Universiteit Gent

Faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschappen

Eerste licentie Psychologie

Optie theoretische en experimentele psychologie

 

 

 

 

HET SYMMETRIE MODEL : EEN NIEUW VERKLARINGSMODEL VOOR HET MOZART-EFFECT.

Peter Butseraen

 

 

 

Stamnummer: 19998005

Paper in het kader van:

“Paradigmata van de experimentele psychologie”

Prof. Dr. A. Vandierendonck

Begeleider: Wouter De Baene

Vakgroep: Experimentele psychologie

7 februari 2001

 

 

 

ABSTRACT

 

Rauscher, Shaw en Ky (1993, 1995) stelden vast dat tien minuten luisteren naar een sonate van Mozart de prestaties op spatiaal temporele taken bevorderden, in vergelijking met het luisteren naar relaxatie-instructies of stilte. Dit verschijnsel benoemden deze auteurs als het Mozart-effect. De twee voornaamste verklaringsmodellen voor dit effect, het trion model (Leng & Shaw, 1991) en de “gemoedstoestandshypothese” (Chabris, 1999), kunnen vandaag moeilijk standhouden (De Baene, 2000). In deze paper pogen we het Mozart-Effect te verklaren vanuit een nieuwe invalshoek, namelijk deze van “symmetrie”. Dit model voorspelt dat het symmetrisch aspect in enerzijds een muziekstuk en anderzijds in de gehanteerde spatiaal temporele taak, een noodzakelijke voorwaarde vormen om het Mozart-effect te bekomen.

 

 

INLEIDING

 

Deze paper introduceert een nieuw verklaringsmodel voor het Mozart-effect, namelijk het symmetrie model. Deze stelt dat luisteren naar een symmetrisch muziekstuk, de prestaties op symmetrisch spatiaal temporele taken zullen bevorderen. Als deze hypothese juist is, dan kunnen we het Mozart-effect op bovenstaande manier herdefiniëren.

Achtereenvolgens worden de belangrijkste experimenten omtrent het Mozart-effect beschreven. De Baene (2000) stelt vast dat de twee belangrijkste verklaringsmodellen, namelijk het trion model van Leng en Shaw (1991) en de “gemoedstoestandshypothese” van Chabris (1999) tekortschieten om het Mozart-effect te verklaren. Daarom zoeken we een nieuw aanknopingspunt en die vinden we in de befaamde sonate van Mozart. Symmetrie is hierbij het kernbegrip en vormt meteen ook de link naar sommige spatiaal temporele taken. We ondervinden dat bepaalde taken, zoals de “paper folding and cutting task” en de “mentale rotatie taak”, meer symmetrisch zijn dan andere. Uit talrijke experimenten blijkt dat het Mozart-effect enkel werd uitgelokt bij deze taken.   

We eindigen met een beschrijving van een onderzoeksvoorstel die moet nagaan of de graad van symmetrie in een werkstuk, een invloed heeft op het uitlokken van het Mozart-effect.

 

 

Het Mozart-effect

 

Hieronder volgt een chronologisch overzicht van de belangrijkste experimenten in verband met het Mozart-effect. We starten met een beschrijving van de eerste twee experimenten van Rauscher en collega’s. Daarna pogen talrijke onderzoekers dit effect te repliceren. Soms met, soms zonder succes. Dezelfde ontbrekende overtuigingskracht weerspiegelt zich ook in de falende verklaringsmodellen. We eindigen dit verhaal met het beschrijven van een nieuwe aanknopingspunt die we vinden in de bijna tien minuten durende sonate van Mozart, namelijk symmetrie.

 

De eerste studie

 

In 1993 vroegen de auteurs France Rauscher, Gordon Shaw & Katherine Ky zich af of een korte blootstelling aan bepaalde muziek, sommige cognitieve capaciteiten zouden verhogen. Deze hypothese was geïnspireerd door het trion model van Leng en Shaw (1991). Dit model stelt dat bij een blootstelling aan complexe muzikale composities, neurale vuurpatronen georganiseerd en versterkt worden over een groot gedeelte van de hersenen. Omdat spatiaal temporele taken beroep doen op dezelfde vuurpatronen, verwachtte Rauscher et al. dat het luisteren naar een complex muziekstuk, de prestaties op deze taken positief zouden beïnvloeden.

Deze hypothese resulteerde in het volgende experiment. In een “within-subject design” werden 36 studenten onderworpen aan drie luistercondities, corresponderend met 3 soorten spatiaal temporele taken. De eerste luisterconditie bestond uit de sonate van Mozart voor 2 piano’s in D majeur K448. Dit muziekstuk werd gekozen voor zijn enorm gebruik van de mogelijkheden van symmetrie. De tweede luisterconditie bestond uit een tape met relaxatie-instructies en in de derde conditie was er stilte. Onmiddellijk na de luisterconditie, werden de subjecten getest op 3 spatiaal temporele redeneertaken. De “paper folding and cutting task (PF&C)” was de belangrijkste subtest in hun experiment. In deze test moesten de proefpersonen zich inbeelden dat een enkelvoudig blad een aantal keer geplooid werd. Daarna werden een paar stukken uit dat blad geknipt. De opdracht bestond erin om correct te voorspellen welk patroon van uitgeknipte delen men zal bekomen als het papier terug werd ontvouwen (Bijlage 1).

Rauscher et al. vonden in dit experiment significant hogere scores voor de Mozart groep in vergelijking met de relaxatiegroep en de stiltegroep. De verschillen werden omgezet in spatiale IQ scores. De Mozartgroep haalde 8 à 9 punten meer dan de twee andere groepen. Toch duurde het effect niet langer dan een kwartier. Deze bevindingen werden benoemd als het Mozart-effect.

 

De tweede studie

 

In 1995 onderzochten Rauscher, Shaw en Ky 79 studenten op hun spatiaal temporele vaardigheden met de PF/C test. Het experiment nam 5 dagen in beslag. Op de eerste dag werden de studenten getest op hun spatiale begaafdheid en opgedeeld in drie groepen. Deze groepen hadden dezelfde gemiddelde spatiale begaafdheidsscore. Op de tweede tot en met de vijfde dag hadden ze 1 of 3 luisterervaringen en werden daarna onmiddellijk getest. De eerste groep luisterde naar het muziekstuk van Mozart. De tweede groep kreeg elke dag iets anders te horen : de ene dag een muziekstuk van Philip Glass, de andere dag een verhaal en dansmuziek de laatste dag. De derde groep kreeg niets te horen. De onderzoekers vonden een Mozart-effect en stelden vast dat de grootste vooruitgang geboekt werd bij de studenten die de eerste dag het zwakst scoren op de PF/C taak. Daarnaast werd er geen verschil gevonden tussen de Mozart groep en de stilte groepen op de derde, vierde en vijfde dag. Ook wanneer men vooraf naar een muziekstuk van Glass luisterde, stelde men op de PF/C taak geen betere prestatie vast.

 

Replicaties door ander auteurs

 

Daarna poogden enkele vorsers dit effect te repliceren (Carstens, Huskins, & Hounshell, 1995, Newman, Rosenback, Burns, Latimer, Matocha, & Vogt, 1995, Stough, Kerkin, Bates, & Mangan, 1994). In deze drie studies werd geen Mozart-effect gevonden. De kritiek van Rauscher en Shaw (1998) was dat het Mozart-effect niet bevestigd kon worden omdat de gehanteerde tests geen zuivere spatiaal temporele vaardigheden maten.

In 1996 rapporteerden Rideout en Laubach wel een betere prestatie voor de Mozart groep op de PF/C taak. Ze vergeleken de effecten van een relaxatietape en de effecten van het luisteren naar een muziekstuk van Mozart op een PF/C taak. In het volgende jaar maten dezelfde auteurs (Rideout & Taylor, 1997) het Mozart-effect in een gelijkaardige studie. De effecten waren niet echt groot, maar konden toch niet toevallig zijn. De auteurs suggereren een betrouwbaar, klein, positief effect.

 

Recente ontwikkelingen.

 

Het jaar 1999 bracht verschillende publicaties die kritisch waren voor het Mozart effect. Steel et al. (Steele, Brown, & Stoecker, 1999, Steele, Bass, & Crook, 1999)  repliceerden op een betrouwbare manier de Rauscher studies met de PF/C taak. In  hun twee experimenten vonden ze geen Mozart Effect Ook een gecombineerd verslag van gelijkaardige studies van 3 universiteiten (Steele, Dalla-Bella, Peretz, Dunlop, Dawe, Humphrey, Shannon, Kirby & Olmstead, 1999) faalden om het effect te bekomen met een PF/C taak. Tenslotte maakte Chabris (1999) een meta-analyse van alle Mozart studies en concludeerde dat er geen betrouwbaar Mozart effect was. De kritiek van Rausher was dat er in zijn analyse taken opgenomen waren die geen S/T vaardigheden maten (Rauscher, 1999).

We vermelden ook een interessante replicatie van de auteurs Nantais en Schellenbert (1999). In hun experiment onderscheiden ze 3 condities : een Mozart Sonate, een piano stuk door Schubert en een stille conditie. Daarna vergeleken ze de Mozart en de Schubert condities met een conditie “luisteren naar een verhaal”. De proefpersonen die luisterden naar een muziekstuk van Mozart of Schubert, presteerden beter dan de “stille conditie”. Het voordeel van de muziekconditie verdween als de controleconditie bestond uit het luisteren naar een verhaal van Stephen King. Het Mozart effect werd enkel gevonden als de studenten het Mozart stuk verkozen boven het verhaal. De auteurs veronderstellen dat deze bevinding kan verklaard worden op basis van verschillen in de gemoedstoestand. Het luisteren naar een plezant verhaal, zou dan een betere prestatie moeten opleveren op een PF&C vergeleken met Mozartmuziek. De auteurs vinden deze tendens, maar het effect is niet significant.

 

Evaluatie

 

Uit dit overzicht blijkt dat de bevindingen uit het oorspronkelijke experiment over het Mozart-effect (Rauscher, Shaw & Ky, 1993) moeilijk gevalideerd worden. Daarnaast ontbreekt er een sluitend verklaringsmodel voor het bekomen van een Mozart-effect. De Baene (2000) schrijft dat “… noch het trion model, noch de alternatieve hypothese van Chabris, geschikt zijn om het Mozart-effect in al zijn aspecten uit te leggen.”.

Het trion model (Rauscher, Shaw & Ky, 1993) verwacht na het beluisteren van complexe muziek, een betere prestatie op allerlei spatiaal temporele taken. In 1998 worden de auteurs Rauscher en Shaw iets concreter en suggereren dat de twee componenten “spatiale imagery” en “temporale ordering” aanwezig moeten zijn in spatiaal temporele taken om een Mozart-effect te bekomen. De Baene (2000) stelt in zijn experiment echter vast dat slechts één van zijn gebruikte spatiaal temporele taken (de mentale rotatie taak) een Mozart-effect uitlokt. Alhoewel de twee andere taken, namelijk de mechanische redeneertaak en de Corsi blokken taak aan Rauscher’s en Shaw’s opgestelde voorwaarden voldeden, lokten ze geen Mozart-effect uit. Deze bevinding is strijdig met het trion model. In het onderdeel “symmetrie in spatiaal temporele taken”, bieden we een mogelijke verklaring op deze bevinding.

Ook over de juistheid van Chabris’ (1999) hypothese rijzen er vragen. Deze stelt dat het Mozart-effect veroorzaakt wordt door een hemisferische overlap tussen gemoedstoestand en spatiaal-temporele taken. De complexe visuele transformaties, waarop deze taken beroep doen, zijn geassocieerd met dezelfde functie van de rechter hemisfeer als het gemoed. Bijgevolg suggereert Steele et al. (1997) dat prestatieverschil een direct gevolg kan zijn van verschillen in gemoedstoestand. De Baene (2000) stelt echter vast dat een positieve gemoedstoestandsverandering geen voldoende voorwaarde is om het Mozart-effect te bekomen. Deze mening delen ook Weinberger (2000) en Rauscher (1998). Deze laatste vertelt in een persoonlijke communicatie met Weinberger de volgende bevinding. Rauscher vond dat de voorkeur voor een Mendelson stuk of Mozart stuk onbelangrijk is. Er was enkel een spatiaal temporele verbetering bij het beluisteren van de Mozart muziek.

 

Een nieuw raakpunt, … symmetrie

 

Aangezien bepaalde onderzoeksbevindingen geen steun verlenen aan de twee vermelde verklaringsmodellen, kan een nieuwe invalshoek helpen het  Mozart-effect beter te begrijpen. Het raakpunt vinden we bij de betreffende sonate van Mozart. Aangezien dit muziekstuk werd gekozen voor zijn indrukwekkende mogelijkheden van symmetrie, kunnen we ons afvragen of “symmetrie” in een muziekstuk een noodzakelijke voorwaarde is om het Mozart-effect te bekomen. Deze hypothese gaat in tegen de stelling van Rausher et al. (1998) die zegt dat alle complexe muziek (onafhankelijk van de stijl en periode) de prestaties op spatiaal temporele muziek zullen verbeteren. We verzoenen ons met de kritiek van Weinberger (2000) die zegt dat Rauscher niet definieert wat complexe muziek is. Daarom stellen we voor om in deze paper niet te spreken over de complexiteit van een muziekstuk, maar over de graad van symmetrie. Deze symmetrische graad kan een mogelijke verklaring bieden waarom bepaalde muziekstukken wel of niet een Mozart-effect uitlokken. Rausher en Shaw vermelden de volgende prestatiebevorderende muziekstukken: de Yanni muziek, Schubert’s Fantasia for piano (4 Hands in F Minor) en Mozart’s Piano Concerto No. 23 in A major (K.488).  Muziek van Philip Glass en “trance” muziek hadden dan eerder een belemmerend effect. Men stelt vast dat de eerst opgenoemde muziekstukken een uitgesproken symmetrisch karakter hebben en de laatst vermelde niet. Hierna volgt een korte beschrijving van wat symmetrie betekent in de muziek.

 

 

Symmetrie

 

Symmetrie in de muziek

 

Solomon (2000) definieert muzikale symmetrie als “… a congruence which results from the operations of reflection, rotation, or translation”. Deze drie begrippen worden nu achtereenvolgens uitgelegd. Daarbij helpen de figuren uit bijlage 2 deze noties beter te begrijpen.

Het begrip “reflectie” houdt in dat een gespiegeld figuur resulteert in dezelfde afbeelding. In het midden van die figuur bevindt zich de “axis” of “middellijn”. Figuur 1 toont ons een temporele reflectie in een muzikaal patroon. De middellijn valt op de vierde zestiende noot. Deze symmetrie wordt temporeel genoemd omdat “tijd” in de muzikale notatie horizontaal gerepresenteerd wordt. In dit voorbeeld kan men de volledige figuur mooi spiegelen rond de verticale axis en voldoet daarom aan de conditie van “reflectieve symmetrie”. Een muzikaal patroon kan men ook horizontaal spiegelen. Dit heet dan “tonale reflectie”. Figuur 2 is een melodische figuur die helemaal gespiegeld is op toon A4.

         Een andere mogelijke symmetrische operatie, is een rotatie rond een punt. Deze operatie kan visueel voorgesteld worden door de letter “Z”. De letter “Z” wordt 180 graden geroteerd rond een punt en dit resulteert in dezelfde letter “Z”. Figuur 3 toont ons aan dat de letter “Z” in feite twee maal gespiegeld wordt. Eén keer rond de horizontale axis en eenmaal rond de verticale middellijn. Figuur 4 toont ons hoe deze transformatie toe te passen is op een reeks tonen.

         Bij translatie is er sprake van een patroon dat zich herhaalt op een regelmatig spatiaal ritme. Er wordt een exact beeld verplaatst na het originele en dit resulteert in congruenties op regulaire intervallen. In figuur 5 wordt dit verduidelijkt. Figuur 6 toont aan dat een translatie tegelijkertijd kan voorkomen op de tonale dimensie en op de temporele dimensie.

 

Symmetrie in spatiaal temporele taken

 

In deze paper stelden we vast dat De Baene (2000) de hypothese van Rausher en Shaw (1998) verwerpt Die hypothese stelt dat de twee componenten “spatiale imagery” en “temporale ordering” aanwezig moeten zijn in spatiaal temporele taken om een Mozart-effect te bekomen. Een mogelijk antwoord op de vraag waarom de Corsi blokken taak en de mechanische redeneertaak geen Mozart-effect uitlokken en de mentale rotatietaak wel, vinden we in een overzicht van de experimenten omtrent het Mozart-effect (Bijlage 3)

Deze tabel uit deze bijlage toont aan dat twee spatiaal temporele taken, namelijk de PF/C en de mentale rotatietaak, met een zekere overtuiging het Mozart-effect uitlokken. Als we deze twee taken naderbij onderzoeken, ontdekken we in deze taken een aspect van symmetrie. Bijlage 4 verduidelijkt dit voor de mentale rotatietaak en bijlage 1 doet het zelfde voor de PF/C. Als we alle andere taken uit tabel 3 van naderbij bekijken, stellen we geen duidelijke vorm van symmetrie vast.

            Vervolgens kunnen we verwachten dat, niet de opgestelde voorwaarden van Rauscher belangrijk zijn in het voorspellen van het Mozart-effect, maar wel het symmetrische aspect in spatiaal temporele taken. Vandaar de benaming “symmetrisch spatiaal temporele taken”. Deze hypothese biedt een mogelijke verklaring voor de bevindingen van De Baene.

 

Symmetrie als verklaringsmodel

 

Onze stelling is dat er een duidelijk verband bestaat tussen symmetrie in de muziek en symmetrie in sommige spatiaal temporele taken. Dit maken we duidelijk aan de hand van een voorbeeld uit bijlagen 5 en 6. Een kort symmetrisch muziekstuk van Butseraen (2001) wordt systematisch ontleed en herleidt tot de 3 vermelde componenten uit de muzikale symmetrie. Deze transformaties worden vertaald naar de denkoperaties die subjecten nodig hebben op een mentale rotatie taak. We stellen vast dat de symmetrische bewerking “rotatie rond een punt”, en dit voor 90, 180 en 270°, in zowel een muziekcompositie, als op de mentale rotatietaak kunnen voorkomen. Een verder analyse is niet aan deze paper besteed.

         Het is duidelijk dat indien dit symmetrie model gesteund kan worden door een aantal experimentele bevindingen, dat dit model verfijnd en terzelfder tijd uitgebreid kan worden. Zo kan men bijvoorbeeld verwachten dat muziekstukken die vooral symmetrische rotaties van 90° gebruiken, een positief effect zullen hebben op het aantal goede antwoorden in een mentale rotatietaak waar men dezelfde transformatie van 90° moet toepassen. Toch, dit is toekomstmuziek. Laten we eerst de grondstelling van dit model onderzoeken.

 

 

EXPERIMENT

 

De belangrijkste en meest cruciale stelling is dat het luisteren naar een symmetrisch muziekstuk, de prestaties op symmetrisch spatiaal temporele taken zal bevorderen. Als deze hypothese klopt, kan men het Mozart-effect op bovenstaande manier definiëren.

In dit experiment richten we ons op het symmetrische karakter van een muziekstuk. Het model voorspelt dat symmetrie in een lied een noodzakelijke factor is om het Mozart-effect te bekomen. Hoe hoger de graad van symmetrie, hoe groter de kans om een Mozart-effect te bekomen, en omgekeerd. Daarom kiezen we drie muziekcondities met telkens een andere graad voor symmetrie. De sonate voor twee piano’s van Mozart (hoge graad van symmetrie), een muziekstuk van Bach (lagere graad van symmetrie), en chaosmuziek (geen symmetrie). De vierde conditie is stilte. Als symmetrisch spatiaal temporele taak, kiezen we de mentale rotatietaak. We kiezen voor de combinatie van deze taak en de sonate van Mozart, omdat De Baene (2000) bij dit samenspel een Mozart-effect bekwam.

Aldus verwachten we volgens het symmetrie model de beste prestatie bij de Mozart-conditie, een lagere prestatieverbetering bij de Bach-conditie en geen prestatieverbeteringen in de conditie met chaosmuziek en de stilteconditie. 

Aan de andere kant voorspelt een ander verklaringsmodel, het trion model, dat in alle muziekcondities, een even groot Mozart-effect zal optreden. Rauscher et al. (1998) veronderstellen immers dat alle complexe muziekstukken een Mozart-effect zullen opleveren. Ondanks het door Rauscher et al. slecht geoperationaliseerde begrip “complexe muziek”, kunnen we vermoeden dat het muziekstuk van Bach en chaosmuziek onder deze noemer mogen geclassificeerd worden.

 

Proefpersonen.

 

De proefpersonen zijn 20 eerstejaarstudenten psychologie van de Universiteit Gent (10 mannen en 10 vrouwen). Er worden geen andere beperkingen of eisen gesteld aan de onderzoeksgroep.

 

Stimuli

 

We onderscheiden twee soorten stimuli. Enerzijds de muziekstukken en anderzijds de matrixpatronen uit de mentale rotatie taak. Deze laatste worden weergegeven in bijlage 7 en worden in het experiment als 9 x 9 centimeter grote figuren gerepresenteerd op een 17’ scherm.

De drie gekozen muziekstukken, met elk hun eigen graad van symmetrie zijn : de sonate van Mozart voor twee piano’s in D majeur K448, een concerto voor twee piano’s in C van Bach en een chaotisch muziekstuk “rand4.mid”. We kiezen om de tijdsduur van de laatste twee werkstukken te beperken tot 9 minuten en 32 seconden. Deze tijd komt overeen met de duur van Mozart’s werkstuk. Daarnaast wordt er in iedere compositie gebruik gemaakt van eenzelfde instrument, de piano[1]. Deze overeenkomsten tussen deze muziekstukken zijn belangrijk omdat we in dit experiment enkel het symmetrie aspect willen onderzoeken.

         We stellen in de sonate van Mozart een hoge graad van symmetrie vast. In het muziekstuk van Bach zijn ook mooie symmetriestukken terug te vinden, maar het stuk is veel minder symmetrisch dan dat van Mozart. In het chaotisch muziekstuk vinden we geen enkele symmetrie terug. De gehanteerde muziekstukken in MIDI-formaat[2] (Sonate, Bach en chaos) plaatsten we op de volgende webpagina :

http://www.geocities.com/peterbut24/index.html

 

Apparaten

 

Alle muziekstukken worden afgespeeld met behulp van de “Mediaspeler” van Windows ’98. De proefpersonen luisteren naar het betreffende muziekstuk met een hoofdtelefoon op. Daarbij worden ze geblinddoekt. We doen dit omdat we ons enkel willen beperken tot auditieve stimuli.

 

Design

 

Het experiment bestaat uit twee delen. In een eerste fase worden de proefpersonen onderworpen aan de mentale rotatietaak. Daarna worden de resultaten van deze test verwerkt en op basis daarvan stellen we vier groepen samen met een gelijkmatige verdeling. In de tweede fase, één week later, worden deze vier groepen at random toegewezen aan één van de vier condities. Elke conditie is op dezelfde manier opgebouwd. De proefpersoon zit neer op een stoel voor de computer. Hij of zij krijgt een korte uitleg over wat zal gebeuren. Daarna wordt de proefpersoon geblinddoekt en plaatsen we een hoofdtelefoon op zijn of haar hoofd. Vervolgens luisteren de subjecten naar één van de drie muziekstukken ofwel naar stilte. Dit duurt 9 minuten en 32 seconden. Onmiddellijk daarna volgt de testfase. De proefpersonen worden opnieuw getest met dezelfde mentale rotatie taak.

Aangezien Sarnthein, Von Stein, Rappelsberger, Petsche, Rauscher en Shaw (1997) een persistentie vaststellen van EEG patronen gedurende een 12-tal minuten na het beluisteren van een Mozart sonate, gaan we er vanuit dat de invloed van die muziekstuk 12 minuten van kracht is. Daarom zal onze analyse van de resultaten zich beperken tot de items die opgelost zijn binnen die 12 minuten. 

Deze symmetrisch spatiaal temporele taak is als volgt opgebouwd (Bijlage 4). Elke trial start met een wit fixatiepunt in het midden van het zwarte scherm. Om de volgende trial te starten, drukken de proefpersonen op de klaar toets. Het fixatiepunt wordt dan vervangen door één van de stimuli uit bijlage 7. Deze worden at random in één van zijn acht mogelijke posities op het computerscherm geplaatst. Wanneer de proefpersonen dachten dat ze het patroon konden herinneren, drukten ze opnieuw op de klaar toets. Daarna wordt de matrix vervangen door één van de vier pijlen. Deze pijl toont aan of de ingeprente stimulus 90° of 180° geroteerd moet worden en dit in wijzer- of tegenwijzerzin. Als de proefpersonen de aangeduide mentale transformatie hebben uitgevoerd en de gehele stimulus in de gepaste nieuwe oriëntatie kunnen voorstellen, drukken ze opnieuw op de klaar toets. Op dit moment wordt de pijl vervangen door een teststimulus. De proefpersonen moeten met hun geprefereerde hand antwoorden of deze testmatrix dezelfde is als de getransformeerde stimulus of niet. Hiervoor kunnen ze de ja of neen toets (respectievelijk de rechter SHIFT-toets en de linker SHIFT-toets) indrukken. Elke trial eindigt met feedback over de juistheid van het antwoord. Een bijkomende boodschap wordt getoond als het antwoorden langer dan 1 seconde duurt. Een druk op een willekeurige toets start de volgende trial.  In dit experiment komt elk van de 18 stimuli tweemaal voor. Het patroon wordt per deel eenmaal 90°, eenmaal 180° geroteerd. De volgorde van de stimuli, hun initiële oriëntatie, evenals de uit te voeren transformatie, worden at random geselecteerd. Bij de helft van de trials is de teststimulus de juiste. Bij de helft van de foutieve trials wordt het correcte patroon in een verkeerde oriëntatie gepresenteerd, terwijl in de overblijvende trials een intrensiek verschillend patroon wordt getoond.

 

 

OPMERKING

 

Dit symmetrie model is slechts hypothetisch en doet geen afbreuk aan andere modellen. Ze heeft enkel als doel het Mozart-effect meer begrijpbaar te maken en verder onderzoek te stimuleren. Een tweede opmerking is dat dit model zich nog maar in zijn beginstadium bevindt. We kunnen ons inbeelden dat wiskundige materie het model dieper kan uitwerken, en ook neuropsychologische inzichten kunnen soelaas bieden. 

 

Laten we eindigen met duidelijk te stellen dat er in deze paper gesproken wordt over “noodzakelijke voorwaarden” en niet over “voldoende voorwaarden”.

 

 

REFERENTIES

 

Betthel-Fox, C.E. & Shepard, R.N. (1998). Mental rotation. Effects of

     stimulus complexity and familiarity. Journal of Experimental Psychology

     Human Perception and Performance, 14 (1), 12-23.

Butseraen P. (2001). “Overspel”, een symmetrisch muziekstuk. www.

     geocities.com/peterbut24/index.html

Carstens, C.B., Huskins, E. & Hounshell, G. W. (1995). Listening to

     Mozart may not enhance performance on the revised Minnesota Paper

     Form board Test., Psychological reports,  77, 111-114.

Chabris, C.F. (1999). Prelude or requiem for the “Mozart-effect” ? Nature,

     400, 826-827.

De Baene, W. (2000). Berust het Mozart-effect op de activatie van spatiale

     representaties? Thesis in het kader van het opleidingsniveau

     experimentele theoretische pscyhologie. Prof. Dr. Vandierendonck.

     Universiteit Gent.

Leng, X. & Shaw, K.V. (1993). Toward a neural theory, durations of

     extended mental rehearsals are remarkably reproducible in higher level

     human performance. Neurological Research, 15, 413.            

Leng, X., & Shaw, G.L. (1991). Toward a neural theory of higher brain

     function using music as a window. Concepts in Neuroscience, 2, 229-

     258.

Newman, J. Rosenbach, J.H, Burns, K.L., Latimer, B.C., Matocha, H.R. &

      Rosentahal Voght, (1995). An experimental test of “the Mozart

     effect”: Does listening to his music improve spatial ability. Perceptual

     and Motor Skills, 81, 1379-1387.

Rauscher F. H., Shaw G. L., Levine L. J., Wright E. L., Dennis W. R. &

     Newcomb R.L. (1997). Music Training Causes Long-Term Enhancement

     of Preschool Children's Reasoning. Neurological Research 19, 2-8.

Rauscher, F. H. & Shaw, G. L. (1998), Key components of the Mozart

     effect, Perceptual an Motor skills, 86:835-841.

Rauscher, F.H., Shaw, G.L. & Ky, K.N. (1993). Music and spatial task

      performance. Nature, 365, 611.

Rauscher, J. H., Shaw, G. L. & Ky, K. N. (1995). Listening to Mozart

     enhances spatial-temporal reasoning: towards a neurophysiological basis.

     Neuroscience Letters, 185, 44-47.

Rauscher, J.H. (1999). Prelude or requiem for the “Mozart effect”? Nature,

     400, 827-828.

Rideout, B. E. & Taylor, J. (1997). Enhanced spatial performance

     following 10 minutes exposure to music: a replication. Perceptual and

     Motor Skills, 85, 112-114.

Rideout, B.E. & Laubach, C.M. (1996). EEG correlates of enhanced

     spatial performance following exposure to music. Perceptual and Motor

     Skills, 82, 427-432.

Sarnthein, A., von Stein, P. Rappelsberger, H. Petsche, F. R. Rauscher & G.

     L. Shaw,  (1997). Persistent Patterns of Brain Activity: An EEG

     Coherence Study of the Positive Effect of Music on Spatial-Temporal

     Reasoning" Neurological Research, 19, no. 107.

Solomon, L.J., (2000). Symmetry as a compositional determinant.

Steele, K. M., Bass, K. E. & Crook, M. D. (1999). The mystery of the

     Mozart effect: failure to replicate. Psychological Science, 10, 366-369.

Steele, K.M., Ball, T.N., & Runk, R. (1997). Listening to Mozart does not

     enhance backwards digit span performance. Perceptual and Motor Skills,

     84, 1197-1184.

Steele, K.M., Brown, J.D. & Stoecker, J.A. (1999). Failure to confirm the

     Raushcer and Shaw description of recovery of the Mozart effect.

     Percepual and  Motor Skills, 88, 843-848.

Steele, K.M., Dalla-Bella, S., Peretz, I., Dunlop, T., Dawe, L.A., Humphrey,

     G.K., Shannon, R.A., Kirby, J. L. & Olmstead, C.G. (1999). Nature,

     400, 827.

Stough, C., Kerkin, B, Bates, T. & Mangan, G. (1994). Music and spatial

     IQ. Personality and individual differences, 17, 695.

Weinberger, N.M., (2000). “The Mozart Effect” : a small part of the Big

     picture. Musica research notes.



[1] In het concerto van Bach, wordt het geluid van de blaasinstrument (8min:36) in het experiment vervangen door een piano. 

[2] Midi (afkorting voor M-usic I-nstruments D-igital I-nterface) is een standaard, die de communicatie tussen elektronische muziekinstrumenten met toongenerators (bijvoorbeeld synthesizers) onderling, en ook met de computer over digitale stuurgegevens definieert.

Hosted by www.Geocities.ws

1