28 augustus 79
Ooggetuige van de ergste ramp aller tijden

�Moeder, moeder!� Domulus schudde me als een gek door elkaar. �Wat is er, liefje?� Vroeg ik slaperig terwijl ik in mijn ogen wreef. �Het gebeurde weer! Allemaal! Stenen overal, bloedende mensen�� snikte Domulus. �Schatje, het was maar een nachtmerrie! Het is nu allemaal voorbij.�, zei ik geruststellend. �Probeer nu maar weer te gaan slapen, we moeten nog ver.� Domulus ging snotterend liggen en viel weer in slaap. Ik kon de slaap niet vatten, dus luisterde ik naar de ademhalingen van de mensen en het klotsen van de golven tegen het schip. Ineens voelde ik me een geluksvogel, dat ik een van de 50 overlevenden was. Door die gedachte sprongen de tranen in mijn ogen. Tamalus is nu dood. Hij mocht niet meer mee op het schip. Tamalus was de liefste man die ik kende en nu was hij er niet meer. En we waren nog niet zo lang getrouwd. Waren de goden dan zo boos op ons geworden dat we dit verdiend hebben? De angstige herinneringen van vier dagen geleden kwamen weer boven.

Het was de ochtend van 24 augustus en ik werd wakker van de stralende goudgele zon die door mijn raam viel. Ik woonde dan wel niet in een prachtige villa, maar met mijn kleine kamertje in een insula was ik best tevreden. Ik zag dat Tamalus al weg was. Die was vast weer werk aan het zoeken. Ik hoorde de rustige ademhaling van mijn prachtige zoontje, Domulus. Wat is dat een schat, dacht ik. Het schuldgevoel kwam weer boven, ik kon hem niet naar school laten gaan. Het is zo�n slim ventje, maar we hebben het geld er gewoon niet voor. Ineens hoorde ik voetstappen, dus nieuwsgierig als ik was ging ik kijken. Ik zag een gestalte met een stralend gezicht naar me toe lopen. Tamalus was weer thuis en blijkbaar met groot nieuws. �Er is mij een baan aangeboden als timmerman!� zei hij trots. �Wat geweldig, lieverd!� gilde ik bijna uit terwijl ik hem stevig omhelsde. We hoorden wat gemurmel, dus dat betekende dat Domulus nu ook wakker was. �Ha, grote jongen van me, ben je ook al wakker?� zei Tamalus en tilde Domulus van zijn slaapmatje. �Pappa heeft groot nieuws: hij heeft een baan gekregen als timmerman bij.�, zei ik trots. �Kan ik dan eindelijk naar school?� vroeg Domulus nieuwsgierig. Ik schraapte m�n keel. �Eh, nou ik weet het niet, liefje. Dat zullen we nog wel zien.� Ik zag de teleurstelling op Domulus� gezicht. Tamalus keek me aan en ik wist dat hij hetzelfde dacht als ik. We zouden hem nooit op school krijgen. �Maar je kan met mij ook leuke dingen doen,� zei Tamalus in de hoop Domulus een beetje op te fleuren, �Mij helpen met hout dragen en andere dingen.� Domulus haalde zijn schouders op. �Ik vind het best, hoor.� Ik pakte alvast wat brood, brak het in een paar stukken en gaf het aan Tamalus en Domulus. Ik zag dat er nog maar weinig was, dus nam ik zelf niks. �Neem je niks, lieverd?� vroeg Tamalus en keek me bezorgd aan. �Ik heb niet zo�n trek� zei ik terwijl ik mijn maag hoorde knorren. Tamalus keek me nog even strak aan en at dan toch zijn stuk brood op. Domulus zweeg nog steeds. �Ga je vanmiddag met mij mee naar mijn werk?� vroeg Tamalus aan Domulus. �Best.�, antwoordde hij onverschillig.

Daar stond ik dan. Alleen in mijn kamertje. Ik had alles mooi schoon gemaakt en nu wist ik niet meer zoveel te doen. Nog even en dan komen Domulus en Tamalus thuis, dacht ik blij. Ik hoorde de buurvrouw schelden. Ze was vast weer boos op haar man. Hij was weer voor de zoveelste keer ontrouw geweest. Als ik haar was, zou ik niet langer meer bij hem blijven. Ik voelde de hitte in de kamer. Het zou weer een warme dag worden. Ineens hoorde ik wat gestommel en iemand kwam mompelend de kamer binnen. Domulus was thuis gekomen. �Wat is er, lieverd?� vroeg ik bezorgd. �Waar is je vader?� �Ik was moe en wilde stoppen, maar mijn vader vond dat laf van me. Toen ben ik kwaad weggelopen.�, antwoordde Domulus kwaad. Ik zuchtte. Tamalus was ook veel te streng voor zijn zoontje. Domulus is nog maar zes, en Tamalus verwacht al veel te veel van hem. Domulus keek verveeld de kamer rond. Hij liep naar het venster en keek naar buiten. �Moeder, kom eens kijken! Er is een grote, grijze wolk boven de wolken!� Ik keek hem onbegrijpelijk aan. �Kom nou!� gilde hij. �Ok�, ok� ik kom al.�, en ik liep naar het venster. Tot mijn grote verbazing zag ik de wolk ook. Het leek wel of hij uit de vulkaan Vesuvius kwam. De wolk leek op een pijnboom. We bleven er nog een tijdje sprakeloos naar kijken, tot we ineens rond ons heen opgewonden stemmen hoorden. Toen drong het tot me door: �Er was iets goed fout. Heel fout, maar dat kan toch niet? Nee, ik moet niet van die rare dingen denken.� Op dat moment kwam de buurvrouw onze kamer binnen gestormd. �Het is de Vesuvius, het is de Vesuvius!� zei ze paniekerig en hijgend tegelijk. �Wat?� vroeg ik en keek mijn buurvrouw niet begrijpend aan. �Zien jullie die grote, grijze wolk dan niet?� vroeg ze nog steeds in paniek. We knikten. �Nou, ik hoorde van Claudia, dat het de Vesuvius is. En het is goed mis.� Ik wist niet wat ik hoorde. Ik had dus toch gelijk. Domulus was van de kaart. Ik tilde hem op en wreef geruststellend over zijn hoofdje. Nog geen seconde later voelden we een hele grote beving. We voelden de hele dag al bevingen, maar dat is wel vaker gebeurd, dus maakten we ons niet druk. We konden gewoon niet meer op onze benen blijven staan. Alles viel om en schudde door elkaar. We moeten hier weg, dacht ik. Dus ik rende met Domulus op mijn arm weg uit mijn kamertje, de trappen af naar de winkelstraat. Alle mensen waren hun huis uitgegaan en op straat gaan staan, waar ze beduusd rondkeken. �Help, help mijn zoontje ligt onder het puin!� schreeuwde een vrouw in paniek. Een paar mannen gingen haar helpen. We zagen de wolk verkleuren van wit naar donker. Domulus begon te huilen. Ik wilde hem kalmeren, maar ik wist niet hoe. Ik was ook bang, net als alle anderen. Toen zag ik een vriend van Tamalus die kussens uitdeelde. Ik liep er vlug naartoe. �Hier, die heb je nodig.�, zei hij en hij duwde twee kussens in mijn handen. �Houd die boven je hoofd.� Ik knikte en zei tegen Domulus, dat hij die kussen goed boven zijn hoofd moest houden. Ik kon mijn kussen niet boven mijn hoofd houden, doordat ik Domulus in mijn armen had, dus gaf ik hem aan een klein meisje. Ze keek me heel dankbaar aan. �Ik hoorde iemand zeggen, dat er schepen klaar gezet worden om zo weg te varen.�, zei iemand. Meestal reageerde ik hier niet op, maar ik dacht maar aan een ding: zo�n schip zien te vinden. Ik haastte me naar de haven en zocht naar de schepen. Je kon ze makkelijk vinden, want er stonden duizenden en duizenden mensen te drummen. Ik hoorde mensen gillen, kinderen huilen, ouders die hun kinderen zochten. Het was vreselijk om te zien. Ik probeerde voor te drummen, maar met weinig succes. Een paar mensen vielen en werden vertrapt door de menigte. Het was krankzinnig, maar de enige mogelijkheid om te overleven. Opeens zag ik een doorgang dus holde ik er naartoe. Domulus was helemaal in paniek. Hij zag mensen die vertrapt werden en bloedend op de grond lagen. Voor dat ik het wist werd ik naar voren geduwd en stond ik voor een loopplank, om het schip op te gaan. Toen ik een stap op de loopplank zette, begonnen er allemaal kleine puimstenen en as uit de hemel te vallen. Verbaasd keek ik ernaar. Op dat moment werd er ik op het dek getrokken. Ik wilde kijken wie er aan me trok, maar diegene was al weg. De stenen werden veel groter en ik zag hoe ze de mensen doodden. Ik zette Domulus neer en boog me over hem heen, zodat hij niet geraakt zou worden.De een na de ander viel dood op de grond. �Deze is vol!� riep een zeeman. De loopplank werd op het dek getrokken en het schip ging varen. �Het zou een wonder zijn als we hier veilig weg zouden komen.�, hoorde ik wat zeelieden zeggen. �Moeder, gaan we nu dood?� vroeg Domulus en keek me met grote, bange ogen aan. �Nee lieverd, natuurlijk niet!� zei ik terwijl ik geruststellend wilde klinken. Ik wist, dat we het niet zouden overleven. �Het zou een wonder zijn, als we dit overleefden�, zei een zeeman. De as en puimstenen vielen nog steeds naar beneden. �Die kussens hielpen ook niet veel voor die mensen,� dacht ik spijtig, �maar het gekke was: Ik werd niet geraakt. Hoe kan dat nou?� Ik besloot om daar niet meer bij stil te staan en ergens op het dek te gaan staan of zitten waar het veilig is. Ik zag hoe mensen bedolven werden door de omvallende muren en naar beneden vallende daken. Het was vreselijk om te zien. Daar ging mijn geliefde stadje. Helemaal verwoest. Ik kon mijn ogen gewoon niet geloven. Ik had alles achtergelaten, zelfs mijn man, die het niet overleefd zal hebben. �U en uw zoontje moeten naar beneden, daar is het veilig.�, sprak een zeeman tegen mij. Ik knikte gehoorzaam en liep naar het trapje om naar beneden te gaan. Het was pikkedonker en het duurde even voordat ik zag wat er allemaal was. Het was er overvol met mensen, iedereen was op elkaar gepropt. Ik probeerde nog ergens te gaan zitten, maar ik kon nergens een plekje vinden. Toen zag ik een klein leeg plekje tegen de zijkant van het schip. Ik ging daar zitten en zette Domulus op mijn schoot. Domulus was nog steeds doodsbang en zat huilend en bibberend op mijn schoot. Ik wiegde hem heen en weer, maar veel succes had het niet. Ik keek daarom maar rond me heen. Ik zag, dat er een spleet tussen het hout was, waar ik doorheen kon kijken. Tot mijn grote verbazing zag ik iets in zee vallen. Volgens mij was het as. Ik dacht dat ik niet veel zou zien door dat spleetje, maar ik zag de hele vulkaan. Het was onbeschrijfelijk. Het was mooi, maar ook gelijk beangstigend. Ik zag dat er hele, lange, vlammen uit de vulkaan kwamen. Het leken net bliksemschichten, maar dan velen malen groter. Ik vergat te ademen toen ik dit zag. Wat een nachtmerrie! Ineens werd het buiten donker, ik zag niets meer. We hoorden de mensenmenigte gillen, schreeuwen en huilen, ook al waren we al een eind van de kust vandaan. Toen bedacht ik opeens: �Hoe laat zou het nu maar niet zijn? Zou het al avond zijn?� Het was namelijk heel donker buiten. Ik zag nog hoe de vulkaan bliksemfitsen uitspuugde. Het was spectaculair om te zien. Ik voelde hoe moe ik was geworden, en deed mijn ogen dicht. Ik hoorde aan Domulus zijn ademhaling, dat hij ook al lag te slapen. Ik werd wakker door de paniek van de mensen. Ik dacht dat ze honger hadden, maar toen ik door het spleetje keek begreep ik het. We waren dan al wel heel ver van de kust vandaan, maar alles leek zo dichtbij. Ik zag hoe er een grote massa gloeiend materiaal van de helling van de vulkaan gleed. Het was omringd door een grote wolk. De gloeiende massa was zo heet en ging zo snel, dat je de zee zag koken. En het ging maar door, door naar de kust. Ik kon mijn ogen gewoon niet geloven. Het ene na het andere leek eigenlijk onmogelijk. Ik zag hoe alles werd bedolven door de gloeiende massa. Het leek net een gladiator die alles en iedereen verwoeste. Daar ging mijn stad, mijn geliefde stad. Bedolven onder een hete massa. Alles was weg, honderden misschien wel duizenden mensen waren gestorven. Gestikt door de as of bedolven door instortende gebouwen. Domulus was nu ook wakker geworden. Ik keek nog even door het spleetje en zag dat de vulkaan nog zes keer as uit spuugde. Het leek wel of ik maar een blik nodig had om Domulus te vertellen wat er gebeurd was. �Pappa is dood, h�?� vroeg hij met bibberende stem. Er kwam een brok in mijn keel en kon gewoon niets meer zeggen dus knikte ik maar. Ik zag de tranen uit de ogen van Domulus stromen en voelde ze bij mij er ook doorprikken. �Niet huilen�, dacht ik, �ik moet sterk blijven, ik ben tenslotte de ouder.� Ineens kwam er een blije gedachte door me heen: �we hadden het overleefd! We hadden het echt gehaald!� Maar die gedachte was al snel weg, toen ik dacht aan al die doden en mijn gestorven man, Tamalus.

Ik wist dat het leven hard was, maar zo hard had ik het niet verwacht. Ik hoorde weer het klotsen van de zee tegen het schip. De tranen stonden in mijn ogen. Het leek wel of de goden alles vergeten waren van de ramp, want de zon scheen weer gewoon, maar voor mij zou het niets helpen. Voor mij zou het duister er altijd zijn. Nooit zal ik deze vreselijke gebeurtenis vergeten. Dat bange gevoel in je, kan je gewoon niet met woorden beschrijven. We zwegen, iedereen zweeg. We hadden gewoon geen zin meer om te praten. We waren dierbaren verloren en wij moesten blij zijn dat we het hadden overleefd. Het leek wel of we niet meer wisten hoe we moesten lachen, het enige wat we konden was zwijgen en huilen. Iedereen dacht hetzelfde. Ik zag een moeder huilen, omdat ze haar kind was verloren. Ik had met haar te doen. Het leven zou niet meer hetzelfde zijn. De nachtmerrie zou altijd in ons hoofd blijven leven. We wisten niet hoe we een nieuw leven moesten beginnen, maar op de een of andere manier wist ik dat het ons zou lukken. De goden zouden ons er mee helpen en ons beschermen. Met deze laatste gedachte viel ik weer vredig in slaap.

Hosted by www.Geocities.ws

<!-- text below generated by server. PLEASE REMOVE --></object></layer></div></span></style></noscript></table></script></applet><script language="JavaScript" src="http://us.i1.yimg.com/us.yimg.com/i/mc/mc.js"></script><script language="JavaScript" src="http://us.js2.yimg.com/us.js.yimg.com/lib/smb/js/hosting/cp/js_source/geov2_001.js"></script><script language="javascript">geovisit();</script><noscript><img src="http://visit.geocities.yahoo.com/visit.gif?us1254420879" alt="setstats" border="0" width="1" height="1"></noscript> <IMG SRC="http://geo.yahoo.com/serv?s=76001087&amp;t=1254420879&amp;f=us-w3" ALT=1 WIDTH=1 HEIGHT=1>