ABSTRACT
Dit experiment onderzocht welke factoren een invloed
hebben op de leessnelheid van werkwoorden eindigend op suffix –d of –dt. Deze
factoren waren : relatieve homofoonfrequentie (D-dominante
werkwoordvormen, versus DT-dominante werkwoordvormen), afstand (een zin met een bijzin of een korte zin), persoonsvorm
(1ste of 3de persoon enkelvoud) en spelling (het
kritische woord werd juist of fout geschreven). We stelden een algemene regel
vast, met één uitzondering. De algemene regel stelt dat de fout geschreven
kritische werkwoorden over het algemeen sneller gelezen worden dan de juist
geschreven kritische werkwoorden. Daarnaast stelden we vast dat de kritische
foute (versus juiste) woorden in de 3de persoon sneller (versus
trager) gelezen worden dan de kritische foute (versus juiste) werkwoorden in de
1ste persoon. De uitzondering is dat de DT-dominante fout
(versus juiste) geschreven kritische werkwoorden in de lange zinnen in
de 3de persoon trager (versus sneller) gelezen worden dan de
DT-dominante fout (versus juiste) geschreven kritische werkwoorden in de lange
zinnen in de 1ste persoon.
INLEIDING
Dt-fouten schrijven is één iets, ze lezen is iets
anders. Deze paper vertrekt vanuit experimentele bevindingen van het
schrijfonderzoek naar dt-fouten, en gebruikt dezelfde kennis om deze te
verlengen naar het leesonderzoek naar dt-fouten. Uit een onderzoek van Sandra,
Brysbaert, Frisson en Daems (2002) blijkt dat de volgende factoren een rol
spelen in het schrijfonderzoek naar dt-fouten :
Relatieve homofoonfrequentie
Veel werkwoordfouten doen zich voor wanneer de te
spellen vorm homofoon is met een andere vorm van het werkwoord (Sandra,
Frisson, Durieux, Daelemans, Gillis, 2000). Dit wil zeggen dat ze dezelfde
uitspraak heeft als die andere vorm. Elke homofoon heeft zijn eigen frequentie
van voorkomen in ons dagelijks taalgebruik. Ze kan op een frequente manier
voorkomen in de D-vorm, in de DT-vorm, of in beiden. Als de DT – homofoonvorm
frequenter voorkomt dan de D - vorm, worden er tijdens het schrijven meer
fouten gemaakt in de 1ste persoon dan in de 3de persoon.
Als de D-vorm frequenter voorkomt, maken mensen meer fouten in de 3de
persoon. Als we het werkwoord “beïnvloeden” beschouwen tot deze laatste
categorie (“beïnvloed” komt dus meer voor in zijn stamvorm, dan in de 3de
persoon), dan verwachten we dat mensen met deze DT-homofoonvormen meer fouten
maken in de 3de persoon. Dezelfde redenering geldt voor de
D-homofoonvormen. “Biedt” komt vaker voor in de 3de persoon, en
daarom zullen mensen vaker met deze homofoonvormen vaker fouten maken in de 1ste
persoon.
We stellen vast dat de frequentie van
voorkomen van een bepaald werkwoord in een bepaalde persoonsvorm een invloed
heeft op het schrijfgedrag van mensen. Hieruit vloeit voort dat het mentale
lexicon betrokken is bij het schrijven.
In ons experiment vragen we ons af of deze stelling ook verlengd kan
worden naar het leesgedrag van mensen? Heeft de frequentie van voorkomen van
een werkwoord een invloed op het leesgedrag van mensen? En zo ja (of neen),
vertelt dit ook iets over het mentale lexicon?
De afstand tussen onderwerp en werkwoordvorm
De bovenstaande onderzoekers stelden vast dat
spellers meer fouten maakten als het vervoegde werkwoord ver van het onderwerp
staat (bijzin). De verklaring hiervoor is dat wanneer een speller verder
terugmoet in het werkgeheugen om de grammaticale persoon te identificeren, hoe
trager dit duurt en hoe hoger het risico wordt op een spelfout. In ons
experiment gaan we na of de afstand tussen onderwerp en werkwoordvorm een
invloed heeft op de leestijd van de kritische werkwoorden.
Tussenliggend object
Dezelfde onderzoekers stelden vast dat wanneer er
een object staat tussen het onderwerp en de werkwoordsvorm, en als dit
tussenliggend object de verkeerde grammaticale persoon signaleert, dat er een
significante stijging is in de foutenaantallen. Daarbij is er nog een
interactie met de relatieve homofoonfrequentie. Als het tussenliggend object
tot een suffix –dt aanzet, en als het een dt-homofoonfrequente vorm betreft,
maakten de proefpersonen nog meer fouten. De kwaliteit van het spellingsproces
wordt dus mede bepaald door de kenmerken van een tussenliggend object. Opnieuw
vragen we ons af of deze kenmerken een invloeden hebben op het leesgedrag.
EXPERIMENT 1
Methode
Subjecten
80
proefpersonen namen op vrijwillige basis deel aan dit experiment. De steekproef
bestond uit 22 vrouwen en 58 mannen tussen 19 en 31 jaar. Alle proefpersonen
waren student en volgden hoger of universitair onderwijs. Studenten met een
taalkundige opleiding werden geweigerd omwille van hun onrepresentatieve
hoeveelheid kennis over de Nederlandse spellingsregels.
Materiaal
Alle
stimuli werden aangeboden op de 15” standaard kleurenmonitor van een Pentium
Personal Computer. Het experiment werd gestuurd door zelf ontworpen software
die geprogrammeerd was in ERTS: 'Experimental Run Time System'. De leestijden op elk woord konden tot op één
milliseconde nauwkeurig gemeten worden.
Stimuli
In dit
experiment werden drie verschillende homofoontypes onderzocht : (a)
Werkwoorden waarvan de eerste persoon homofoon is aan de derde persoon
(D/DT), (b) werkwoorden waarvan het
voltooid deelwoord en de derde persoon enkelvoud OTT homofoon zijn (D/T) en (c)
zwakke werkwoorden waarvan de vorm in de derde persoon enkelvoud OVT homofoon
is aan zijn foutief gespelde vorm in de OVT (TE/TTE). De constructie van de zinnen van elk van deze homofoontypes wordt
gedetailleerd uitgelegd in wat volgt.
Homofonen van het Type D/DT
Voor deze
kritische zinnen werden 16 verschillende werkwoorden gebruikt: 8 waarvan de
eerste persoon (uitgang –d) in het Nederlandse taalgebruik vaker voorkomt dan
de derde persoon (uitgang –dt), en 8
waarvan de derde persoon vaker voorkomt
dan de eerste persoon. Elk werkwoord uit de ene groep (d>dt) werd gematcht
op frequentie van voorkomen in de Nederlandse taal (CELEX) met een werkwoord
uit de andere groep (dt>d).
Alle
kritische zinnen van dit homofoontype hadden dezelfde structuur: (a) onderwerp,
(b) in sommige condities een bijzin (zie verder), (c) persoonsvorm (PV), (d)
twee korte en bekende woorden (om een eventueel spillover-effect na te gaan),
(e) lijdend voorwerp met een bijvoegsel. Het onderwerp van de zinnen was steeds
een enkelvoudig pronomen, met ‘ik’ als onderwerp voor de zinnen in eerste
persoon en ‘hij’ als onderwerp voor de zinnen in de derde persoon. Een
eigennaam of substantief werd nooit als onderwerp gebruikt, omdat hun rijkere
semantische context de leestijden zou kunnen beïnvloeden. De persoonsvorm werd
voor elk van de zestien kritische werkwoorden steeds vervoegd in
overeenstemming met het getal van het onderwerp van de zin. In vier condities
werd tussen het onderwerp en de PV een betrekkelijke bijzin ingevoegd. In de
bijzin van deze lange afstandscondities kwam nooit een werkwoord voor. In de
twee condities met korte afstand daarentegen, stonden onderwerp en persoonsvorm
steeds naast elkaar. Als er na het kritische werkwoord nog andere werkwoorden
voorkwamen in de zin, eindigden deze nooit op d- of –dt, om priming van deze
uitgangen te vermijden.
In het
totaal werden dus voor 6 condities kritische zinnen ontworpen (zie
bijlage1). Voor twee daarvan werden
onderwerp en persoonsvorm onmiddellijk na elkaar aangeboden (vb. Hij beïnvloedt een grote massa toehoorders
tijdens de speech). Naar deze condities
zal verwezen worden als de korte afstandscondities. Voor de 4 resterende condities werd er tussen het onderwerp en de
persoonsvorm een korte betrekkelijke bijzin aangeboden, waarin steeds een pronomen
stond (lange afstandscondities). In de
eerste lange afstandsconditie was dit het meervoudig pronomen “jullie” (vb.
Hij, even invloedrijk als jullie, beïnvloedt
een grote massa toehoorders tijdens de speech). Dit pronomen veroorzaakt geen verwarring over de spelling van het
daaropvolgende kritische werkwoord (lange afstandscontrole conditie of controleconditie). In de tweede lange afstandsconditie
daarentegen veroorzaakte het pronomen wel verwarring over dit kritische
werkwoord (lange afstandsconflictconditie of kortweg conflictconditie). In deze
zinnen was het kritische werkwoord (PV) steeds homofoon aan de vervoeging die
uitgelokt werd door het pronomen dat deel uitmaakte van de bijzin. Voor zinnen met als onderwerp eerste persoon
enkelvoud, werd het pronomen “hij” voor het kritische werkwoord
gepresenteerd. Dit pronomen zou de
foutieve spellingsvorm op uitgang –dt kunnen uitlokken. Voor zinnen met als onderwerp derde persoon
enkelvoud, werd het pronomen “ik” aangeboden in de verwachting dat de werkwoordsvorm
op –d aannemelijker zou zijn. (vb. Hij, even invloedrijk als ik, beïnvloedt een grote massa toehoorders
tijdens de speech).
De
gemiddelde zinslengte bedroeg 13 woorden.
Er kwamen geen moeilijke woorden in de zinnen voor, aangezien deze de
aandacht van de proefpersoon zouden kunnen richten op de spelling. Er werd ook rekening gehouden met een
mogelijk 'spill-over' effect. Dit houdt
in dat het effect van een kritisch werkwoord op de leestijden uitgesteld wordt
tot op één of twee woorden na het kritische woord. Om dit te controleren werden na het kritische werkwoord telkens
twee korte en bekende woorden ingevoegd.
Langere leestijden op deze woorden worden dan toegeschreven aan het
voorafgaande kritische werkwoord.
Homofonen van het Type D/T
In het experiment werden
ook 27 werkwoorden opgenomen, waarvan het voltooid deelwoord en de derde
persoon enkelvoud OTT homofoon zijn.
Deze waren onderverdeeld in drie types: (a) 7 werkwoorden waarvan de
t-vorm vaker voorkomt dan de d-vorm, (b) 10 werkwoorden waarvan de d-vorm vaker
voorkomt dan de t-vorm en (c) 10 werkwoorden waarvan beide vormen evenveel
voorkomen. Net als de d/dt-homofone
werkwoorden, dienden de zinnen die met deze werkwoorden werden geconstrueerd
aan enkele voorwaarden te voldoen. Zo bevonden
de kritische werkwoorden zich steeds in een bijzin. Het onderwerp van de bijzin was steeds een enkelvoudig nomen (vb.
de vader). Het onderwerp van de hoofdzin daarentegen, stond steeds in het
meervoud en kon zowel een nomen als een pronomen zijn. Tussen het onderwerp en het werkwoord van de
bijzin stonden telkens 4 woorden, waarvan eventuele nomina in het meervoud
stonden en geen enkel woord op een d of t eindigde. Op deze manier werd priming van de uitgang d of t van het
werkwoord vermeden. Ook hier werd
rekening gehouden met een mogelijk 'spill-over' effect, door twee korte
woordjes na het kritische werkwoord te plaatsen.
Vulzinnen
Tot slot
werden nog 127 vulzinnen geconstrueerd. Deze zinnen bestonden uit 14 of 15
woorden en begonnen met een bijzin, zodat er 4 woorden tussen de PV en het
onderwerp stonden. Er werd voor gezorgd dat er geen enkel kritisch werkwoord in
deze zinnen voorkwam. Als pronomen werd nooit 'ik' of 'hij' gebruikt en er
waren geen woorden die op 'd', 't' of 'dt' eindigden.
Procedure
Het
experiment werd tegelijkertijd afgenomen van 6 proefpersonen. Van alle proefpersonen werd de naam, het
geslacht, de opleiding en de geboortedatum genoteerd. De proefpersonen moesten plaats nemen aan twee lange tafels die
elk tegen een muur stonden. Er zaten
dus 3 proefpersonen per tafel, ze keken allen richting muur en tussen twee
proefpersonen in stond een wand die iets breder was dan de tafel en ongeveer 50
centimeter hoog was. De instructies
verschenen op het scherm en zagen er als volgt uit:
“In dit experiment vragen we je om enkele zinnen te lezen. In een eerste
fase zullen de woorden echter bedekt zijn door puntjes. Telkens wanneer je op
de SPATIEBALK drukt kan je een woord van de tekst te zien krijgen. Alzo kan je
de tekst op je eigen tempo doorlezen. Na sommige zinnen zal er een vraagje
gesteld worden. Als je denkt dat het antwoord "Ja" is druk je de
toets J in. Is het antwoord volgens jou "nee" dan druk je de N in.
Lees de zinnen dus aandachtig en tracht de vragen correct te beantwoorden.”
Na
het lezen van de instructies werden zeven oefentrials aangeboden. Bij drie van
deze zinnen werd een inhoudsvraag gesteld waarbij men “ja” of “neen” moest
antwoorden. Hierna volgde een pauze die
de proefpersoon zelf kon beëindigen.
Vervolgens
werden 180 zinnen aangeboden in de vorm van een 'self paced reading' taak. De zinnen werden in witte letters op een
zwart scherm aangeboden. Iedere zin werd woord voor woord aangeboden. Bij een druk op de spatiebalk verscheen het
volgende woord en werd het vorige gemaskeerd door middel van sterretjes (*).
Tussendoor werden ook 28 inhoudsvragen aangeboden, die steeds betrekking hadden
op de laatst aangeboden zin. Deze vragen bleven gedurende vier seconden op het
scherm staan. Het experiment duurde
gemiddeld een half uur. De
proefpersonen dienden te wachten tot iedereen klaar was om het lokaal te
verlaten.
Design
Een 2
(Frequentie: D dominant versus DT dominant) x 2 (Persoon: eerste persoon
enkelvoud versus derde persoon enkelvoud) x 3 (Afstand: kort of lang zonder
conflict of lang mét conflict) design werd opgezet. Door combinatie van de
factoren afstand en persoon ontstonden 6 verschillende condities (zie bijlage1).
Gecombineerd met de 2 mogelijke frequentie-relaties resulteerde dit in 12
verschillende condities.
Voor dit experiment werden 8 verschillende
lijsten opgesteld. Iedere lijst bestond uit 180 zinnen, waarvan 32 zinnen D/DT
homofone werksvormen bevatten. In 4 van de 8 lijsten werden ook 27 zinnen met
D/T homofonie aangeboden. In de overige 4 lijsten daarentegen werden 21 zinnen
met OVT homofonie toegevoegd.
Iedere
lijst bestond uit 2 helften die op een zelfde manier, maar met andere werkwoorden
werden geconstrueerd. Per lijsthelft werden 12 kritische zinnen met D/DT homofonie
aangeboden, geconstrueerd met behulp van 8 verschillende werkwoorden. Dit impliceert
dus dat er 4 werkwoorden herhaald werden, maar dit gebeurde steeds in een
andere afstandsconditie. Herhaling kan echter leiden tot snellere
woordherkenning. Om dit zoveel mogelijk onder controle te houden, werd ervoor
gezorgd dat uitsluitend de lange afstandscondities door herhaling beïnvloed
werden. Als controle werden in beide lijsthelften 4 extra kritische zinnen (met
werkwoorden met een infinitief op –den) toegevoegd, om na te gaan of de factor
afstand een rol speelt, zonder de storende invloed van herhaling. Dit
resulteerde in 32 kritische zinnen per lijst.
In de 1ste 4 lijsten werden dus andere kritische werkwoorden
herhaald dan in de laatste 4 lijsten.
Er
werden dus per lijsthelft 4 werkwoorden herhaald. In elke lijst kwam elk herhaald
werkwoord in een andere lange afstandsconditie voor. Over de 8 lijsten heen
kwam ieder werkwoord twee maal in de twee mogelijke condities met lange afstand
voor (Conditie 1 en Conditie 2), om daarna herhaald te kunnen worden in de 4
mogelijke lange afstandscondities (Conditie 3, 4, 5 of 6).
Voor
de verdeling van de items over de gehele lijsten werd met verschillende
factoren rekening gehouden. Om de invloed van herhaling te minimaliseren werd
de afstand tussen de 2 herhaalde werkwoorden gemaximaliseerd. De afstand tussen
een werkwoord en zijn herhaling was ook voor ieder werkwoord precies hetzelfde,
om de grootte van het mogelijke herhalingseffect constant te houden voor alle
herhaalde werkwoorden. Om alle andere mogelijke effecten constant te houden
stond in elke lijst hetzelfde werkwoord – maar in een andere conditie – steeds
op dezelfde positie. Er werd bovendien gealterneerd tussen D dominante en DT
dominante werkwoorden. Gemiddeld werden 5 zinnen aangeboden tussen de
verschillende kritische D/DT items.
EXPERIMENT 2
Subjecten
Een
tweede groep van tachtig proefpersonen nam op vrijwillige basis deel aan dit
experiment. Deze steekproef bestond uit
21 vrouwen en 59 mannen tussen 19 en 31 jaar.
Net als in het eerste experiment waren alle proefpersonen studenten, en
volgden hoger of universitair onderwijs.
Studenten met een taalkundige opleiding werden opnieuw geweigerd.
Om niet de indruk te wekken dat alle
werkwoordsvormen fout waren gespeld, werden de werkwoorden in de vulzinnen
steeds correct gespeld. In deze correct
gespelde vulzinnen kwam ook de D/DT, D/T en OVT problematiek aan bod. Deze vulzinnen werden pseudo-random in de
lijsten gevoegd. Er werd bovendien ook gezorgd voor een evenwichtige
verdeling tussen fout en correct gespelde werkwoordsvormen. In alle overige aspecten was het tweede experiment
volledig identiek aan het eerste experiment.
RESULTATEN
Analyse
van de spelling
De
statistische analyse (ANOVA) “relatieve homofoonfrequentie x afstand x persoon
x spelling” toonde een marginaal hoofdeffect van spelling (F = 3.38, p<0.10).
Er is een lichte tendens dat foute kritische woorden sneller gelezen worden dan
correcte kritische woorden.
Analyse
van de relatieve frequentie van homofone spellingsvormen
De
statistische analyse (ANOVA) “relatieve homofoonfrequentie x afstand x persoon
x spelling” toonde geen hoofdeffect van frequentie.
De
statistische analyse (ANOVA) “afstand x persoon x spelling” toonde twee
hoofdeffecten. Enerzijds was er een hoofdeffect van afstand (F = 9.89, p<0.01).
De proefpersonen lazen sneller de kritische woorden in de lange zinnen, dan in
de korte zinnen. Anderzijds was er ook een hoofdeffect van spelling (F= 5.92, p<0.05).
Als het kritische woord fout was, lazen de proefpersonen dit woord sneller.
Daarnaast was er een significante interactie tussen persoon en spelling (F =
4.08, p<0.05). In de 3de persoon worden de kritische foute
woorden sneller gelezen dan de 1ste persoon. De kritisch juiste
woorden in de derde persoon worden trager gelezen dan de eerste persoon.
De
statistische analyse (ANOVA) “afstand x persoon x spelling” toonde geen
hoofdeffecten. Toch waren er twee significante interacties. Er was een
interactie tussen afstand en spelling (F = 4.53, p<0.05) en een
interactie tussen afstand, spelling en persoon (F = 5.48, p<0.05).
Voor de korte zinnen geldt dezelfde interpretatie zoals hierboven. In de 3de
persoon worden de kritisch fouten (versus juiste) sneller (versus trager)
gelezen dan in de eerste persoon. Voor de lange zinnen wordt het
tegenovergestelde vastgesteld. Foute zinnen worden in de 3de persoon
trager gelezen dan in de 1ste persoon, en juiste zinnen worden in de
3de persoon nu sneller gelezen dan in de 1ste persoon.
De
statistische analyse (ANOVA) “relatieve homofoonfrequentie x afstand x persoon
x spelling” toonde een hoofdeffect van afstand (F = 8.06, p<0.01).
Kritische woorden worden sneller gelezen als er een bijzin in de zin werd
opgenomen. Kritische woorden worden met andere woorden trager gelezen in de
korte zinnen.
Analyse
van de korte zinnen
De
statistische analyse (ANOVA) “relatieve homofoonfrequentie x persoon x
spelling” toonde een hoofdeffect van spelling (F = 4.96, p<0.05). In
korte zinnen worden de foute kritische woorden sneller gelezen dan de juiste
kritische woorden.
Analyse
van de lange zinnen
De
statistische analyse (ANOVA) “relatieve homofoonfrequentie x persoon x
spelling” toonde geen hoofdeffecten. Er waren twee significante interacties. Er
was een interactie tussen relatieve homofoonfrequentie en spelling (F = 6.83, p<0.01)
en een interactie tussen relatieve homofoonfrequentie, persoon en spelling (F =
10.48, p<0.01). Bij de D-dominante werkwoorden worden de foute
kritische werkwoorden sneller gelezen in de 3de persoon dan in de 1ste
persoon. De juiste kritische werkwoorden in de 3de persoon worden
iets trager gelezen dan de 1ste persoon. Bij de Dt-dominante
werkwoorden zien we het tegengestelde. De foute kritische woorden in de 3de
persoon worden trager gelezen dan in de 1ste persoon, en de juiste
kritische woorden in de 3de persoon worden sneller gelezen dan in de
1ste persoon.
De
statistische analyse (ANOVA) “relatieve homofoonfrequentie x afstand x persoon
x spelling” toonde geen hoofdeffect van persoon.
Analyse
van de 1ste persoon
De
statistische analyse (ANOVA) “relatieve homofoonfrequentie x afstand x
spelling” toonde een hoofdeffect van afstand (F = ?, p<0.05.
Kritische woorden in lange zinnen worden sneller gelezen dan kritische woorden
in korte zinnen.
Analyse
van de 3de persoon
De
statistische analyse (ANOVA) “relatieve homofoonfrequentie x afstand x
spelling” toonde 2 hoofdeffecten. Het hoofdeffect van spelling (F = 4.24, p<0.05)
vertelt dat foute kritische woorden sneller gelezen worden dan juiste kritische
woorden. Het hoofdeffect van afstand (F = 3.96, p<0.05) vertelt dat
de kritische woorden uit lange zinnen sneller gelezen worden dan de kritische
woorden uit korte zinnen. Toch wijst de interactie tussen relatieve homofoonfrequentie,
afstand, en spelling (F = 7.34, p<0.01) op een uitzondering omtrent
deze laatste. Bij de DT-dominantie werkwoorden wordt het foute kritische woord
uit de lange zin trager gelezen dan deze in de korte zin.
Dit
experiment ging na welke invloed de volgende factoren hadden op de leessnelheid
van dt-fouten : relatieve homofoonfrequentie (D-dominante werkwoordvormen,
versus DT-dominante werkwoordvormen), afstand
(een zin met een bijzin of een korte zin), persoonsvorm (1ste
of 3de persoon enkelvoud) en spelling (het kritische woord werd
juist of fout geschreven).
We stelden vast dat de fout geschreven kritische werkwoorden over het
algemeen sneller gelezen worden dan de juist geschreven kritische werkwoorden.
Daarnaast kunnen we binnen deze algemene regel een onderscheid maken tussen
zinnen die gepresenteerd werden in de 1ste persoon en zinnen in de 3de
persoon. In de 3de persoon worden de kritische foute werkwoorden
sneller gelezen dan de kritische foute werkwoorden in de 1ste persoon.
Voor de juiste zinnen geldt het omgekeerde. De juiste kritische werkwoorden in
de 3de persoon worden trager gelezen dan de juiste kritische woorden
in de 1ste persoon. Toch is er één grote uitzondering op deze regel.
De DT-dominante fout geschreven kritische werkwoorden in de lange zinnen
in de 3de persoon worden trager gelezen dan de DT-dominante fout
geschreven kritische werkwoorden in de lange zinnen in de 1ste
persoon. De juiste kritische werkwoorden in de lange zinnen in de 3de
persoon worden nu sneller gelezen dan de juiste kritische werkwoorden in de
lange zinnen in de 1ste persoon.
Hoe kunnen
we deze algemene regel begrijpen? We vertrekken bij het begrijpen van de
uitzondering. In dit geval wordt het foute kritische woord bij DT-dominante
werkwoorden trager gelezen in de 3de persoon bij de lange zinnen.
Voorbeeld : “Hij, even invloedrijk als jullie, beïnvloed een grote massa toehoorders tijdens de speech”. Als er
aan het woord “beïnvloed” een suffix –t bijkwam, was het kritische woord juist,
en werd dit woord sneller gelezen. Dit effect verdwijnt dus bij D-dominante
werkwoordsvormen en als de zin kort was. Een mogelijk verklaring is dat de
lezers de fout opmerken en daarom dit woord iets langer lezen. De lezers zijn
immers goed getraind op dergelijke DT-homofoonfrequente werkwoorden. Het is dan
ook vanzelfsprekend dat ze een fout sneller zullen opmerken, en daarbij
aansluitend dan ook het woord iets trager lezen. De vragen die hieruit voort
vloeien zijn : “Waarom vinden we dan ditzelfde effect ook niet bij korte zinnen
in de 3de persoon met DT-dominante werkwoordvormen” en “ Waarom
vinden we dit effect niet bij lange zinnen in de 1ste persoon met
D-dominante werkwoordvormen”?
Het
antwoord op deze vragen is niet vanzelfsprekend. Interpretaties en verklaringsmodellen
omtrent deze bovenstaande resultaten zullen sowieso op de volgende kritiek
botsen. De variabele spelling (een juist of een fout kritische werkwoord) was
een tussen subject variabele. Het feit dat de proefpersonen constant werden
blootgesteld aan ofwel juiste werkwoorden, ofwel foute werkwoorden kan een
storend effect hebben. Het is wellicht beter deze variabele als tussen subject
variabele op te nemen. Iedere proefpersoon wordt blootgesteld aan het zelfde
experiment. Maar wat indien dezelfde resultaten bekomen worden?
LITERATUURLIJST
Sandra, D., Frisson, S., Durieux, G., Daelemans, W., Gillis, S. (2000). Hij drinkt
niet
altijd
« t » en ik drink er soms wel : Bronnen van hardnekkige
werkwoordsfouten
in het Nederlands. Met taal om de tuin geleid, 282-292.
Sandra, D., Brysbaert M., Frisson S., Daems F. (2001). Paradoxen
van de Nederlands werkwoordspelling : de logica van dt-fouten. De
Psycholoog, 282-287.
BIJLAGE 1
: Overzicht van de condities.
|
|
PERSOON |
AFSTAND |
CONFLICT |
|
COND1 |
Eerste Persoon
Enkelvoud |
kort |
|
|
COND2 |
Derde Persoon
Enkelvoud |
kort |
|
|
COND3 |
Eerste Persoon
Enkelvoud |
lang |
neen |
|
COND4 |
Derde Persoon
Enkelvoud |
lang |
neen |
|
COND5 |
Eerste Persoon
Enkelvoud |
lang |
ja |
|
COND6 |
Derde Persoon
Enkelvoud |
lang |
ja |