negatieve
reacties van de omgeving. Deze reacties
kunnen ook onaangename verliezen zijn (verlies van werk, partner, huis,
…). Daardoor kan de gebruiker een
toevlucht zoeken in een milieu waar er minder eisen gesteld worden of waar het
gebruik geaccepteerd wordt.
De cerebrale vicieuze cirkel: Deze cirkel heeft vooral betrekking op
middelen (vooral alcohol) waarbij door langdurig excessief gebruik
hersenbeschadigingen kunnen ontstaan.
Hierdoor verzwakken de Ik-functies zoals regulatie en integratie. Daarom kan men minder goed weerstand bieden
aan de behoefte om opnieuw te gebruiken.
Men kan zich afvragen hoe
verslaafden uit deze vicieuze cirkel geraken.
Volgens ZINBERG (1984) is verslaafd geraken afhankelijk van het middel
(de samenstelling, de dosering en de frequentie van gebruik), de persoon (zijn
verwachtingen, gevoeligheid, persoonlijkheid, enzovoort) en de omgeving (de
maatschappelijke waarden en normen, de situatie, enzovoort). Het is juist daarom dat een multimethodische
aanpak vaak de beste methode is om mensen met verslavingsproblemen te helpen.
1.3.5. De
functie van verslaving 16 18 19 .
Voor adolescenten zijn
experimenten met drugs en alcohol misschien een overgangsrite. Toch heeft deze ervaring voor sommigen
langdurige gevolgen. De meeste
alcoholisten en druggebruikers vinden de oorsprong van hun verslaving in hun
tienerjaren. Toch zijn er maar weinig
mensen die als alcoholist of druggebruiker eindigen. Negentig procent van de leerlingen die hun middelbare school
hebben voltooid, hebben met alcohol kennisgemaakt. Toch eindigt niet meer dan 14 procent uiteindelijk als
alcoholist. Van de miljoenen Amerikanen
die geëxperimenteerd hebben met cocaïne, raakte minder dan 5 procent
verslaafd. Wat bepaalt het verschil?
Het spreekt voor zichzelf
dat men sneller zal gebruiken in streken waar er veel misdaad is en waar speed
op iedere hoek van de straat verkocht wordt.
Ook sociale condities zoals : economische achteruitgang, armoede, geen
thuis hebben en opvoedkundige tekorten correleren met druggebruik. Men kan verslaafd geraken omdat men zelf begint te dealen of omdat
drugs gemakkelijk verkrijgbaar zijn. De
aanvaardbaarheid van drugs binnen de peergroep en gebruik in de familiekring,
verhogen de kansen op gebruik. Kortom,
er zijn veel factoren die de kans op druggebruik verhogen en toch beantwoordt
dit niet aan de vraag wie verslaafd wordt en wie niet. Wie kan aan deze verlokkingen weerstaan en
wie loopt het meest kans om verslaafd te eindigen?
Volgens een actuele wetenschappelijke theorie gebruiken verslaafden drugs om bepaalde gevoelens zoals angst, woede of depressie tot rust te brengen. Als men experimenteert met drugs ontdekt men dat die chemische oplossing hun kwellende angst of melancholie sust. Individuen die onder stress staan zullen sneller gebruiken. Hieruit kan men afleiden dat personen die aan een groot aantal eisen moeten voldoen en weinig middelen hebben om met stress om te gaan, vlugger zullen gebruiken. Drugs worden gebruikt als een aanvullend mechanisme om met problemen om te gaan.
Uit een twee jaar durend
onderzoek onder een paar honderd leerlingen uit de eerste twee klassen van een
middelbare school bleek dat diegenen die verslag deden van de grootste
emotionele spanningen op een later tijdstip, het hoogste percentage drank en druggebruik
kenden. Dit zou misschien een antwoord
kunnen bieden op de vraag waarom jonge mensen in staat zijn met drugs en drank
te experimenteren zonder verslaafd te raken, terwijl andere bijna direct
afhankelijk zijn. Personen die het
gevoeligst zijn voor een verslaving lijken in drugs of alcohol een onmiddellijk
tegengif te vinden tegen emoties waar ze jarenlang onder geleden hebben.
In de woorden van R. TARTER
: “De eerste borrel of drugs die mensen
met een biologische aanleg voor een bepaalde verslaving nemen, doet hen enorm
goed. Dat kan een ander zich gewoon niet voorstellen. Veel herstellende
verslaafden zeggen dat ze zich pas normaal voelden toen ze voor het eerst drugs
namen. Het stabiliseert ze fysiologisch, op korte termijn althans.”
Mensen hebben verschillende
emotionele patronen. Soms vinden ze
meer emotionele troost in het ene middel dan in het andere. Vanuit dit uitgangspunt zegt GOLEMAN dat er
twee emotionele paden leiden tot gebruik.
Het eerste pad begint met overgevoelige en angstige tieners die
ontdekken dat alcohol die negatieve gevoelens kan kalmeren. Het zijn vaak kinderen (meestal zonen) van
alcoholisten die zelf naar de fles hebben gegrepen om hun zenuwen tot rust te
brengen. Alcohol vormt als het ware het
ontspannende medicijn die ze elders niet lijken te kunnen krijgen.
Een tweede emotionele route
ontstaat uit een hoge mate van opwinding, impulsiviteit en verveling. In de
babytijd zullen deze kinderen rusteloos zijn, prikkelbaar en moeilijk te
hanteren. Ook op de basisschool behoudt
dit kind “de kriebels”. Het is
hyperactief en geraakt snel in moeilijkheden.
Daarom kan de neiging ontstaan dat het kind zijn vrienden zal zoeken aan
de zelfkant van de samenleving. De
voornaamste klacht bij dergelijke mensen (en dat zijn meestal mannen) is de
opwinding. De grootste zwakte die ze
kennen is hun onbeteugelde impulsiviteit.
Als ze zich vervelen gaan ze impulsief zoeken naar risico en
opwinding. Deze mensen lijken dus een
behoefte te hebben aan opwinding en ervaren dit toch als een ongemak. Men ontdekt dat het middel de opwinding kan
kalmeren en omdat ze absoluut niet houden van monotonie zijn ze bereid om
verschillende verslavende middelen te gebruiken.
Mensen die alcohol gebruiken
als emotionele pijnstiller doen dat veel vaker om angst te sussen dan omdat ze
depressief zijn. Als je je chronisch
ongelukkig voelt, loop je meer risico op een verslaving aan stimulerende
middelen, zoals cocaïne. Dit komt omdat
ze een direct tegengif vormen tegen depressieve gevoelens. Uit een onderzoek bleek dat bij meer dan de
helft van de patiënten die in een kliniek behandeld werden voor een
cocaïneverslaving een zware depressie zou vastgesteld zijn in de periode vlak
voordat ze verslaafd raakten. De
verslaving was sterker naargelang de voorafgaande depressie dieper was.
Aan de andere kant kan
chronische woede leiden tot een andere geneigdheid. Er werd een onderzoek gedaan bij vierhonderd patiënten die onder
behandeling stonden voor een verslaving aan heroïne en andere opiaten. Het meest opvallende emotionele patroon was
dat ze het hun hele leven al moeilijk hadden om hun woede en
licht-ontvlambaarheid te hanteren. Een
aantal patiënten vertelden zelf dat ze dankzij de opiaten zich eindelijk
normaal en ontspannen voelden.
Men leerde dat drank-en
druggebruik bepaalde gevoelens zoals woede en angst minder pijnlijk maakt. Aan de ene kant leerde men dat men door
gebruik aan deze onaangename gevoelens kan ontsnappen (ontsnappingsgedrag). Aan de andere kant kan deze ervaring ook
leiden tot vermijdingsgedrag. Een
angstig persoon zal een bepaald gedrag (vb. : druggebruik) stellen omdat hij
bewust of onbewust onaangename gevoelens verwacht.
In ontwenningsprogramma’s
zal men zich dan ook toespitsen op deze gevoelens. Hoe je omgaat met deze emoties vormt dan ook een fundamentele
vaardigheid. Men leert hoe je je
angsten kunt sussen, hoe je je depressie kunt verlichten en hoe je je razernij
kan kalmeren. Het zou natuurlijk ideaal
zijn als ze vroeg in het leven geleerd werden, ver voor het ontstaan van de
verslaving. Toch is het niet voldoende
om de uitlokkende factoren uit te schakelen die tot gebruik hebben geleid. Het behandelen van een depressie die
bijvoorbeeld de aanleiding gegeven heeft tot druggebruik is geen voldoende
voorwaarde om tot een succesvolle therapie te komen. Ook de autonome cirkel van gebruik moet uitgeschakeld worden.
1.4. Besluit.
Uit dit alles blijkt dat
verslaving en druggebruik een functie heeft. Men wordt niet zomaar
verslaafd. Er zijn bewuste en onbewust
motieven om bepaalde “medicijnen” te gebruiken. Deze middelen spelen gunstig in op de ongewenste gevoelens van
het individu. Ze kunnen onderdrukt
worden, de geest stimuleren en wie weet wat nog allemaal.
[a] Een citaat uit een gedicht van een bewoner van v.z.w. Kompas, 1997.
[b] HACKER F., Druggebruik en misbruik, Baarn, Ambo, 1982, p. 65.
[c] HACKER, F., Drugs gebruik en misbruik. Baarn, Ambo, 1982, p. 144.
[d] BILSEN VAN, H.P.J..H., Verslaving, een fenomeen met veel gezichten. Tijdschrift voor alcohol en drugs, 1992 nr 18, p 16.
[e] In deze paragraaf (volgens het artikel van VAN DIJK) werd de tekst veralgemeend naar gebruikers toe. Een excessieve “drinker” werd bijvoorbeeld vervangen door een excessieve “gebruiker”.
[2] HACKER, F., Drugs gebruik en misbruik. Baarn, Ambo, 1982, p 66-145.
[3] VAN EPEN, J.H., Drugverslaving en alcoholisme. diagnostiek en behandeling, Amsterdam, Elsevier, 1983,
p1-147.
[4] CRAEYNEST P., Algemene psychologie. Cursus eerste jaar gegradueerde in de psychologie, Kortrijk, 1995,
p. 169.
[5] JAFFE J., PETERSEN R., HODGSON R., Verslaving, De oorzaak en de problemen. Amsterdam, Kosmos, 1980, p. 4-82.
[6] Spectrum Encyclopedie. Het spectrum electronic publishing B.V., 1995.
[7] CORTEBEECK G., De XTC-maffia. Baarn, Hadewijch Antwerpen, 1994, p. 15-17.
[8] WILS J., De trance die een etmaal duurt. Artikel uit het Nieuwsblad, 20/10/1997.
[9] VERSTRATEN M., Paddestoelen populaire festivaldrugs. Artikel uit het Nieuwsblad, 3/10/1997.
10 LIEVENS S., Bijzondere vraagstukken van psychopathologie. Cursus derde jaar gegradueerde in de psychologie, Kortrijk, 1997, p 27.
11 CRAEYNEST P., Sociale Psychologie. Cursus tweede jaar gegradueerde in de psychologie, Kortrijk, 1996, p 4.10-4.11.
12 Buijssen H., Van Oosten N., Op De Haar M.J., Verslaving bij ouderen, preventie, signalering en aanpak, Intro, Baarn, 1996, p. ??.
13 DEBODE, B, Druggebruik bij minderjarigen, een exploratief onderzoek over de feiten, de opvattingen en de oorzaken. Kortrijk,1992-93, p 12.
14 Den Bakker J.K., Drugs, gokken, alcohol en roken, Een gids voor ouders, Kok, Kampen, 1995, p. 20-27.
15 ZINBERG, N.E., BEAN M., Dynamic approaches tot
the understanding and treatment of alcoholism, New York, A division of
Macmillan Publishing Co, 1981, p. 83.
16 Heroïne als medicijn. Humo, 23/9/1997, p 54.
17 Heroïne als medicijn, Humo, 16/9/1997, p. 13.
18 GOLEMAN D., Emotionele Intelligentie, Emoties als sleutel tot succes, Contact Amsterdam, Antwerpen, 1997, p.g. 340-344.
19 regarding methadon treatment, committee of
methadone program administrators (compa), inc, New York, 1997, pg. 1.
3 1
10 LIEVENS S., Bijzondere vraagstukken van psychopathologie. Cursus derde jaar gegradueerde in de psychologie, Kortrijk, 1997, p 27.
11 CRAEYNEST P., Sociale Psychologie. Cursus tweede jaar gegradueerde in de psychologie, Kortrijk, 1996, p 4.10-4.11.
12 Buijssen H., Van Oosten N., Op De Haar M.J., Verslaving bij ouderen, preventie, signalering en aanpak, Intro, Baarn, 1996, p. ??.
13 DEBODE, B, Druggebruik bij minderjarigen, een exploratief onderzoek over de feiten, de opvattingen en de oorzaken. Kortrijk,1992-93, p 12.
14 Den Bakker J.K., Drugs, gokken, alcohol en roken, Een gids voor ouders, Kok, Kampen, 1995, p. 20-27.
15 ZINBERG, N.E., BEAN M., Dynamic approaches tot
the understanding and treatment of alcoholism, New York, A division of
Macmillan Publishing Co, 1981, p. 83.
16 Heroïne als medicijn. Humo, 23/9/1997, p 54.
17 Heroïne als medicijn, Humo, 16/9/1997, p. 13.
18 GOLEMAN D., Emotionele Intelligentie, Emoties als sleutel tot succes, Contact Amsterdam, Antwerpen, 1997, p.g. 340-344.
19 regarding methadon treatment, committee of
methadone program administrators (compa), inc, New York, 1997, pg. 1.